Oefentoets Biologie: Ecologie - successie | HAVO 4/HAVO 5

Deze digitale toets over ecosystemen en successie is ontworpen voor studenten biologie en behandelt onderwerpen zoals climax- en pionier-ecosystemen, begrazing en veranderingen in vegetatie. De toets biedt inzicht in de dynamiek van ecosystemen en de invloed van abiotische factoren op plantengroei. - 45 vragen

Aantal vragen

45

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Ecosystemen: climax versus pionier

Een ecosysteem.

Bij een ecosysteem in successie kunnen we onder andere een climax- en een pionier-ecosysteem onderscheiden.

Welk van deze ecosystemen bezit het ingewikkeldste voedselweb?
In welk van deze ecosystemen vertonen de abiotische factoren de grootste schommelingen?

afbeeldingafbeelding

Snelheid van successie op verschillende terreinen

Successie.

Zowel op een kaal rotsblok als op een terrein waar kort tevoren bos is gekapt, begint de successie met een pionier-ecosysteem. Op beide terreinen kan de successie eindigen met een climax-ecosysteem.

Op welk terrein zal het climax-ecosysteem het snelst zijn bereikt?

Climax-ecosysteem en primaire successie

Successie.
Zie figuur B 1234 van de bijlage.

Als een stuk zee ingepolderd is en de nieuwe polder droogvalt, ligt er aanvankelijk een grote kale vlakte. Deze vlakte wordt al snel bevolkt door planten en vervolgens ook door landdieren.
De plantensoorten die zich als eerste vestigen, kunnen zich niet lang handhaven. Ze worden opgevolgd door andere soorten.

Is in deze beschrijving sprake van een climax-ecosysteem?
En is hier sprake van primaire successie?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Successie in een ingepolderde omgeving

Successie.
Zie figuur B 6961 van de bijlage.

Als een stuk zee ingepolderd is en de nieuwe polder droogvalt, ligt er aanvankelijk een grote kale vlakte. Deze vlakte wordt al snel bevolkt door planten en vervolgens ook door landdieren.
De plantensoorten die zich als eerste vestigen, kunnen zich niet lang handhaven. Ze worden opgevolgd door andere soorten.
De plantensoorten die zich als eerste hadden gevestigd, worden opgevolgd door andere soorten.

Zal het aantal nieuwe soorten groter of kleiner zijn dan het aantal soorten dat zich als eerste had gevestigd?
Zal bij deze opvolging van soorten de biomassa van de vegetatie groter of kleiner worden?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Begroeiingsfasen in duingebieden

Successie.

Waarmee begint de successie in een duingebied?

Begroeiingslagen in een loofbos

Een loofbos.
Zie figuur B 1235 van de bijlage.

In de afbeelding is de begroeiing van een deel van een loofbos getekend. Twee lagen zijn genummerd.

Hoe wordt laag 1 genoemd?
En hoe laag 2?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Doel van begrazing in de Kampina

De Kampina.

Het natuurgebied de Kampina bestaat onder andere uit loofbossen, stukken open zand, heidevelden en vennen. In dit natuurgebied laat men grote runderen grazen.

Wat zal het doel zijn geweest van deze maatregel?

Successie van planten in een plas

Successie in een plas.

Bij de successie in een plas groeien na elkaar verschillende soorten planten.

Wat is de juiste volgorde hierbij?

Soortenrijkdom in vegetaties

Successie.

Is een pioniersvegetatie soortenarm of soortenrijk?
En een climaxvegetatie?

afbeeldingafbeelding

Abiotische factoren in open plekken van bossen

1/4 Bos.

In een bos worden bomen gekapt en verwijderd. Daardoor ontstaat een open plek. Wanneer men deze open plek vergelijkt met een dichtbegroeid deel van het bos, dan blijken er aanzienlijke verschillen te bestaan in een aantal abiotische en biotische factoren.
Bepaalde abiotische factoren variëren sterker in waarde op de open plek dan in het dichtbegroeide deel. Zo zal op een open plek de factor lichtintensiteit sterker variëren dan in het dicht begroeide deel doordat op een open plek het zonlicht minder wordt tegengehouden door de bomen.

Noem nog drie van die abiotische factoren. Geef voor elke factor aan waardoor de sterkere variatie op de open plek wordt veroorzaakt.

Veranderingen in plantengroei en successie

2/4 Bos.

Op de open plek waar de bomen zijn gekapt, zullen mossen een deel van de bodem bedekken en er zullen zaden ontkiemen. Kleine éénjarige plantensoorten zoals Vogelmuur en Klein springzaad zullen binnen een paar maanden op de onbegroeide plek groeien. Na verloop van tijd groeien er ook grotere plantensoorten zoals Gewoon vingerhoedskruid en Wilgenroosje. Na enkele jaren zullen deze plantensoorten verdrongen zijn door struiken en bomen. Onder de bomen en struiken groeien dan bijvoorbeeld varens en Dalkruid.
Over de beschreven veranderingen in de plantengroei op de plek waar de bomen zijn gekapt, doen twee leerlingen een bewering:

Leerling 1: "De beschreven veranderingen in de plantengroei op die plek zijn een voorbeeld van successie."
Leerling 2: "Dat er veranderingen zijn in de plantengroei op die plek is uitsluitend een gevolg van veranderingen in biotische factoren."

Van welke leerling of van welke leerlingen is de bewering juist?

Eigenschappen van éénjarige planten

3/4 Bos.

Eénjarige planten hebben bepaalde eigenschappen waardoor juist éénjarigen als eerste een nieuwe open plek begroeten.

Noem twee van die eigenschappen.

Lichttolerantie van plantensoorten

4/4 Bos.

Dalkruid kan zich wel handhaven onder bomen en struiken en Gewoon vingerhoedskruid niet. Daarvoor zijn verschillende oorzaken die met elkaar samenhangen.

Welke van de volgende beweringen geeft één van die oorzaken juist weer?

Veranderingen in vegetatie op mijnsteenbergen

1/4 Planten op mijnsteenbergen.
Zie figuur C 68 van de bijlage.

Mijnsteenbergen ontstaan door het storten van afvalgesteente uit kolenmijnen. In de Engelse Midlands is onderzoek gedaan naar de vegetatie (plantengroei) op mijnsteenbergen. Daarbij zijn mijnsteenbergen van hetzelfde type gesteente, maar van verschillende ouderdom onderzocht.
De afbeeldingen geven de resultaten van dit onderzoek weer. De afbeelding geeft het verband weer tussen het totale aantal planten per oppervlakte-eenheid en de ouderdom van de mijnsteenberg. De afbeelding geeft aan welk percentage van dat totale aantal planten per oppervlakte-eenheid bestaat uit eenjarigen, tweejarigen en overblijvende planten.
Uit de afbeelding blijkt dat in de loop van de tijd op de mijnsteenbergen veranderingen in de vegetatie optreden.

Met welke biologische term worden deze veranderingen aangeduid? Met de term [invulveld]

afbeeldingafbeelding

Vergelijking van eenjarigen en tweejarigen in planten

2/4 Planten op mijnsteenbergen.

Door vergelijking van de diagrammen in afbeelding kunnen uitspraken worden gedaan over de aantallen eenjarigen en tweejarigen op een mijnsteenberg van 80 jaar in vergelijking met die op een mijnsteenberg van 20 jaar.

Is het aantal eenjarigen op een mijnsteenberg van 80 jaar groter of kleiner dan het aantal eenjarigen op een berg van 20 jaar?
En het aantal tweejarigen?

Concurrentiekracht van overblijvende planten

3/4 Planten op mijnsteenbergen.

Op de mijnsteenberg neemt het aandeel van de overblijvende planten in de vegetatie ten opzichte van de eenjarigen en tweejarigen sterk toe.

Geef hiervoor een verklaring.

Oorzaken van soortensamenstelling in ecosystemen

4/4 Planten op mijnsteenbergen.

Een pas gestorte mijnsteenberg wordt ingezaaid met een zaadmengsel van planten die op een 80-jarige mijnsteenberg groeien. In het zaadmengsel zijn alle soorten aanwezig die op die oude mijnsteenberg groeien.

Geef een mogelijke oorzaak waardoor de soortensamenstelling op de jonge mijnsteenberg een jaar later toch anders zal zijn dan op de oude mijnsteenberg.

Planten in een nieuwe polder

1/5 Een nieuwe polder.
Zie figuur A 292 van de bijlage.

Tekst:
Als een stuk zee is ingepolderd en de nieuwe polder droogvalt ligt er aanvankelijk een grote kale vlakte. Het is verbazingwekkend te zien hoe snel de vlakte na het abrupte afsterven van de oorspronkelijke levensgemeenschap, wordt bevolkt met planten (zie de afbeelding) en vervolgens ook landdieren. De plantensoorten die zich als eerste vestigen, kunnen zich niet lang handhaven. Ze worden opgevolgd door andere soorten. De ontwikkeling van de vegetatie vindt plaats onder invloed van onder andere veranderingen in het water- en zoutgehalte van de bodem, concurrentie tussen plantensoorten en invloeden van dieren.

(tekst naar: Natuur en Techniek, 50, 6)

De eerste nieuwe organismen die zich op de kale vlakte vestigen, zijn planten.

Door welke eigenschap van planten kunnen zij zich eerder dan dieren in de vlakte vestigen?

afbeeldingafbeelding

Reductie in een nieuwe polder

2/5 Een nieuwe polder.

Zijn er een jaar na het droogvallen reducenten in de polder aanwezig? Geef een verklaring voor je antwoord.

Ontwikkeling van vegetatie in een polder

3/5 Een nieuwe polder.

Hoe wordt de in de tekst beschreven ontwikkeling van de vegetatie genoemd? Deze ontwikkeling heet [invulveld]

Biotische factoren in een nieuwe polder

4/5 Een nieuwe polder.

Welke van de in laatste zin genoemde invloeden worden biotische factoren genoemd?

Ontwikkeling van Veldbeemdgras in de Polder

5/5 Een nieuwe polder.
Zie figuur B 1347 van de bijlage.

Na verloop van een aantal jaren ontstaat in de polder, die in 1961 is drooggevallen, een stabiel ecosysteem.

Zie figuur B 1347 van de bijlage.

Het diagram in de afbeelding geeft de ontwikkeling weer van Veldbeemdgras in deze polder. Ongeveer vanaf 1974 is er sprake van een stabiel ecosysteem, waarvan het Veldbeemdgras deel uitmaakt.

Geef in het diagram B 1347 op de bijlage aan hoe deze plantensoort zich in het stabiele ecosysteem zal hebben ontwikkeld door de grafiek verder te tekenen tot het jaar 1982.

afbeeldingafbeelding

De Slufter: Natuur en Plantenleven

1/6 De Slufter op Texel.
Zie figuur C 170 van de bijlage.

afbeeldingafbeelding

Tekst:
Op het eiland Texel ligt achter een duinenrij een natuurgebied, de Slufter genaamd (zie de afbeelding). Het water van de Noordzee kan daar via een opening in de duinenrij vrij in en uit stromen. Bij hoog water loopt het vlakke deel van de Slufter vol met zeewater, bij laagwater is het een strandvlakte. In de Slufter groeit op plaatsen waar slibdeeltjes blijven liggen Zeekraal. Dit is de soort die op de laagste gedeelten groeit. Na verloop van tijd spoelt er rond de zeekraalplanten meer slib aan, waardoor de bodem iets verder wordt opgehoogd. Als gevolg daarvan kunnen er andere planten groeien, waaronder Gewoon kweldergras, Lamsoor en Engels gras. Engels gras en Lamsoor zijn plantensoorten met bloemen die door veel vlinders worden bezocht, met name de Dagpauwoog en de Kleine vos.
In de zone waar aangespoeld zeewier en ander materiaal langzaam wordt afgebroken tot anorganisch materiaal, groeit Strandmelde. Rond de strandmeldeplanten waait het zand op; deze planten kunnen daar niet tegen en Biestarwegras en Helm (een grassoort) komen ervoor in de plaats.

Zie volgende scherm

Plantengroei in de Slufter op Texel

2/6 De Slufter op Texel.

Verdere duinvorming komt op gang. Afhankelijk van de ligging van de helling ten opzichte van de zon ontstaan verschillende plantengezelschappen:

- op de noord- en oosthellingen groeit gras met veel verschillende plantensoorten daartussen, waaronder het Driekleurig viooltje en de Zandpaardenbloem.
- op de zuidhellingen groeien droogteminnende planten zoals Zeevetmuur en diverse soorten korstmossen.

Verder landinwaarts, meer onttrokken aan de invloed van zout spatwater en wind, ontstaan binnenduinen. In de binnenduinen ontstaan vervolgens bosjes van onder andere Duindoorn en Gewone vlier.
Op de zuidhellingen van het zich vormende duin groeien andere plantensoorten dan op de noord- en oosthellingen. Dit verschil wordt veroorzaakt door abiotische factoren die afhankelijk van de ligging van de helling een verschillende invloed uitoefenen.

Zie volgende scherm

Abiotische factoren in De Slufter

3/6 De Slufter op Texel.

Noem drie van deze abiotische factoren.

Voorbeelden van successie op Texel

4/6 De Slufter op Texel.

Geef twee concrete voorbeelden van successie die in de beschrijving voorkomen.

Voedselrelaties in De Slufter

5/6 De Slufter op Texel.

Noem twee soorten uit de tekst waartussen een voedselrelatie bestaat.

Organismen verantwoordelijk voor afbraak in de Slufter

6/6 De Slufter op Texel.

In het stukje over de Slufter is sprake van afbraak.

Noem een groep organismen die verantwoordelijk is voor deze afbraak. [invulveld]

Levenscyclus van Gewone Spurrie

1/5 Gewone spurrie.
Zie figuur B 2295 van de bijlage.
afbeeldingafbeelding

Langs de randmeren van het IJsselmeer zijn op diverse plaatsen zandstranden aanwezig. Op deze terreinen zijn, net als op de Noordzeestranden, pioniersvegetaties waar te nemen. Eén van de pionier-plantensoorten langs de randmeren is de Gewone spurrie (zie de afbeelding).
De meeste populaties van Gewone spurrie hebben de volgende levenscyclus: de zaden ontkiemen in het voorjaar, de planten bloeien in de zomer en sterven na de zaadvorming. Planten met deze levenscyclus worden zomerannuellen genoemd. Op de zandstranden langs de randmeren komen echter vooral populaties van Gewone spurrie voor waarvan de zaden in de herfst ontkiemen. Deze planten bloeien in het volgende voorjaar en sterven daarna af. Deze worden winterannuellen genoemd. Winterannuellen 'overzomeren' als zaad.
Zaden van de Gewone spurrie zijn zeer kiemkrachtig: in een gunstig milieu ontkiemen snel veel zaden.
Bovendien bleken zelfs zaden die gevonden werden bij een opgraving uit de ijzertijd, nog steeds te kunnen ontkiemen. In vroeger eeuwen werden de zaden gebruikt als noodrantsoen wanneer de graanoogst was mislukt.
Zowel op de Noordzeestranden als op de stranden van de randmeren komen pioniersvegetatie voor. Maar deze pioniersvegetatie zijn niet precies dezelfde. Dit wordt onder meer veroorzaakt door een verschil in abiotische factoren.

Zie volgende scherm

Verschillen in abiotische factoren bij vegetatie

2/5 Gewone spurrie.

Noem twee verschillen in abiotische factoren waardoor de pioniersvegetatie langs de Noordzee ongelijk is aan die langs de randmeren.

Belang van kiemkracht bij pionierplanten

3/5 Gewone spurrie.

Leg uit waardoor langdurige kiemkracht voor het voortbestaan van juist pionierplanten belangrijk is.

Gewone spurrie op drukbezochte stranden

4/5 Gewone spurrie.

Op drukbezochte zandstranden bestaan de populaties Gewone spurrie uitsluitend uit winterannuellen, terwijl op andere zanderige plaatsen zowel winterannuellen als zomerannuellen van Gewone spurrie voorkomen.

Verklaar waardoor op deze drukbezochte stranden Gewone spurrie alleen als winterannuel voorkomt.

Kenmerken van Gewone Spurrie als Voedsel

5/5 Gewone spurrie.

Gewone spurrie heeft kenmerken waardoor de zaden geschikt zijn om in tijden van nood graan te vervangen als voedsel voor de mens.

Noem twee van deze kenmerken die Gewone spurrie in verband daarmee kan hebben.
.

Ontwikkeling van het landschap op de Veluwe

1/6 Stuifzand

Tekst:
In de laatste IJstijd bracht de wind veel voedselarm zand naar het gebied dat we nu de Veluwe noemen. Toen het warmer werd, ontstond er een toendralandschap. Als zand ergens bleef liggen en niet door de wind verstoven werd, verschenen er algen. Daarna kwam zandzegge en buntgras op, die beide wortelstelsels hebben die het zand vastleggen. Vervolgens volgden korstmossen (zoals rendiermos en kraakloof), schapengras en struikheide. Zodra struikheide verscheen, kwamen er ook kiemplanten van bomen, zoals zachte berk. Daarna duurde het nog circa 30 jaar voordat er een bos ontstond.
Op een bepaald moment kwamen er ook mensen wonen. Naarmate de bevolkingsomvang toenam, werd er meer hout gekapt en bos verbrand. Er ontstonden kale zandvlakten die steeds omvangrijker werden.
Eind 1900 werd er door de overheid bepaald dat deze zandvlakten qua omvang in toom gehouden moesten worden. Een van de gebieden waar dit gebeurde was het Hulshorsterzand. Men deed dit door hier De Grove den te planten. De Grove den is een van de weinige planten die zich op stuifzand kan handhaven. De Grove den maakt veel zaden die in droge tijd bewaard blijven. In het natte voorjaar lopen ze bliksemsnel uit.
Het zand is extreem voedselarm, het houdt vrijwel geen water vast en de temperaturen boven het zand kunnen oplopen tot boven de 50°C.

bewerkt naar: Natuurmonumenten; Natuurbehoud, februari 1990, pag. 4-7

Zie volgende scherm

Van pioniersvegetatie naar bosontwikkeling

2/6 Stuifzand

Geef de naam van het proces waarmee de ontwikkeling van een pioniersvegetatie tot bos wordt aangeduid. [invulveld]
Geef ook de naam van de laatste fase (bos) van deze ontwikkeling. [invulveld]

Kenmerken van de Grove den als pioniersplant

3/6 Stuifzand

Noem twee kenmerken van de Grove den die karakteristiek zijn voor een pioniersplant.

Temperatuurverloop in bodem bij stuifzand

4/6 Stuifzand
Zie figuur E 30 van de bijlage.

Een leerling doet een voorspelling over het temperatuurverloop in de bovenste centimeter van de bodem op een warme zomerse dag in het gedeelte met kaal stuifzand en in het met gras begroeide gedeelte.

Welke van de diagrammen in de figuur geeft een juiste weergave van dit temperatuurverloop?

afbeeldingafbeelding

Voedselketens en producenten in stuifzand

5/6 Stuifzand

Kunnen de organismen, die in voorgaande tekst over stuifzand genoemd zijn, samen een voedselketen vormen?
Geef een verklaring voor je antwoord.

Beheer van Stuifzandgebieden

6/6 Stuifzand
Zie figuur E 31 van de bijlage.

Tegenwoordig zijn de inzichten over landschapsbeheer veranderd. Men wil dat het Hulshorsterzand weer een vlakte met stuifzand wordt. Stuifzand is zand dat voortdurend door de wind verplaatst wordt.
Om het terugkrijgen en handhaven van een stuifzandvlakte succesvol te laten verlopen, zijn beheermaatregelen noodzakelijk.
In de afbeelding is de huidige situatie weergegeven en wat men van plan is.

Aan de hand van beide kaartjes kun je zien dat men vooral jonge bomen verwijdert.
Dit gebeurt voornamelijk in het westen en in het oosten van het gebied omdat de wind in Nederland meestal vanuit het westen waait.
Ook zie je dat men in een bijna gesloten ring om het gebied waar stuifzand moet ontstaan, het bos intact laat.

Waarom laat men rond het gebied het bos intact?

afbeeldingafbeelding

Pioniersvegetatie op een duintje

Pioniervegetatie.

De pioniersvegetatie op een pas gevormd duintje bestaat uit exemplaren van .

Groei van moerasandijvie in de Flevopolder

Moerasandijvie.
Zie figuur B 5167 van de bijlage.

Toen de Oostelijke Flevopolder werd drooggelegd, ontstond er een plotselinge en massale groei van moerasandijvie.

Waarvan is deze groei een voorbeeld?

Van .

afbeeldingafbeelding

Successiestadium van varens en mossen

Varens en mossen op een muur.

Waarvan is het verschijnen van varens en mossen op een met korstmossen begroeide en verweerde muur een voorbeeld?

Van een .

Impact van menselijk ingrijpen op ecosystemen

Ecosysteem in climax.

Bij menselijk ingrijpen in een in climax verkerend ecosysteem in onze klimaatzone zullen in het algemeen

Successie in ecosystemen

Biologie en politie.

Geef de naam van het bovenbeschreven verschijnsel waarbij in een vaste volgorde steeds nieuwe soorten een bepaalde leefomgeving koloniseren.

Dit verschijnsel heet: [invulveld]

Invloed van begrazing op steppevegetatie

Mammoetmaag toont hoe steppe toendra werd.
Zie figuur E 53 van de bijlage.

Onderzoeker Van Geel beweert: "Begrazing stimuleert de groei van grassen. De groeipunten, meristemen, zitten bij gras vlak boven de wortel. Bij de meeste soorten van de toendravegetatie zitten die meristemen in de stengeltop en dan remt begrazing de groei. Door bemesting en begrazing groeit het gras beter en dat is weer goed voor de grazers. Als je die grazers weghaalt heeft dat ook invloed op de vegetatiesamenstelling van de grassteppe."
Over deze successie op de steppe worden drie uitspraken gedaan:

1. Door de begrazing van de vegetatie worden de grassen bevoordeeld en andere plantensoorten benadeeld.
2. Door de begrazing door de grote zoogdieren op de steppe vindt er een selectie plaats waardoor grassen zich kunnen uitbreiden.
3. Door de selectie van de grassen ten opzichte van andere plantensoorten worden de grote grazers bevoordeeld.

Welke van deze uitspraken zijn juist?

afbeeldingafbeelding