Oefentoets Biologie: Spijsvertering - Spijsvertering | HAVO 4/HAVO 5

Deze oefentoets bevat 10 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

10

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Spijsvertering

Spijsvertering.
Zie figuur B 2497 van de bijlage.

Eiwitsplitsende enzymen zijn werkzaam in

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

Spijsvertering.
Zie figuur B 2497 van de bijlage.

Eiwitsplitsende enzymen worden gemaakt in

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

Activiteit van eiwitsplitsend enzym in wasmiddel.
Zie figuur B 509 van de bijlage.

De activiteit van een eiwitsplitsend enzym dat voorkomt in een wasmiddel, werd bij verschillende temperaturen bepaald.
Als maat voor de activiteit werd genomen de hoeveelheid eiwit die in 20 minuten gesplitst werd.
De resultaten zijn uitgezet in het diagram.

Welke van de onderstaande manieren van wassen zal de grootste hoeveelheid eiwit uit wasgoed kunnen verwijderen als in alle gevallen evenveel wasmiddel is toegevoegd?

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

Urease in sojabonen.

In sojabonen komt het enzym urease voor dat ureum afbreekt.
Bij deze afbraak ontstaat onder andere de schadelijke stof ammoniak.
Toch heeft iemand die veel sojabonen eet hier geen last van.
Hiervoor worden de volgende verklaringen gegeven:

1. urease uit sojabonen wordt door speeksel afgebroken,
2. urease wordt in maag afgebroken,
3. urease wordt in de lever afgebroken,
4. urease wordt door de nieren uitgescheiden.

Welke verklaring is het meest waarschijnlijk?

Spijsvertering

Insuline.

Het hormoon insuline is een eiwit. Indien iemand een tekort aan insuline heeft, kan dit tekort worden aangevuld door dit hormoon in te spuiten.

De concentratie van insuline in het bloed kan niet worden verhoogd door dit hormoon via de mond in te nemen.

De verklaring hiervoor is dat

Spijsvertering

Eiwitvertering.

Drie reageerbuizen bevatten elk 1 mL eiwitoplossing.
Aan elk van deze buizen wordt een spijsverteringssap van de mens toegevoegd:

aan buis 1: 1 mL speeksel met een pH 8,
aan buis 2: 1 mL maagsap met een pH 2,
aan buis 3: 1 mL alvleessap met een pH 8.

De buizen worden bij een temperatuur van 37°C geplaatst.

In welke van deze buizen vindt eiwitvertering plaats?

Spijsvertering

Eiwitvertering.

In een proef wordt de invloed nagegaan van de temperatuur op de snelheid waarmee eiwitten worden verteerd door maagsap. De resultaten worden in een diagram uitgezet.

Zie figuur C 8 van de bijlage.

Welk van afgebeelde diagrammen kan juist zijn?

afbeeldingafbeelding

Spijsvertering

Eiwitten.

Door welke drie factoren worden de verschillen tussen soorten eiwitten bepaald?

Spijsvertering

Geneesmiddelen testen.
Zie figuur E 28 van de bijlage.

In de afbeelding is schematisch weergegeven op welke manier de werkzaamheid van een geneesmiddel voor een bepaalde ziekte getest wordt.
Het geneesmiddel waarvan in de afbeelding sprake is, wordt toegediend in de vorm van pillen die met water worden ingenomen.

Het is niet waarschijnlijk dat het werkzame bestanddeel een eiwit is. Leg uit om welke reden.

afbeeldingafbeelding

Voeding

Darmflora.

Eiwitten worden opgebouwd uit twintig verschillende aminozuren. Bij goede voeding kan de volwassen mens in de lever twaalf van deze aminozuren wel zelf maken en de acht andere niet. Deze laatste moeten dus met het voedsel worden opgenomen. Er zijn aminozuren die in de lever kunnen worden omgezet in een ander aminozuur.
Hieronder wordt een aantal aminozuuromzettingen genoemd:

1. essentieel aminozuur X ® essentieel aminozuur Y;
2. essentieel aminozuur P ® niet-essentieel aminozuur Q;
3. niet-essentieel aminozuur A ® essentieel aminozuur B;
4. niet-essentieel aminozuur M ® niet-essentieel aminozuur N.

Welk van deze omzettingen is of welke zijn mogelijk in de lever?