Oefentoets Biologie: Celleer - Transport | VWO 5/VWO 6

Deze oefentoets bevat 21 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

21

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Celleer

Stoftransport in cellen.

De snelheden waarmede twee verschillende stoffen een celmembraan passeren worden vergeleken bij 10°C en 20°C . De passage van stof 1 (proces 1) gaat bij 20°C nauwelijks sneller dan bij 10°C; de passage van stof 2 (proces 2) gaat bij 20°C twee à driemaal zo snel als bij 10°C.

Uit dit verschil tussen beide processen kan worden geconcludeerd dat

Celleer

Transport van protoplasma naar mitochondrium.

Als een molecuul vanuit het protoplasma een mitochondrium binnen gaat, worden verschillende molecuullagen gepasseerd, te weten:

Celleer

Plantencel.

Twee beweringen:

I. De celwand laat enkelvoudige stoffen moeilijk door, omdat de openingen in de celwand te klein zijn.
II. De celmembraan laat enkelvoudige stoffen moeilijk door, omdat de stoffen te groot zijn.

Celleer

Kleuring gistcellen met neutraalrood.

Neutraalrood kan gebruikt worden als een indicator voor de zuurgraad: dit is geel in basisch, rood in zuur milieu. Enigszins basisch neutraalrood (geel) wordt toegevoegd aan vier reageerbuisjes. De inhoud van de buisjes en de kleurreactie in de gistcellen staan hieronder aangegeven:
afbeeldingafbeelding

Door dit experiment wordt aangetoond

Celleer

Transport van ionen.

Op welke manier worden ionen door het celmembraan heen getransporteerd?

Celleer

Stoftransport.
Zie figuur B 2615 van de bijlage.

Van twee verschillende stoffen, stof 1 en stof 2, wordt het transport door een celmembraan heen naar binnen in een cel bestudeerd. Deze stoffen worden verbruikt zodra ze zich in de cel bevinden. In het diagram van de afbeelding is weergegeven welke invloed de concentraties van stof 1 en die van stof 2 buiten de cel hebben op de transportsnelheid van deze stoffen door het celmembraan heen.

Kan uit de afbeelding worden afgeleid dat stof 1 actief wordt getransporteerd?
En stof 2?

afbeeldingafbeelding

Celleer

Gekookte spinazie.

Spinazie, een bladgroente, wordt gekookt.

Verandert daardoor in de spinaziebladeren de doorlaatbaarheid van de celmembranen voor zouten?
En de doorlaatbaarheid van de vacuolemembranen voor zouten?
En die van de celwanden voor zouten?

Celleer

Een celmembraan.
Zie figuur A 56 van de bijlage.

In de afbeelding is een celmembraan schematisch getekend. Enkele delen zijn genummerd.
Vitamine A en vitamine D zijn voorbeelden van in vet oplosbare stoffen.
Vetten en in vet oplosbare stoffen mengen zich in het algemeen niet goed met water en in water oplosbare stoffen.

Kunnen cellen vitamine A en vitamine D opnemen?
Zo ja, via welk(e) van de genummerde delen in de afbeelding?

afbeeldingafbeelding

Celleer

Buiten en binnen de cel.
Zie figuur B 1640 van de bijlage.

Van twee verschillende stoffen, stof 1 en stof 2, wordt het transport door een celmembraan heen naar binnen in een cel bestudeerd. Deze stoffen worden verbruikt zodra ze zich in de cel bevinden.
In het afgebeelde diagram is weergegeven welke invloed de concentraties van stof 1 en van stof 2 buiten de cel hebben op de transportsnelheid van deze stoffen door het celmembraan heen.

Kan uit de afbeelding worden afgeleid dat stof 1 actief wordt getransporteerd?
En stof 2?

Uit de afbeelding blijkt

afbeeldingafbeelding

Celleer

Actief en passief transport.

Glucose kan via transportenzymen door celmembranen heen worden getransporteerd. Bij actief transport kost dit energie; bij passief transport niet.

Waardoor kost passief transport van glucose geen energie?

Celleer

Actief en passief transport.

Glucose kan via transportenzymen door celmembranen heen worden getransporteerd. Dit transport kan actief of passief plaatsvinden.

Welke van deze vormen kost energie? Leg uit waarmee dat samenhangt.

Celleer

Resorptie van glucose.
Zie figuur B 3900 van de bijlage.

In het celmembraan komen allerlei transporteiwitten voor. Er zijn enkelvoudige transporteiwitten die gefaciliteerde diffusie van een bepaalde stof door het membraan mogelijk maken. De werking van andere transporteiwitten berust op het principe van co-transport: aan een transporteiwit worden twee verschillende stoffen gebonden waarna ze tegelijk door het celmembraan bewegen. Bij symport gaan beide stoffen dezelfde richting uit, bij antiport in tegengestelde richting. Ontbreekt een van beide stoffen dan kan het transport niet plaatsvinden.
In de afbeelding is schematisch co-transport weergegeven, zoals dat plaatsvindt door het membraan van een darmepitheel.

Leg aan de hand van de afbeelding uit wat de rol van ATP is is bij symport van glucose en Na+.

afbeeldingafbeelding

Celleer

1/4 Buiten en binnen de cel.
Zie figuur B 1640 van de bijlage.

Van twee verschillende stoffen, stof 1 en stof 2, wordt het transport door een celmembraan heen naar binnen in een cel bestudeerd. Deze stoffen worden verbruikt zodra ze zich in de cel bevinden.
In het afgebeelde diagram is weergegeven welke invloed de concentraties van stof 1 en van stof 2 buiten de cel hebben op de transportsnelheid van deze stoffen door het celmembraan heen.

Kan uit de afbeelding worden afgeleid dat stof 1 actief wordt getransporteerd?
En stof 2?

Uit de afbeelding blijkt

afbeeldingafbeelding

Celleer

2/4 Buiten en binnen de cel.

Energie voor het actief transport van stoffen door het celmembraan heen, wordt direct aan enzymen geleverd door een stof P.

Hoe heet stof P?

Celleer

3/4 Buiten en binnen de cel.

De dissimilatie van glucose in het cytoplasma kan verschillende organische verbindingen opleveren.

Noem twee van deze organische verbindingen.

Celleer

4/4 Buiten en binnen de cel.
Zie figuur B 1641 van de bijlage.

Een aantal reageerbuizen wordt gevuld met 9 ml NaCl-oplossing van verschillende concentraties en 1 ml bloed van de mens. Hierna wordt de inhoud van elke buis gecentrifugeerd. Door het centrifugeren kan in een buis een neerslag van celfragmenten en/of intacte cellen ontstaan. Van elke buis wordt het volume van het neerslag bepaald. In het diagram van de afbeelding is het verband weergegeven tussen het volume van het neerslag en de NaCl-concentratie van de gebruikte oplossing.

Bij welke van de concentraties 0,3, 0,4, 0,9 en 1,0 g/100 ml NaCl hebben de intacte bloedcellen het kleinste celvolume?

afbeeldingafbeelding

Celleer

Transport bij plantencellen.

Plantencellen worden in oplossingen gelegd met verschillende concentraties van twee stoffen, X en Y. De snelheid waarmee X en Y worden opgenomen in de cellen werd bepaald (zie tabel hieronder).

afbeeldingafbeelding

Welke conclusie kan uit de resultaten getrokken worden?

Celleer

Integratie.
Zie figuur E 38 van de bijlage.

In de afbeelding is met verschillende pijlen de opname en afgifte van stoffen tussen een cel en het inwendige milieu weergegeven. Transport van stoffen kan plaatsvinden door:

1. actief transport;
2. diffusie;
3. osmose.

Door welke van deze transportprocessen kan de cel stoffen opnemen en/of afgeven zoals aangegeven met de pijlen in de afbeelding?

afbeeldingafbeelding

Celleer

1/2 Bouw en werking van het verteringskanaal.
Zie figuur C 149 van de bijlage.

De opname van onder andere glucose door het dekweefsel van de darm vindt plaats door middel van de zogenoemde ping-pong-eiwitmoleculen in de celmembraan (zie de afbeelding).

Een molecuul van het 'ping-pong-eiwit' kan twee vormen aannemen: in de vorm 'pong' zijn de bindingsplaatsen van het molecuul gericht naar buiten de cel, in de vorm 'ping' zijn de bindingsplaatsen van het molecuul gericht naar binnen de cel (zie de afbeelding).
Het molecuul wisselt van 'pong' naar 'ping' zodra alle bindingsplaatsen bezet zijn. Door binding aan de bindingsplaatsen van deze membraaneiwitten worden onder andere Na+ -ionen en glucosemoleculen door de celmembraan de cel in getransporteerd. De drijvende kracht achter dit proces is de zogenoemde Na+ -K+ ATP-ase pomp die voortdurend Na+ -ionen vanuit de cel in de extracellulaire ruimte pompt.

Drie processen zijn: de afgifte van glucose binnen de cel, het losraken van Na+ -ionen van het 'ping'-eiwit en het verwijderen van Na+ -ionen uit de cel. Uit bovenstaande gegevens kan worden geconcludeerd dat één van deze processen energie kost.

Welk van deze processen kost energie?

afbeeldingafbeelding

Celleer

2/2 Bouw en werking van het verteringskanaal.
Zie figuur C 149 van de bijlage.

Door de aanwezigheid van bacteriën en virussen in het darmkanaal kan diarree ontstaan. Bij ernstige vormen van diarree is het verlies aan Na+ -ionen en het daarmee gepaard gaande vochtverlies het meest levensbedreigend. Om in deze situatie uitdroging te voorkomen laat men de patiënt een oplossing met glucose en zouten drinken. Zo'n oplossing heet een ORS-oplossing (ORS = oral rehydration solution). Een ORS-oplossing wordt samengesteld uit glucose, NaCl, trinatriumcitraat en KCl.

Wordt de opname van glucose door het dekweefsel van de darm (zie de afbeelding) beïnvloed door de concentratie van Na+ -ionen in ORS?
Zo ja, wordt bij toename van de Na+ -ionenconcentratie de opname van glucose door de weefsels van het darmkanaal lager of hoger?

afbeeldingafbeelding