Oefentoets Biologie: Plantenanatomie - Plantenanatomie | HAVO 4/HAVO 5

Deze oefentoets bevat 28 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

28

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Plantenanatomie

Zoutplanten.
Zie figuur B 2523 van de bijlage.

Er zijn landplanten die in een zout milieu leven. Zulke planten kunnen op verschillende wijzen aan het zoute milieu zijn aangepast. Een voorbeeld van een zoutplant (Zeekraal) is weergegeven in de afbeelding.

Bij deze zoutplanten is de zoutconcentratie in de omgeving van de wortels erg hoog. Alle planten vertonen een selectieve opname van zouten in de wortels. Selectieve opname betekent dat zouten in verschillende verhoudingen in de plant worden opgenomen. Door de hoge concentratie zouten rondom de wortels van zoutplanten dringt echter toch veel zout de cellen van de plant binnen. De zoutplant kan dan zouten opslaan in de vacuolen van cellen. Wanneer de concentratie van zouten in de vacuolen echter zeer hoog wordt, gaan zulke cellen dood.

Sommige soorten zoutplanten hebben een dichte beharing op de bladeren. In deze haren worden ook zouten opgeslagen.

Welke functie kan deze beharing nog meer hebben?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie

Bladstructuur en milieu.
Zie figuur B 519 van de bijlage.

De tekening steelt een deel voor van een dwarsdoorsnede van een blad van een plant die aangepast is aan extreme omstandigheden.

Zijn dit zeer droge of zeer vochtige omstandigheden?
Via welke opening vooral vindt regeling van de verdamping plaats, via opening 1 of via opening 2?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie

Doorsneden van verschillende bladeren.
Zie figuur C 6 van de bijlage.

De tekeningen stellen dwarsdoorsneden van stukjes van verschillende bladeren voor.

Welk blad is het best aangepast aan droge omstandigheden?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Experiment met kamerplanten.

Vier bladerrijke kamerplanten van dezelfde soort worden op verschillende wijze behandeld:

1. één plant wordt begoten met zeewater;
2. één plant wordt in een afgesloten kleine ruimte geplaatst;
3. één plant wordt in een ruimte geplaatst met een hoge relatieve luchtvochtigheid;
4. één plant wordt in het donker geplaatst.

Voorzover niet vermeld, zijn de omstandigheden voor alle planten gelijk en optimaal.

In welk geval is de kans op verwelken binnen enkele uren het grootst?

Plantenfysiologie

Functie van water in plant.

Het grootste deel van het water dat door een groene landplant (geen kiemplant) wordt opgenomen, wordt gebruikt bij

Plantenfysiologie

Waslaagje.

Als een plant aan zijn buitenoppervlak bedekt is met een waslaagje, is de functie daarvan bescherming tegen

Plantenfysiologie

Experiment met afgesneden takjes.
Zie figuur B 352 van de bijlage.

Vier vergelijkbare takjes worden in het licht geplaatst in proefopstellingen, zoals in de tekening is weergegeven.

Bij opstelling 1 zijn de bovenzijden van de bladeren ingevet en bedraagt de omgevingstemperatuur 10°C.
Bij opstelling 2 zijn de bovenzijden van de bladeren ingevet en bedraagt de omgevingstemperatuur 20°C.
Bij opstelling 3 zijn de onderzijden van de bladeren ingevet en bedraagt de omgevingstemperatuur 10°C.
Bij opstelling 4 zijn de onderzijden van de bladeren ingevet en bedraagt de omgevingstemperatuur 20°C.

Bij welke van de opstellingen zal de luchtbel zich het snelst verplaatsen?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Blad met watercellen.
Zie figuur B 359 van de bijlage.

Bij een bepaalde plant bevinden zich aan de bovenkant van het blad evenveel huidmondjes als aan de onderkant.
Aan één kant van het blad bevinden zich bovendien nog zogenaamde 'watercellen'. Dit zijn cellen die eerder dan andere opperhuidcellen water afstaan, met als gevolg dat de bladeren omkrullen (zie tekening).

Bevinden de watercellen zich aan de boven- of aan de onderkant van het blad?
Zal in situatie P of Q de verdamping het meest worden tegengegaan?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Druppelen van bladeren.
Zie figuur B 57 van de bijlage.

Aan de rand van de bladeren van de Oost-Indische Kers bevinden zich speciale openingen in de opperhuid. Achter deze openingen eindigen kleine vaatbundeltjes. Onder bepaalde omstandigheden wordt water in druppelvorm door deze openingen heen naar buiten geperst. Dit verschijnsel heet het druppelen van de plant (zie afbeelding).

Vindt dit druppelen plaats bij een hoge of bij een lage luchtvochtigheid?
Welke betekenis heeft dit druppelen voor de plant?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Druppelen van bladeren.

Aan de randen van de bladeren van de Fuchsia bevinden zich speciale openingen in de opperhuid. Daar eindigen kleine vaatbundeltjes. Onder bepaalde omstandigheden worden waterdruppels door deze openingen naar buiten geperst. Dit verschijnsel heet het druppelen van de plant.

Welke van de volgende factoren veroorzaakt het druppelen?

Plantenfysiologie

Blad van kraaiheide.
Zie figuur B 473 van de bijlage.

De bladeren van kraaiheide hebben een bijzondere vorm. Een dwarsdoorsnede van zo'n blad is in de afbeelding weergegeven.

Op welke van de aangegeven plaatsen zal op een zonnige droge dag de waterdampconcentratie waarschijnlijk het hoogst zijn?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Doorsnede van wortel.
Zie figuur B 431 van de bijlage.

De afbeelding stelt een deel van een dwarsdoorsnede van een jonge wortel van een zaadplant voor. Vier delen zijn aangegeven met P, Q, R en S.

Wat is de functie van deel S?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Experiment met stekjes.
Zie figuur B 618 van de bijlage.

Vier stekjes van dezelfde plant staan in een buis met water (zie tekening).
De buizen 1 en 2 staan in het licht; de buizen 3 en 4 staan in het donker.
Alle andere omstandigheden zijn gelijk.

Uit welke buis zal na 24 uur het meeste water verdwenen zijn?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Experiment met bebladerde stekken.

Met vier bebladerde stekken van een zaadplant wordt een experiment gedaan.

Stek 1 heeft wortels en wordt onder een glazen stolp in een buisje water gezet.
Stek 2 heeft wortels en wordt in een buisje water in de open lucht gezet.
Stek 3 heeft geen wortels en wordt onder een glazen stolp in een buisje water gezet.
Stek 4 heeft geen wortels en wordt in een buisje water in de open lucht gezet.

Aan de bladeren van één van de stekken verschijnen na enige tijd druppels.

Welke stek is dit?

Plantenfysiologie

Experiment met plant.
Zie figuur B 600 van de bijlage.

De tekening stelt een opstelling van een experiment voor.
De opstelling staat in het licht.
Tijdens het experiment blijft het vloeistofniveau in buis P gelijk; in buis Q zakt het 5 mm.
Op grond van deze waarneming worden de volgende conclusies getrokken door:

leerling 1: de plant neemt water op,
leerling 2: de plant verbruikt water voor fotosynthese,
leerling 3: de plant neemt water op èn verbruikt water voor fotosynthese,
leerling 4: de plant neemt water op, verbruikt water voor fotosynthese èn geeft water aan zijn omgeving af.

Welke leerling trekt de juiste conclusie op grond van de waarneming tijdens dit experiment?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Groei van maïsplant en wateropname.
Zie figuur A 161 van de bijlage.

In de afbeelding zijn twee stadia van dezelfde maïsplant getekend. In vier maanden tijd heeft de plant zich van stadium 1 ontwikkeld tot stadium 2.
De stadia van de plant zijn niet in de juiste verhouding weergegeven.
Gedurende deze vier maanden heeft de plant minstens 100 liter water opgenomen. De maïsplant weegt echter minder dan 100 kilo.

Wat is er met het grootste deel van het opgenomen water gebeurd?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Druppelen van aardbeiblad.
Zie figuur B 1368 van de bijlage.

De afbeelding is een foto van enkele blaadjes van een aardbeiplant. Deze plant staat in een kasje in vochtige grond. Aan de bladranden zijn kleine vochtdruppeltjes te zien die uit de bladeren te voorschijn komen.
Met betrekking tot de kas zijn de volgende omstandigheden mogelijk:

1. De kas staat open en de temperatuur van de grond waarin de aardbeiplanten staan, is hoog.
2. De kas staat open en de temperatuur van de grond waarin de aardbeiplanten staan, is laag.
3. De kas is gesloten en de temperatuur van de grond waarin de aardbeiplanten staan, is hoog.
4. De kas is gesloten en de temperatuur van de grond waarin de aardbeiplanten staan, is laag.

In welke van deze omstandigheden is de kans het grootst dat aan de bladrand druppeltjes te voorschijn komen?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Vochtverlies berk.

Een berkenboom wordt te laat gesnoeid, namelijk op het moment dat de knoppen beginnen uit te lopen, maar er nog geen bladeren te zien zijn. Op de snijvlakken komt veel vocht naar buiten.

Door welk proces wordt dit naar buiten komen van vocht veroorzaakt?

Plantenfysiologie

Verdamping van bebladerde tak.
Zie figuur A 203 van de bijlage.

In een experiment wordt een tak van een boom in water gezet (zie tekening). In het licht en in het donker wordt de verdampingssnelheid bepaald. De relatieve luchtvochtigheid en de temperatuur zijn in beide situaties gelijk.

Zakt het waterpeil in het glas het snelst als de opstelling in het licht staat of als deze in het donker staat?
Zijn dan de huidmondjes van de bladeren open of gesloten?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Druppelen van blad.

Onder bepaalde omstandigheden verliezen bladeren aan een plant water in de vorm van druppels.

Wordt dit druppelen bevorderd door een in verhouding hoge of lage bodemtemperatuur?
En door een in verhouding hoge of lage luchtvochtigheid?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Doorsnede blad.
Zie figuur B 643 van de bijlage.

De tekening stelt een dwarsdoorsnede van een blad voor. Bij de verplaatsing van watermoleculen komen verdamping en diffusie voor.

Welke pijl geeft alleen diffusie aan?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Wateropname van stekje.
Zie figuur B 2488 van de bijlage.

Een potometer is een apparaat waarmee de wateropname van een stekje van een plant onder verschillende omstandigheden gemeten kan worden (zie tekening). Als het stekje water opneemt, schuift het water in het capillaire buisje op. Dit is te zien aan de verplaatsing van de luchtbel. Met deze opstelling worden drie series proeven gedaan. De opstelling staat steeds in het licht.
afbeeldingafbeelding

Een leerling verwacht van deze proeven de volgende resultaten:

serie 1: het water in het buisje schuift bij 100% luchtvochtigheid minder op dan bij een lagere luchtvochtigheid;
serie 2: het water in het buisje schuift, wanneer de lucht een temperatuur van 30°C heeft sneller op dan wanneer de lucht een temperatuur van 5°C heeft;
serie 3: het water in het buisje schuift nauwelijks op als het stekje door een plastic zakje van de lucht is afgesloten.

Welke verwachting is of welke verwachtingen zijn zeer waarschijnlijk juist?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Temperatuur van blad.

Op een hete, windstille zomerdag kan de temperatuur van de buitenlucht hoog oplopen. Onder deze omstandigheden blijkt de temperatuur in bladeren van loofbomen, die voldoende water kunnen opnemen, lager te zijn dan de temperatuur van de buitenlucht.
Ter verklaring van deze lagere temperatuur in de bladeren onder deze omstandigheden worden vier beweringen gedaan.

1. Onder deze omstandigheden is de dissimilatie in de bladeren laag, zodat weinig warmte wordt geproduceerd.
2. Onder deze omstandigheden is de verdamping vanuit de bladeren groot, zodat veel warmte wordt afgegeven.
3. Onder deze omstandigheden blijven de huidmondjes van de bladeren dicht, zodat weinig warmte in de bladeren kan binnendringen.
4. Onder deze omstandigheden is de assimilatie in de bladeren hoog, zodat alle energie wordt vastgelegd in organische stoffen.

Welke van deze beweringen geeft een juiste verklaring van het verschijnsel?

Plantenfysiologie

Doorsneden van verschillende bladeren.
Zie figuur B 1422 van de bijlage.

De tekeningen in de afbeelding tonen delen van doorsneden van drie verschillende typen bladeren. Deze typen bladeren zijn afkomstig van planten die in verschillende milieus leven.
Iemand heeft deze verschillende typen bladeren geplukt terwijl hij tijdens een wandeling van een kale duintop afdaalt naar een vochtige duinvallei.

In welke volgorde zal hij de getekende typen bladeren waarschijnlijk hebben geplukt?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Gewicht van potplant.
Zie figuur B 512 van de bijlage.

Een plant met bladgroen groeit in een pot met aarde. De aarde wordt zo vochtig gemaakt, dat de plant er voor minstens drie dagen voldoende aan heeft. Van het door de plant opgenomen water verdampt 90%.

De plant wordt op een weegschaal geplaatst en staat vervolgens drie dagen bij 20°C en 50% luchtvochtigheid, overdag in het zonlicht, 's nachts in het donker.

Geeft de weegschaal met de plant en de pot erop na drie dagen een hoger of een lager gewicht aan?
Is het gewicht van de plant zelf in deze drie dagen toe- of afgenomen?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

1/2 De waterhuishouding van een boom.
Zie figuur B 1628 van de bijlage.

Het diagram in de afbeelding geeft de snelheid van de wateropname en van de waterafgifte door verdamping weer gedurende 24 uur bij een bepaalde boom.

Geef twee mogelijke oorzaken van de toename van de waterafgifte in de periode van 6.00 -14.00 uur.

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

2/2 De waterhuishouding van een boom.

Is de totale massa aan water in de boom om 6.00 uur kleiner dan, gelijk aan of groter dan die om 16.00 uur?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Groene daken.

Tekst:
De laatste jaren is er een toenemende tendens om platte daken te voorzien van vegetatie. De vegetatie mag niet te diep wortelen en moet makkelijk te onderhouden zijn. In 1995 werd er in ons land op zo'n zeven hectare dak vegetatie aangebracht; in Duitsland zelfs op negenhonderd hectare.
In een aaneengesloten dakvegetatie ontwikkelt zich een speciale levensgemeenschap van onder andere muurpeper (een vetplant), mossen en kleine dieren.

bron: Natuur en Techniek, 4 april 1996

Zie figuur B 2899 van de bijlage.

In de afbeelding is de gemiddelde temperatuurschommeling in de loop van een aantal zomer- en winterdagen te zien op een kaal plat dak en op een plat dak met vegetatie (in Oostenrijk).

Leg uit waardoor begroeiing ertoe bijdraagt dat de temperatuur op een plat dak met vegetatie in de zomer veel minder hoog oploopt dan op een kaal plat dak.

afbeeldingafbeelding