Oefentoets Biologie: Embryologie | VWO 5/VWO 6

Deze oefentoets bevat 104 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

104

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Voortplanting-evolutie

1/5 Virus onmisbaar bij de placentavorming.

Volgens de endosymbiose-theorie hebben plantaardige en dierlijke cellen ooit eencellige organismen opgenomen, die vervolgens evolueerden tot celorganellen. De aanwezigheid van eigen DNA in deze organellen is daarvoor een aanwijzing. Uit nieuw onderzoek is gebleken dat ook virussen onderdeel van eukaryote cellen kunnen zijn.
Bepaalde virussen die zo'n 100 miljoen jaar geleden blijvend in het genoom van zoogdieren zijn opgenomen, zogenoemde endovirussen, hebben zelfs een beslissende invloed op het goed verlopen van de zwangerschap en de groei van de placenta. Waarschijnlijk betreft dit een van de stappen in de evolutie van eierleggende naar levendbarende zoogdieren.
Het bewijs daarvoor is nu bij schapen geleverd: in het genoom van deze dieren zijn restanten van het Jaagsiektevirus aangetoond. Als deze virusgenen bij een ooi geblokkeerd zijn, loopt de zwangerschap uit op een vroege miskraam.
Ook bij mensen zijn verschillende endovirussen bekend: ERV-genen (ERV = Endogeen Retro Virus) stimuleren onder andere de hechting van het enkele dagen oude embryo in de baarmoederwand en geven de zich ontwikkelende placenta een groeispurt.
Volgens de endosymbiose-theorie zijn enkele celorganellen van eukaryote cellen ooit als zelfstandige organismen opgenomen. Deze organellen zijn in het bezit van eigen DNA.

Welke organellen zijn dat?

Voortplanting-evolutie

2/5 Virus onmisbaar bij de placentavorming.

In placentaweefsel van de mens kan het enzym reverse transcriptase worden aangetoond. Dat kan een aanwijzing zijn voor de aanwezigheid van ERV-genen in de cellen.

Leg dit uit aan de hand van de functie van reverse transcriptase.

Voortplanting-evolutie

3/5 Virus onmisbaar bij de placentavorming.
Zie figuur A 998 van de bijlage.

Een van de ERV-genen bevat de erfelijke informatie voor het eiwit syncytine. Dit eiwit vervult een sleutelrol bij de placentavorming. Vlak voor de innesteling is het jonge embryo omhuld door trofoblastcellen, die syncytine vormen. Syncytine laat deze cellen fuseren. Hieruit ontstaat de syncytiotrofoblast-laag die zich in het baarmoederslijmvlies nestelt. In de placenta die zich vervolgens ontwikkelt, vormt de syncytiotrofoblast-laag de grenslaag tussen weefsel van moeder en kind.
In de afbeelding is schematisch het baarmoederslijmvlies met een embryo van 12 dagen oud weergegeven. Enkele delen zijn met een cijfer aangegeven.

Met welk cijfer wordt de syncytiotrofoblast-laag aangegeven?

afbeeldingafbeelding

Voortplanting-evolutie

4/5 Virus onmisbaar bij de placentavorming.

Waarschijnlijk is een ERV-genproduct betrokken bij de vorming van het hormoon HCG. Bij 1 procent van de mensen komt een mutatie in dit ERV-gen voor. De mutatie betreft de vervanging van de code voor arginine door een stopcodon. Toch leidt deze mutatie, zelfs bij een foetus die homozygoot is voor het mutantgen, niet tot afwijkingen bij de embryonale ontwikkeling. Een verklaring hiervoor is, dat bij de transcriptie soms over een stopcodon wordt doorgelezen.

Geef nog een andere mogelijke verklaring.

Voortplanting-evolutie

5/5 Virus onmisbaar bij de placentavorming.

De trofoblast maakt het hormoon HCG dat van belang is voor het instandhouden van de zwangerschap. Na de achtste week van de zwangerschap neemt de concentratie van het hormoon HCG in het bloed af.

Hoe wordt door HCG instandhouding van de zwangerschap geregeld? Leg uit waarom dit na de achtste week niet meer nodig is.

Embryologie

Ademfrequentie.

Door een reeks van factoren kan de ademfrequentie van de mens worden verhoogd. Zo neemt bij een zwangere vrouw de ademfrequentie onder andere toe onder invloed van een verhoogd progesterongehalte van het bloed van de vrouw.

Welke invloed heeft de toegenomen ademfrequentie op de pCO2 en de pO2 in het bloed van de aorta van de zwangere vrouw?

afbeeldingafbeelding

Embryologie

De ontstaanswijze van het netvlies.

Een onderzoeker wil iets weten omtrent de ontstaanswijze van het netvlies.
Hij heeft hiervoor de beschikking over vier publicaties. De titels luiden:

publicatie 1: de bouw en functie van het oog;
publicatie 2: uit het entoderm ontstane organen;
publicatie 3: uit het ectoderm ontstane organen;
publicatie 4: uit het mesoderm ontstane organen.

Aangenomen wordt dat de titels volledig in overeenstemming zijn met de inhoud van de publicaties.

De meeste kans op het vinden van een antwoord op zijn vraag heeft de onderzoeker bij het lezen van:

Embryologie

Zwangerschap.
Gegeven de volgende begrippen:

1. blastula,
2. amnionholte,
3. trofoblast,
4. morula.

In welke volgorde moeten deze begrippen staan?

Embryologie

Een embryo tijdens het morulastadium.
Zie figuur B 276 van de bijlage.

Welke van de tekeningen kan een schematische weergave zijn van de doorsnede van een embryo tijdens het morulastadium?

afbeeldingafbeelding

Embryologie

Gastrulatie.

Kenmerkend voor de gastrulatie is de vorming van

Embryologie

Een ontwikkelingsstadium van de mens, voor de geboorte.
Zie figuur B 197 van de bijlage.

De tekening geeft een doorsnede weer van een ontwikkelingsstadium van de mens, voor de geboorte.

Hoe ver is die ontwikkeling in dit stadium gekomen?

afbeeldingafbeelding

Embryologie

Resusfactor.

Als er rode bloedlichaampjes van een ongeboren kind in het bloed van de moeder terecht komen, kan in het lichaam van de moeder antistof tegen resusantigeen worden gevormd.
Een bepaalde resusnegatieve vrouw met bloedgroep A is voor de eerste maal in verwachting. Haar ongeboren kind is resuspositief. Deze vrouw heeft nooit een bloedtransfusie gehad. Bij deze vrouw treedt geen antistofvorming op, doordat rode bloedlichaampjes van haar ongeboren kind in haar bloed afgebroken voordat antistofvorming plaatsvindt.

Welke bloedgroep kan dit kind hebben?

Embryologie

Resusfactor.

Een resusnegatieve moeder is in verwachting van een resuspositief kind. Tijdens de geboorte kunnen bestanddelen van het bloed van het kind in het bloed van de moeder terechtkomen. Om te voorkomen dat de moeder resusantistoffen zal gaan vormen, kan zij direct na de geboorte van het kind een injectie krijgen. Drie mogelijke injecties zijn:

1. een injectie met bloedserum van een resuspositieve persoon,
2. een injectie met resusantigenen,
3. een injectie met resusantistoffen.

Welke van de genoemde injecties zal of welke zullen het gewenste resultaat geven?

Embryologie

Een embryo.

Bij de mens wordt tijdens de embryonale ontwikkeling door de placenta het hormoon HCG (= humaan choriongonadotropine) afgegeven. Dit hormoon komt ook in het lichaam van het embryo terecht. Onder invloed van het HCG produceert een mannelijk embryo testosteron. Een molecuul van het hormoon HCG wordt in de placenta in het bloed van een mannelijk embryo opgenomen en naar een testis van dit embryo vervoerd. Enkele vaten van dit embryo zijn:

1. adertje in de placenta;
2. lymfevat in een testis;
3. navelstrengader;
4. navelstrengslagader;
5. slagadertje in de placenta;
6. slagadertje in een testis.

Door welke van deze vaten is dit molecuul achtereenvolgens gegaan wanneer het langs de kortste weg van de placenta een testis van het embryo heeft bereikt?

Embryologie

Bloedvaten van de moeder en het ongeboren kind.

Waar bevinden zich tijdens een gevorderde zwangerschap bloedvaten zowel van de moeder als van het ongeboren kind?

Embryologie

Zuurstof bij embryo's.

In de volgende bloedvaten van een zoogdier-embryo wordt zo dicht mogelijk bij het hart het O2 -gehalte gemeten:

1. aorta,
2. longader,
3. navelslagaders,
4. onderste holle ader.

In welke van deze bloedvaten is het O2 -gehalte het hoogst?

Embryologie

Embryonale bloedsomloop.
Zie de figuren B 265 en B 266 van de bijlage.

De figuur B 265 stelt voor een schematische weergave van een placenta. Door het vlies vindt de gaswisseling plaats.

Zie figuur B 266 van de bijlage.

In welk diagram is het O2 -gehalte van het bloed van de moeder (M) en dat van het embryo (E) tussen P en Q juist weergegeven?

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Embryologie

Koolstofdioxide transport bij een embryo.

Bij een volwassen mens ontstaat in een beenspier koolstofdioxide. Dit koolstofdioxide passeert op weg naar de buitenlucht in ieder geval de onderste holle ader en een longslagader.
Ook bij een embryo ontstaat in een beenspier koolstofdioxide. Dit koolstofdioxide passeert op weg naar de buitenlucht in ieder geval de onderste holle ader van dit embryo.

Welk bloedvat of welke bloedvaten van het embryo passeert het koolstofdioxide op weg naar de buitenlucht behalve de onderste holle ader in ieder geval nog meer?

Embryologie

De embryonale bloedsomloop.
Zie figuur A 41 van de bijlage.

De tekening geeft schematisch een doorsnede van het hart en het verloop van enkele bloedvaten weer bij een baby, enkele weken voor de geboorte.
De stroomrichting van het bloed is in de tekening op diverse plaatsen met pijlen aangegeven.

Is voor de geboorte de zuurstofconcentratie het hoogst in de bloedvaten 1 of in de bloedvaten 2?
Is voor de geboorte de bloeddruk het hoogst in de bloedvaten 1 of in de bloedvaten 2?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Embryologie

De zuurstofgehaltes bij een menselijk embryo.

We meten bij een menselijk embryo (foetus) de zuurstofgehaltes in de volgende bloedvaten:

1. de navelstrengslagader,
2. de navelstrengader,
3. de aorta,
4. de onderste holle ader, vlak voor hij de rechter boezem ingaat,
5. de bovenste holle ader.

Welke reeks geeft een telkens afnemende reeks van zuurstofrijk naar zuurstofarm?

Embryologie

De bloedvaten in de navelstreng.

De bloedvaten in de navelstreng

Embryologie

Hemoglobine en O2 -verzadiging.
Zie figuur B 274 van de bijlage.

In het diagram is het verband weergegeven tussen het percentage hemoglobine dat verzadigd is met O2 , en de pO2 van het milieu. Dit verband is bepaald bij het bloed van een moeder en bij dat van haar ongeboren kind.
Beide bepalingen gebeurden bij dezelfde pCO2 van het milieu.

Welke grafiek geldt voor het bloed van de moeder?

Het percentage met O2 verzadigde Hb van het bloed in een navelstrengader wordt door P of door R aangegeven.

Welk van deze punten kan dit percentage aangeven?
afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Embryologie

Stuwkracht van het bloed van een ongeboren jong.

Bij een ongeboren jong van een zoogdier stroomt bloed door de bloedvaten van de navelstreng. In de navelstreng stroomt bloed naar het hart van het ongeboren jong en naar de placenta.

Door welk orgaan of door welke organen wordt de stuwkracht voor deze bloedstromen geleverd?

Embryologie

Het bloed tijdens de zwangerschap.
Zie figuur B 1416 van de bijlage.

Er bestaan tijdens de zwangerschap verschillen tussen het bloed van de moeder en dat van het ongeboren kind.
Enkele verschillen zijn:

1. Hemoglobine van het ongeboren kind heeft bij een lage pO2 een grotere affiniteit voor zuurstof dan hemoglobine van de moeder (zie de afbeelding).
2. De hoeveelheid hemoglobine per 100 mL bloed is bij het ongeboren kind groter dan bij de moeder.
3. Bij het ongeboren kind komen rode bloedcellen met een kern voor en bij de moeder niet.

Bij een pO2 van 3 kPa is door het bloed van het ongeboren kind een grotere hoeveelheid O2 per mL bloed gebonden dan door het bloed van de moeder.

Welke van de genoemde verschillen is of welke zijn daarvoor een verklaring?

afbeeldingafbeelding

Embryologie

Een bloedsliertje in het wit van een kippenei.

In het wit van een kippenei komt wel eens een bloedsliertje voor.

Is dit bloedsliertje afkomstig van de hen of van het embryo?
Door welk orgaan is dit bloedsliertje afgegeven of welk orgaan wordt er uit ontwikkeld?

afbeeldingafbeelding

Embryologie

Genen tijdens de zwangerschap.

Bij een drachtig zoogdier worden de genen in de celkernen van drie organen vergeleken met die in de celkernen van de navelstreng. Het betreft de vruchtvliezen, het hart van het embryo en de spieren van de uteruswand van het moederdier.
Vier personen hebben in een tabel een + gezet wanneer naar hun mening de genen in het betreffende orgaan dezelfde zijn als die in de navelstreng en een - als de genen daarvan verschillen.

Welke persoon heeft gelijk?

afbeeldingafbeelding

Embryologie

Een embryo van een lancetvisje.
Zie figuur B 124 van de bijlage.

De tekening geeft een dwarsdoorsnede weer van een embryo van een lancetvisje in een bepaald ontwikkelingsstadium.

Welk stadium is weergegeven?

afbeeldingafbeelding

Embryologie

Een embryo van een lancetvisje.
Zie figuur B 166 van de bijlage.

In de tekening is in een doorsnede een stadium van de embryonale ontwikkeling van een lancetvisje weergegeven.

Uit welk deel of uit welke delen ontstaat de huid met de daarin liggende bloedvaten?
Uit welk deel of uit welke delen ontstaat het centrale zenuwstelsel?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Embryologie

Gastrulatie bij een embryo van een amfibie.

Tijdens de gastrulatie bij een embryo van een amfibie ontstaat

Embryologie

De dooierzak in een vogelei.

In een vogelei ontstaat tijdens de embryonale ontwikkeling rondom de dooier de dooierzak. Functies van dit orgaan zijn het verteren van dooiermateriaal en het transport van de verteringsproducten via de bloedvaten naar het zich ontwikkelende embryo.

Wat kan op grond van deze functies worden afgeleid omtrent de twee kiembladen waaruit binnen- en buitenzijde van de dooierzak zijn ontstaan?

afbeeldingafbeelding

Embryologie

Het gewicht van een kippenei tijdens de ontwikkeling.

Neemt het gewicht van een kippenei tijdens de ontwikkeling van het embryo toe of af?
Waardoor komt dat?

Embryologie

Kleurstof in een salamanderembryo.
Zie figuur B 177 van de bijlage.

In een salamanderembryo wordt in cel P een kleurstof geïnjecteerd. Deze kleurstof blijft het hele leven aanwezig in cellen die uit P ontstaan.

In welk(e) van de organen: geraamte, hart, hersenen of longen kan in het volwassen dier de kleurstof worden
aangetroffen?

afbeeldingafbeelding

Embryologie

Groei bij de ontwikkeling van een menselijk embryo.

Bij de ontwikkeling van een menselijk embryo treedt de minste groei op tijdens de

Embryologie

Vruchtvlies en vruchtwater.

Het vruchtvlies dat rechtstreeks grenst aan het vruchtwater heet

Embryologie

De amnionholte tijdens de embryonale ontwikkeling.

In een bepaald stadium uit de embryonale ontwikkeling van zoogdieren komt een amnionholte voor.

Wat gebeurt er met de amnionholte in de loop van de verdere ontwikkeling?

De amnionholte zal later

Embryologie

Vorming van vruchtvliezen en navelstreng.

Zijn bij een embryo van de mens de vruchtvliezen gevormd door de moeder of door het embryo?
En de navelstreng?

afbeeldingafbeelding

Embryologie

Hergroepering tijdens de embryonale ontwikkeling.

Tijdens de embryonale ontwikkeling van de meeste diersoorten vindt een hergroepering van cellen plaats.
Tijdens deze hergroepering wordt uit een enkelwandige blaas een dubbelwandige structuur gevormd.

Hoe heet het ontwikkelingsstadium dat door deze hergroepering wordt bereikt?

Embryologie

De bloedvaten in de navelstreng.

De bloedvaten in de navelstreng van zoogdierembryo's zijn gevormd uit

Embryologie

Het entoderm in organen van hoofd en hals.
Zie figuur B 136 van de bijlage.

De tekening geeft een overlangse doorsnede van het hoofd en de hals van de mens weer.
Enkele plaatsen in organen zijn aangegeven.

Op welke van de aangegeven plaatsen bevinden zich in dat orgaan of in die organen weefsel dat van entodermale oorsprong is?

afbeeldingafbeelding

Embryologie

Een vroeg ontwikkelingsstadium van de mens.
Zie figuur B 197 van de bijlage.

De tekening geeft een doorsnede weer van een ontwikkelingsstadium van de mens, voor de geboorte.

Hoe ver is die ontwikkeling in dit stadium gevorderd?

afbeeldingafbeelding

Embryologie

Een bepaald stadium van de embryonale ontwikkeling.
Zie figuur B 177 van de bijlage.

De tekening geeft een doorsnede weer van een gewerveld dier in een bepaald stadium van de embryonale ontwikkeling.

Welke van de onderstaande orgaanstelsels van het volwassen dier bevat weefsel dat waarschijnlijk ontstaan is uit cel P?

afbeeldingafbeelding

Embryologie

De embryologie van de lederhuid.
Zie figuur B 114 van de bijlage.

De huid van de mens bestaat uit hoornlaag, kiemlaag en lederhuid (zie tekening).

Van welk kiemblad of van welke kiembladen zijn de weefsels in de lederhuid afkomstig?

afbeeldingafbeelding

Embryologie

Ectoderm en mesoderm rond de wervelkolom.
Zie figuur B 2511 van de bijlage.

De tekening geeft een deel van het lichaam van de mens weer.

Bevat onderdeel 1 kernen van cellen die ontstaan zijn uit het ectoderm?
Bevat onderdeel 2 kernen van cellen die ontstaan zijn uit het mesoderm?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Embryologie

Welk kiemblad?

Bij de mens bevindt zich onder andere in de longen en in de speekselklieren een grenslaag van cellen tussen het inwendige en het uitwendige milieu.

Uit welk kiemblad zijn deze cellen in de longen afkomstig?
Zijn deze cellen in de speekselklieren uit mesoderm afkomstig?

afbeeldingafbeelding

Embryologie

Weefsels uit kiembladen.
Zie figuur B 56 van de bijlage.

De figuur stelt een schematische dwarsdoorsnede voor van een embryo van een lancetvisje na de neurulatie. Een volwassen lancetvisje bezit onder andere bindweefsel, dekweefsel van de darm en spierweefsel.

Welke van de bovengenoemde weefsels kan of welke kunnen zich ontwikkelen uit het gebied dat met P is aangegeven?

afbeeldingafbeelding

Embryologie

Embryologie van de huid.
Zie figuur B 1465 van de bijlage.

In de afbeelding is een deel van de huid van de mens schematisch afgebeeld.

In welke van de lagen P, Q en R komen cellen of delen van cellen voor die uit het ectoderm zijn ontstaan?

afbeeldingafbeelding

Embryologie

Kiemblad(en) en maagsapkliertjes.

Uit welk(e) kiemblad(en) ontstaan tijdens de embryonale ontwikkeling bij zoogdieren de maagsapkliertjes?

Embryologie

De vorming van de neurale buis.

De vorming van de neurale buis begint tijdens de embryonale ontwikkeling aan de rugzijde

Embryologie

Kiemblad(en) en kraakbeen.

Uit welk(e) kiemblad(en) ontstaat tijdens de embryonale ontwikkeling bij zoogdieren kraakbeen?

Embryologie

Kiemblad(en) en schildklier, speekselklier, talgklier en zweetklier.

Vier klieren in het lichaam van een mens worden bestudeerd: de schildklier, een speekselklier, een talgklier en een zweetklier in de huid van de hand.

Is het klierweefsel van de talgklier ontstaan uit ectoderm, uit entoderm of uit mesoderm?
En het klierweefsel van de zweetklier?

Embryologie

Kiemblad(en) en steunweefsel.

Uit welk(e) kiemblad(en) ontstaat bij zoogdieren steunweefsel.
En uit welk(e) spierweefsel?

afbeeldingafbeelding

Embryologie

Orgaanstelsels van entodermale oorsprong.

Welke orgaanstelsels van gewervelde dieren bevatten weefsels van entodermale oorsprong?

Embryologie

Kiemblad(en) en borstvlies en longvlies.

De borstwand van de mens is aan de binnenzijde bekleed met het borstvlies en de longen zijn omgeven door het longvlies.

Van welk(e) kiemblad(en) zijn deze vliezen afkomstig?

afbeeldingafbeelding

Embryologie

Kiemblad(en) en dekweefsels.

Dekweefsels bekleden lichaamsoppervlakken of lichaamsholten.

Uit welk(e) kiemblad(en) kunnen bij een gewerveld dier tijdens de embryonale ontwikkeling dekweefsels ontstaan?

Embryologie

Een bepaald stadium van de embryonale ontwikkeling.
Zie figuur B 255 van de bijlage.

De tekening geeft een doorsnede weer van een gewerveld dier in een bepaald stadium van de embryonale ontwikkeling.

Uit het met P aangegeven weefsel ontstaan delen van

afbeeldingafbeelding

Embryologie

Dekweefsel ontstaan uit hetzelfde kiemblad.

Hieronder zijn enkele holten bij een zoogdier vermeld:

1. de holten in de grote hersenen,
2. de buikholte,
3. de darmholte,
4. de holten in het hart.

Twee van deze holten zijn bekleed met dekweefsel dat is ontstaan uit hetzelfde kiemblad.

Welke holten zijn dit?

Embryologie

Ectoderm en het oog van een zoogdier.

Welk deel van een oog van een zoogdier is geheel ontstaan uit ectoderm?

Embryologie

Embryonale ontwikkeling van een gewerveld dier.
Zie figuur B 2381 van de bijlage.

De afbeelding geeft een dwarsdoorsnede van de romp van een gewerveld dier weer in een bepaald stadium van zijn embryonale ontwikkeling.

Welke van de met cijfers aangegeven delen zijn ontstaan uit hetzelfde kiemblad?

afbeeldingafbeelding

Embryologie

Kiembladen en de wand van de twaalfvingerige darm.

De wand van de twaalfvingerige darm bevat cellen en delen van cellen van verschillende embryonale herkomst.

Uit welke kiembladen zijn deze cellen en delen van cellen afkomstig?

Embryologie

Kiemblad(en) in de buikholte.

In de buikholte van de mens komen cellen of delen van cellen voor.

Uit welk kiemblad of uit welke kiembladen zijn deze cellen of delen van cellen ontstaan?

Embryologie

Kiemblad(en) platte dekweefselcellen.

Bij de mens bestaat de wand van de longblaasjes, evenals die van de haarvaatjes, uit een laag zeer platte dekweefselcellen.

Uit welk kiemblad is een cel in de wand van een longblaasje ontstaan?
En uit welk kiemblad een cel in de wand van een haarvat?

afbeeldingafbeelding

Embryologie

Cellen van ectodermale, mesodermale & entodermale oorsprong.

In welk van de onderstaande organen komen cellen voor van ectodermale oorsprong, cellen van mesodermale oorsprong en cellen van entodermale oorsprong?

Embryologie

Kliercellen en het ectoderm.

Kliercellen zijn gespecialiseerde dekweefselcellen. Veel klieren zijn ontstaan door instulpingen van dekweefsel.
In het lichaam van de mens worden kliercellen onder andere op de volgende plaatsen aangetroffen:

1. in de alvleesklier,
2. in de maagsapklieren,
3. in het slijmvlies van de luchtpijp,
4. in talgklieren in de huid,
5. in zweetklieren in de huid,

Op welke van de genoemde plaatsen bevinden zich kliercellen die niet endocrien zijn en die uit het ectoderm zijn ontstaan?

Embryologie

Mutaties tijdens de zwangerschap.

Een zwangere vrouw krijgt via haar voedsel een muterende stof in haar lichaam. Van deze stof is bekend, dat hij via de placenta in het foetale bloed wordt opgenomen en muterend werkt op omnipotente cellen.
Als de baby geboren wordt, blijkt dat deze een misvormd ruggenmerg heeft.

De meeste waarschijnlijke verklaring is, dat de vrouw

Embryologie

Verschillen in embryonale ontwikkeling.

Tot het blastula-stadium lijkt de embryonale ontwikkeling van de meeste zoogdieren sterk op die van de overige gewervelde dieren.

Daarna ontwikkelt zich bij deze zoogdieren

Embryologie

Innesteling en embryonale ontwikkelingsstadia.
Zie figuur B 1337 van de bijlage.

In de afbeelding zijn vier embryonale ontwikkelingsstadia getekend.

In welk van de afgebeelde stadia vindt innesteling in de baarmoeder plaats?

afbeeldingafbeelding

Embryologie

De bloedsomloop van een ongeboren kind en van een volwassene.

Enkele leerlingen doen een bewering over de bloedsomloop van een ongeboren kind en van een volwassene.

Leerling 1
beweert dat bij een ongeboren kind geen zuurstof aanwezig is in rode bloedcellen in de haarvaten van de longen en bij een volwassene wel.
Leerling 2 beweert dat bij een ongeboren kind per hartslag veel minder dan 50% van de totale hoeveelheid van het bloed die het hart wegpompt, door de haarvaten van de longen stroomt en bij een volwassene ongeveer 50%.
Leerling 3 beweert dat zowel bij een ongeboren kind als bij een volwassene in het begin van de longslagader een hogere bloeddruk heerst dan in het begin van de aorta.

Welke van deze leerlingen heeft of welke hebben een juiste bewering gedaan?

Embryologie

Resus- en de ABO-bloedgroepen bij een tweede kind.

Een resus-negatieve vrouw met bloedgroep A en een resus-positieve man met bloedgroep B hebben een resus-negatief kind met bloedgroep B. De vrouw verwacht een tweede kind van dezelfde man. In het lichaam van de vrouw is aan het einde van deze tweede zwangerschap voor het eerst antistof tegen het resusantigeen aantoonbaar. In de tabel zijn mogelijke bloedgroepen met het bijbehorende genotype gegeven:
afbeeldingafbeelding

Noem alle mogelijke genotypen die dit tweede kind kan hebben met betrekking tot de resus- en de ABO-bloedgroepen.

Embryologie

1/4 Muizenissen.
Zie figuur A 362 van de bijlage.

Bij muizen is de vachtkleur erfelijk bepaald. In een experiment worden drie homozygote muizenstammen gebruikt: muizen van stam P zijn zwart, muizen van stam Q zijn grijs, muizen van stam R zijn wit. Het experiment bevat de volgende stappen:

Stap 1: uit een muis van stam Q wordt een pas bevruchte eicel gehaald; in deze cel bevinden zich de twee kernen Q1 en Q2, die nog niet zijn versmolten;
Stap 2: uit een jong muizenembryo-embryo van stam P, worden cellen gehaald;
Stap 3: uit één van deze cellen wordt een kern P1 gehaald, die wordt overgebracht in de cel met de kernen Q1 en Q2;
Stap 4: de kernen Q1 en Q2 worden, nog voordat ze versmelten, uit de cel verwijderd; de cel bevat nu alleen de kern P1; de cel gaat zich delen en er ontstaat een embryo;
Stap 5: het embryo wordt, als het achtcellig is, in de baarmoeder van een muis van stam R gebracht waarin het zich tegelijk met een aantal eigen embryo van deze muis innestelt;
Stap 6: de muis van stam R krijgt een aantal jongen.

Het verloop van de embryonale ontwikkeling bij muizen komt overeen met dat bij de mens.

Welke kleur heeft het jong dat zich uit het geïmplanteerde embryo heeft ontwikkeld? Geef een verklaring voor je antwoord.

afbeeldingafbeelding

Embryologie

2/4 Muizenissen.
Zie figuur A 362 van de bijlage.

Hoe heet het embryonale stadium van het embryo van stam P waaruit de getransplanteerde kern afkomstig is?

Dit stadium heet [invulveld]

afbeeldingafbeelding

Embryologie

3/4 Muizenissen.
Zie figuur A 362 van de bijlage.

Waarom wordt in dit experiment een cel van een jong embryonaal stadium (stap 2) gebruikt en niet van een ouder stadium?

afbeeldingafbeelding

Embryologie

4/4 Muizenissen.
Zie figuur A 362 van de bijlage.

Met het implanteren van het embryo wordt gewacht totdat dit achtcellig is.

Noem één reden waarom niet de cel met kern P1 wordt geïmplanteerd.

afbeeldingafbeelding

Embryologie

1/3 Een neurula.
Zie figuur B 2373 van de bijlage.

Uit een bevruchte eicel van een kikker ontwikkelt zich een neurula (zie de afbeelding).

Welke holte heeft zich tijdens de gastrulatie ontwikkeld?

afbeeldingafbeelding

Embryologie

2/3 Een neurula.
Zie figuur B 2373 van de bijlage.

Welk weefsel zal zich ontwikkelen uit het gebied dat met P is aangegeven?

afbeeldingafbeelding

Embryologie

3/3 Een neurula.

Uit welk kiemblad zal zich het dekweefsel van de longen ontwikkelen?

Embryologie

1/2 Zuurstof in de kleine bloedsomloop.
Zie de figuren C 106 en B 1604 van de bijlage.

Bij een volwassene wordt de pO2 van het bloed in de kleine bloedsomloop bepaald. Het diagram in de afbeelding B 1604 geeft de pO2 van het bloed weer dat van de longslagaders (R) door de haarvaten van de longen (S) stroomt. Voor het verloop van de pO2 van het bloed in de longadertjes (T) en van het bloed in de longaders (U) zijn drie mogelijke grafieken getekend.

Welke van deze grafieken geeft het verloop van de pO2 in de trajecten T en U het beste weer?

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Embryologie

2/2 Zuurstof in de kleine bloedsomloop.

Bij een zwangere vrouw wordt het zuurstoftransport van moeder naar kind bestudeerd. De vrouw ademt een zuurstofmolecuul in. Dit zuurstofmolecuul gaat van de longen van de vrouw langs de kortst mogelijke weg naar de hersenen van het kind.

Komt dit zuurstofmolecuul op deze kortste weg uit een rechter boezem in een rechter kamer?
Zo ja, hoeveel keer minimaal?

Embryologie

Trofoblast en innesteling.

Hoe zorgt de trofoblast voor innesteling in het baarmoederslijmvlies?

Voortplanting

1/6 Gevaar op de werkvloer.
OP DE WERKVLOER LOERT HET GEVAAR.
Mannelijke onvruchtbaarheid baart Europa zorgen.

Over de recreatieve kwaliteit van het minnespel zijn bibliotheken volgeschreven, nieuw is dat seks achteruitgaat in zijn scheppende functie en hier wordt de man als boosdoener aangewezen. Was tot voor kort de (oorzaak van) onvruchtbaarheid bij paren fifty-fifty over het stel te verdelen, nieuwe onderzoeken wijzen uit dat meer en meer de vruchtbaarheid van de man in het geding is: zijn zaad wil niet meer deugen.

De maatschappelijke realiteit wil dat het werken aan nageslacht naar een steeds hogere leeftijd wordt verschoven. Toch kan wie zich wil voortplanten dat maar het beste jong doen, voor het arbeidzame leven. Niet alleen bevinden beide partners zich dan in de vruchtbaarste fase van hun leven, maar vooral ook heeft arbeid nog geen kans gehad negatieve invloed op de vruchtbaarheid te hebben. Zelden deugt een werkplek ergonomisch helemaal: je krijgt er platvoeten, hernia, psoriasis, knobbelknieën of grauwe staar; maar dat werkt gelukkig niet door in de zaadaanmaak, qua hoeveelheid en kwaliteit. Maar in bedrijfstakken waar met 'gevaarlijke stoffen' wordt gewerkt - en dat zijn er meer dan je zo op het eerste gezicht zou denken - kan de mannelijke vruchtbaarheid negatief worden beïnvloed. En wordt dat ook, blijkens onderzoeken in binnen- en buitenland.
Sinds duidelijk werd dat het afnemen van het reproductieve vermogen van de man samenhangt met de negatieve kwaliteiten van het milieu en de werkomgeving, hebben wetenschappelijk onderzoekers zich op dit fenomeen gestort. Behalve dat al dat onderzoek allerhande - vaak voorzichtige en soms tegengestelde - conclusies oplevert werpt het meer nieuwe vragen op dan er te beantwoorden waren. Ook worden bij voortduring nieuwe chemische stoffen ontwikkeld die dan wel getest zijn op hun effectiviteit, maar veelal nog onderzocht moeten worden op hun belasting van het milieu in het algemeen en de arbeidsplaats in het bijzonder.

Zie volgende scherm

Voortplanting

2/6 Gevaar op de werkvloer.

Werkplek
Berucht zijn allerlei insectenbestrijdings- en grondontsmettingsmiddelen, koelvloeistoffen, vinylbenzeen (styreen) dat gebruikt wordt bij de productie van kunststoffen, (vooral buiten-)verf en gelode benzine; ongezond voor het (ontbreken van gewenst) nageslacht is onder meer lassen, werken in operatiekamers (ontsmettingsmiddelen, narcosegassen), farmaceutische industrie, chemische wasserijen, recyclingindustrie, keramiek- en kristalvervaardiging.
En werken in kerncentrales: teveel kinderen van werknemers daar worden geboren met bloedkanker. In de regio rondom Sellafield, de beruchte kerncentrale in Noordwest-Engeland, werden de laatste jaren tien keer zoveel gevallen van leukemie bij jonge kinderen vastgesteld dan elders in Groot-Brittannië. Onafhankelijke specialisten vermoeden dat bij deze kinderen het bloedkankerrisico al bestond voordat zij werden geboren, meer nog: voordat zij werden verwekt. Zij gaan ervan uit dat de zaadproductie bij de ouders beïnvloed wordt door radioactieve straling.
De overheid wil wat doen aan verbetering van werkmilieu en scherpt de milieuregels met het jaar aan. Soms met meer, soms met minder gevolg. Zo legde toenmalig minister De Vries (Sociale Zaken) zo'n drie jaar geleden het gebruik in de bollenteelt van dichloorpropeen en methylisothiocynaat aan banden en verbood hij metamnatrium, omdat - zo bleek uit TNO-onderzoek - deze grondontsmettingsmiddelen te gevaarlijk zijn voor de werknemers in die sector. Niet alleen ging het om het veroorzaken van huidaandoeningen en allergieën, het ging vooral om negatieve effecten op het zenuwstelsel. Maar volgens de bollenkwekers is het gebruik van metamnatrium in de bollenteelt onmisbaar en een verbod onacceptabel... en vervolgens vernietigde het College van beroep voor het bedrijfsleven het verbod van De Vries, omdat het TNO-onderzoek de schadelijkheid van metamnatrium onvoldoende zou hebben aangetoond.

Verwijfde alligators
Op grond van al jaren bestaande veiligheidsbesluiten zijn bedrijven verplicht om een register bij te houden van de aanwezige gevaarlijke stoffen. Die regeling is per 1 april 1995 aangescherpt, speciaal met het oog op stoffen die de vruchtbaarheid verminderen en de kans op een miskraam of op gezondheidsschade bij nakomelingen verhogen. Geregistreerd moet nu ook worden welke werknemers met deze stoffen in aanraking komen, hoe dat gebeurt - inademing, inslikken, oog- en/of huidcontact - en wat er gedaan is om gezondheidsschade te voorkomen.
Afgelopen maand kondigde minister Borst (Volksgezondheid) onderzoek door de Gezondheidsraad aan naar het verband tussen de toenemende onvruchtbaarheid bij mannen en bepaalde in het milieu geloosde stoffen. Het gaat met name om de invloed op oestrogenen - in geringe mate door de man geproduceerde vrouwelijke geslachtshormonen. Zo is het al een aantal jaren verboden om de onderzijde van schepen te behandelen met tributyltin, dat de aangroei voorkomt van allerlei organismen. Onderzoek had uitgewezen dat dit middel er onbedoeld voor zorgt dat slakken impotent werden. Ook bij wulken in de Noordzee werd dit effect gesignaleerd. Er werden ook door chemische stoffen 'verwijfde' alligators in Florida gesignaleerd en daar voegden onderzoekers van de Landbouwuniversiteit Wageningen nog hun bericht aan toe over de Nederlandse fruittelers, die meer dan gemiddeld problemen hebben met 'kindjes-kopen' en wier vrouwen, wanneer dat probleem is opgelost, vervolgens tweemaal zoveel meisjes- als jongensbaby's baren.

Zie volgende scherm

Voortplanting

3/6 Gevaar op de werkvloer.

Van de in de fruitteelt veel gebruikte middelen ethyleendibromide carbaryl, benomyl, maneb, zineb en thiram is al langer bekend dat ze de geslachtsorganen aantasten en de voortplanting remmen. Bekend is ook dat dibromochloorpropaan verantwoordelijk is voor de grote toename van meisjesbaby's. Dat echter doorgaans met cocktails van middelen wordt gewerkt, maakt het allemaal erg ingewikkeld.
Uit het vorig jaar gepubliceerde onderzoek van de Wageningse epidemiologen bleken degenen die vaker per jaar spoten met het insecticide azinphosmethyl, het schimmelbestrijdingsmiddel metinam en de onkruiddoder paraquat steeds vader waren van een gezin met een overmatig aantal dochters. De fruittelers die het intensiefst met bestrijdingsmiddelen omgingen, hadden de grootste moeite om kinderen te krijgen. Wie de moderne cross current air blast sprayer gebruikte, bleek eerder een kind te kunnen verwekken dan wie ouderwetse technieken hanteerde, zoals de ouderwetse rugspuit die een wolk van adembenemende chemische nevel verspreidt. Iemand die dat allemaal inademt, wordt aan een duizendtal hogere dosis blootgesteld dan diegene die vanaf een moderne tractor met gesloten cabine zit te spuiten.

Vrees voor verbod
Nu is er sinds vorig jaar binnen Europa een onderzoek gaande naar de effecten van pesticiden, styreen en lood op het afnemen van de spermakwaliteit. In Nederland dreigt dat echter vast te lopen, vanwege de geringe bereidheid in de 'verdachte' bedrijfstakken eraan mee te werken. De loodindustrie, die wel wil meewerken, levert onderzoeksproblemen op omdat daar nog geen nieuwe werknemers werden aangenomen, wier sperma kan worden onderzocht.
Maar de kunststofindustrie die vooral styreen (styrol) als grondstof gebruikt, liet weten altijd de schuld te krijgen als er iets mis gaat met het milieu; en verder hadden de werkgevers nooit signalen gekregen dat er iets loos was met de vruchtbaarheid van hun personeel.
Zeker zo frappant was de argumentatie van de fruitwerkgevers: zij vrezen een verbod op bepaalde gevaarlijke stoffen, wanneer de onderzoeksresultaten worden gepubliceerd; bovendien zou alleen het onderzoek al - zeker na de voorzichtige conclusies van eerdere naspeuringen - hun imago schaden.

(Brabants Dagblad, 23 augustus 1995.)

Zie volgende scherm

Embryologie

Organizer.
Zie figuur B 5858 van de bijlage.

In 1935 ontving de Duitse ontwikkelingsbioloog Hans Spemann de Nobelprijs voor het onderzoek dat hij, samen met Hilde Mangold-Pröscholdt, deed aan embryonale ontwikkeling bij salamanders (Mangoldt was in 1935 reeds overleden).
In een van hun experimenten werd een klein stukje donorweefsel van het embryo van een gewone watersalamander, met donker gekleurde cellen, getransplanteerd naar een embryo van een kamsalamander, die licht gekleurde cellen heeft. Er ontstond een embryo met de aanzet van twee koppen, twee staarten, twee wervelkolommen en twee darmkanalen. Na grondige studie concludeerden Spemann en Mangold dat het getransplanteerde stukje donorweefsel als 'organizer' (organisator) voor een tweede embryo had gewerkt, waarbij dit embryo is ontstaan uit ongedifferentieerd weefsel van de ontvanger.

Uit welke waarneming konden ze dat afleiden?


-

afbeeldingafbeelding

Embryologie

Lichaamsholte.

De eerste uiterlijke veranderingen die een bevruchte eicel ondergaat zijn een aantal delingen, waardoor een groot aantal kleine kiemcellen ontstaat uit de ene grote oorspronkelijke cel. Daarbij vormt zich op een gegeven moment een holte.

In het latere lichaam is dit

Embryologie

Lichaamsonderdelen.

Welke onderdelen van het lichaam worden in aanleg vlak na de conceptie gevormd, veranderen na een paar jaar dramatisch van structuur en houden soms geheel op met groeien, om daarna opnieuw tot ontwikkeling te komen?

Embryologie

Embryonale ontwikkeling.
Zie figuur B 5867 van de bijlage.

In nevenstaande afbeelding zijn zes stadia afgebeeld van de embryonale ontwikkeling van de mens. Bij elk stadium wordt een bewering gedaan.

Welk van de volgende beweringen hierover is of welke zijn juist?

1. Als twee spermacellen precies op hetzelfde moment binnendringen tijdens de bevruchting, dan kan er een eeneiige tweeling ontstaan of soms een Siamese tweeling met gedeeltelijk vergroeide lichaamsdelen.
2. Het 2-cellig stadium is het geschikte stadium om, bij in-vitro-fertilisatie (IVF), te implanteren in de baarmoeder.
3. Het 4-cellige stadium bevat zogenoemde omnipotente cellen. Als deze van elkaar zouden losraken, dan kan er een eeneiige vierling ontstaan.
4. Het 8-cellige stadium levert zogenaamde stamcellen op, die geïsoleerd kunnen worden verder gekweekt voor medische doeleinden (weefselkweek voor herstel van organen en dergelijke).
5. In het vroege blastula-stadium ontstaan het entoderm (binnenlaag) en het ectoderm(buitenlaag). Het ectoderm levert zelf het te vormen embryo
6. Het latere blastula-stadium zal zich in het baarmoederslijmvlies gaan innestelen.

afbeeldingafbeelding

Embryologie

2/2 Bloedsomloop bij een ongeboren kind.
Zie figuur B 5869 van de bijlage.

Op welk of op welke van de met een cijfer aangegeven trajecten van de bloedsomloop is door de tekenaar onvoldoende zwart in de visgraatstructuur aangegeven?

afbeeldingafbeelding

Embryologie

Embryologische ontwikkeling.

Gegeven 5 ontwikkelingsstadia bij de mens :

1. Embryo
2. Gastrula
3. Morula
4. Foetus
5. Neurula

Welke rangschikking geeft de juiste volgorde weer?

Embryologie

Twee-eiige tweelingen.

Twee-eiige tweelingen ontstaan doordat

Voortplanting

1/4 Geslachtstests.

Lees de onderstaande tekst.

In 1966 werden de eerste tests uitgevoerd: de deelneemsters aan de Gemenebestspelen moesten zich uitkleden voor de artsen, die met het oog en de hand controleerden of "alles in orde was". Vanzelfsprekend werd er fel geprotesteerd tegen deze gang van zaken, en al snel werd de minder vernederende Barr body-test ingevoerd. Hierbij waarbij werd speeksel afgenomen waarmee tests werden uitgevoerd.
Bij de Europese atletiekkampioenschappen van 1966 ontbraken drie toppers uit de Sovjetunie op het appèl. De Oekraïense gezusters Press, samen goed voor vijf Olympische titels in 1960 en 1964 bleven weg vanwege "familieomstandigheden", en de verspringster Tatjana Sjtsjelkanova zou geblesseerd zijn. Ook bij andere wedstrijden ontbraken sommige atletes, wat voor de (Westerse) pers de eerdere vermoedens alleen maar bevestigde.
De eerste uitsluiting na aanleiding van een sekse-test kwam in 1967. De Poolse Ewa Klobukowska, Europees kampioene op de 100 meter (waar ze door de tests was gekomen) en Olympisch kampioene op de 4 x 100 m estafette, werd tijdens een Europacupwedstrijd getest. De uitslag gaf aan dat ze "een chromosoom teveel had om aan wedstrijden voor vrouwen deel te nemen". De atletiekbond probeerde de zaak eerst stilletjes af te handelen, maar toen de Poolse bond Klobukowska gewoon wilde inschrijven voor verdere wedstrijden kwam het verhaal toch naar buiten. Jaren later zou blijken dat de sprintster XXY-chromosomen had, evenals zo'n half procent van de vrouwen, en dat ze niet gediskwalificeerd had mogen worden. Vanzelfsprekend had de Poolse grote problemen met de onterechte beschuldigingen, en ondernam een mislukte zelfmoordpoging.

Zie volgende scherm

Embryologie

Het ademhalingsstelsel.

Gaswisseling vindt bij de mens plaats in de longblaasjes. In het overige deel van het ademhalingsstelsel vindt nauwelijks gaswisseling plaats: dit deel wordt de 'dode ruimte' genoemd. In rust wordt per uitademing ongeveer 500 ml lucht uitgeademd. Tijdens een uitademing wordt zowel lucht uit de dode ruimte als uit de longblaasjes verwijderd.

Bevinden zich in de weefsels van de luchtpijp van de mens cellen die ontstaan zijn uit het ectoderm, uit het entoderm en/of uit het mesoderm?

afbeeldingafbeelding

Embryologie

Cellen en structuren.
Zie figuur A 124 van de bijlage.

De afbeelding geeft een doorsnede van een deel van de wand van de luchtpijp van de mens weer.

Uit welk kiemblad of uit welke kiembladen zijn de cellen Q en R ontstaan?

afbeeldingafbeelding

Embryologie

Hart en bloedsomloop.
Zie de figuren B 3685 en B 3686 van de bijlage.

In de afbeelding is op twee manieren een deel van de bloedsomloop van een volwassene weergegeven. Tekening 1 van de afbeelding geeft schematisch een deel van de bloedsomloop weer; tekening 2 van de afbeelding geeft aspecten van de functie van de bloedstroom weer.

Zie figuur B 3686 van de bijlage.

Bij een kind vóór de geboorte is de bloedsomloop anders dan bij een volwassene.
Tekening 1 van de afbeelding B 3685 is ook weergegeven in afbeelding B 3686 op het aparte blad.

Bewerk de figuur op de bijlage zodanig dat deze de situatie in het hart en die van de grote bloedvaten bij het hart van een foetus weergeeft.

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Embryologie

Bloedsomloop.
Zie figuur B 4988 van de bijlage.

De afbeelding hiernaast geeft een schema van de bloedstroom in het hart van een kind vóór de geboorte (links) en direct na de geboorte (rechts).
De klep tussen de linker en de rechter boezem sluit zich bij de eerste ademhaling na de geboorte.

Waardoor sluit deze klep zich?

afbeeldingafbeelding

Embryologie

Klieren.

Vier klieren in het lichaam van een mens worden bestudeerd: de schildklier, een speekselklier, een talgklier en een zweetklier in de huid van de hand.

Is het klierweefsel van de talgklier ontstaan uit ectoderm, uit entoderm of uit mesoderm?
En het klierweefsel van de zweetklier?

Embryologie

De darmen.
Zie figuur A 31 van de bijlage.

In de afbeelding is een darmvlok en is een darmepitheelcel van de mens schematisch weergegeven. De pijlen geven de stroomrichting van de vloeistof door de vaten aan.

Uit welk kiemblad ontstaan darmepitheelcellen?

afbeeldingafbeelding

Embryologie

1/2 Virus onmisbaar bij de placentavorming.
Zie figuur A 998 van de bijlage.

Bij mensen zijn verschillende ERV-genen (ERV = Endogeen Retro Virus) bekend: zij stimuleren onder andere de hechting van het enkele dagen oude embryo in de baarmoederwand en geven de zich ontwikkelende placenta een groeispurt.
Een van de ERV-genen bevat de erfelijke informatie voor het eiwit syncytine. Dit eiwit vervult een sleutelrol bij de placentavorming. Vlak voor de innesteling is het jonge embryo omhuld door trofoblastcellen, die syncytine vormen. Syncytine laat deze cellen fuseren. Hieruit ontstaat de syncytiotrofoblast-laag die zich in het baarmoederslijmvlies nestelt. In de placenta die zich vervolgens ontwikkelt, vormt de syncytiotrofoblast-laag de grenslaag tussen weefsel van moeder en kind.
In de afbeelding is schematisch het baarmoederslijmvlies met een embryo van 12 dagen oud weergegeven. Enkele delen zijn met een cijfer aangegeven.

Met welk cijfer wordt de syncytiotrofoblast-laag aangegeven?

afbeeldingafbeelding

Embryologie

2/2 Virus onmisbaar bij de placentavorming.

De trofoblast maakt het hormoon HCG dat van belang is voor het instandhouden van de zwangerschap. Na de achtste week van de zwangerschap neemt de concentratie van het hormoon HCG in het bloed af.

Hoe wordt door HCG instandhouding van de zwangerschap geregeld? Leg uit waarom dit na de achtste week niet meer nodig is.

Embryologie

Staafjes en kegeltjes.

In de embryonale ontwikkeling worden verschillende ontwikkelingsstadia onderscheiden. Enkele ontwikkelingsstadia zijn blastula, gastrula en neurula.

In welk van deze ontwikkelingsstadia is voor het eerst het kiemblad te onderscheiden waaruit de staafjes en kegeltjes in het netvlies ontstaan?