Plantenanatomie
Anatomie blad.
Wat grenst aan de laag pectine tussen twee bladmoescellen van een plant?
Deze oefentoets bevat 14 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
14
Biologie
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
VWO 4, VWO 5, VWO 6
NVON
cc-by-sa-40
Anatomie blad.
Wat grenst aan de laag pectine tussen twee bladmoescellen van een plant?
Anatomie blad.
Zie figuur B 1699 van de bijlage.
In de afbeelding is weergegeven een tekening van een bladdoorsnede.
Het oppervlak, waar het meeste water in de vorm van damp de cel verlaat, wordt aangeduid met nummer
afbeelding
Concentraties van stoffen in bladeren.
In de celwanden van het palissadeparenchym in de bladeren van een zaadplant bevindt zich water met opgeloste stoffen. De oplossing in de celwanden wordt vergeleken met het cytoplasma van deze parenchymcellen wat betreft de CO2
-concentratie en de concentratie van opgeloste deeltjes die bij osmose van belang zijn. De bladeren zijn niet verwelkt en de plant staat in het zonlicht.
Waar is de CO2
-concentratie het hoogst?
En waar is de concentratie het hoogst van opgeloste deeltjes die bij osmose van belang zijn?
afbeelding
Stoffen in een blad.
Zie figuur B 50 van de bijlage.
De afbeelding geeft een doorsnede van een blad weer. Het gaat hier om een blad aan een boom om 10 uur op een zonnige, zomerse morgen in Nederland.
Van welke stof of van welke stoffen is bij dit blad de concentratie op plaats P hoger dan op plaats Q?
afbeelding
Driptips.
Zie figuur B 5757 van de bijlage.
Er zijn planten waarvan de bladeren uitlopen in een duidelijke punt. Sommige planten hebben bladeren met punten van vele centimeters. Wetenschappers vermoeden dat deze punten te maken hebben met het afvoeren van water, vandaar de naam: driptips (zie afbeelding hiernaast).
Een hypothese over de functie van driptips is dat bladeren die ze hebben, weer sneller kunnen beginnen met fotosynthese na een regenbui.
Leg uit waarom dit een plausibele hypothese is.
afbeelding
Bladgroenkorrels.
In welke bladcellen vindt men bladgroenkorrels?
Blad.
Zie figuur B 5760 van de bijlage.
Nevenstaande tekening toont een dwarsdoorsnede door een gedeelte van een blad.
Er kan geen koolstofassimilatie optreden in de onderdelen
afbeelding
Doorsneden van bladeren.
Zie figuur B 5786 van de bijlage.
Enkele studenten maakten dwarsdoorsneden van bladeren van verschillende eikenbomen.
Toen ze de doorsneden bekeken onder de microscoop, waren ze verbaasd over het verschil tussen de bladeren.
De afbeelding hiernaast laat doorsneden zien van de bomen 1 en 2.
Welke van de volgende uitspraken is de beste verklaring van het verschil in bladstructuur dat de studenten hebben waargenomen?
afbeelding
In sloot en plas.
Zie figuur C 186 van de bijlage.
Ondergedoken waterplanten die in sloten en plassen leven, zijn aangepast aan het milieu onder water. Dit is onder meer te zien aan de bouw van de bladeren van ondergedoken waterplanten. In de afbeelding zijn vier dwarsdoorsneden van bladeren van verschillende soorten planten gegeven. De planten zijn in willekeurige volgorde: een ondergedoken waterplant, een naaldboom, een grassoort en een uitheemse soort.
Welk van deze bladeren is het blad van een ondergedoken waterplant?
Noem twee kenmerken van de bouw van het blad waaraan je dat kunt zien.
afbeelding
Bossen en weiden.
Zie figuur C 122 van de bijlage.
Bij de beuk is de bouw van de bladeren die zich in de zon bevinden, anders dan die van de bladeren die zich in de schaduw bevinden (zie afbeelding). Wanneer de hoeveelheid licht die op een blad valt groter is dan 4 mW/cm2
is de fotosynthese-activiteit (ml CO2
/cm2
bladoppervlak) in zonnebladeren groter dan in schaduwbladeren.
Drie kenmerken van zonnebladeren in vergelijking met schaduwbladeren zijn:
1. dikkere waslaag,
2. groter aantal huidmondjes per cm2
bladoppervlak,
3. grotere hoeveelheid assimilerend weefsel per cm2
bladoppervlak.
Elk van deze drie kenmerken draagt bij tot de grotere fotosynthese-activiteit.
Leg bij elk van deze drie kenmerken uit op welke wijze dit kenmerk een bijdrage levert aan de grotere fotosynthese-activiteit van de zonnebladeren wanneer de hoeveelheid licht die op een blad valt groter is dan 4 mW/cm2
.
-
afbeelding