Oefentoets Biologie: Hormoonstelsel - Schildklier | VWO 5 (f2513775-3d54-42

Deze oefentoets bevat 18 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

18

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 5 (f2513775-3d54-423b-803b-15e06a8c89a8), VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Hormoonstelsel

Schildklier.

De productie van schildklierhormoon wordt geregeld door het schildklierstimulerend hormoon. Het schildklierhormoon bevat jodium. Aan een varken wordt een stof toegediend die de opname van jodium in schildkliercellen verhindert.

Wat gebeurt er daarna met de hoeveelheid geproduceerd schildklierstimulerend hormoon?
En met de totale hoeveelheid schildklierhormoon in het lichaam?

afbeeldingafbeelding

Hormoonstelsel

TSH.

De productie van schildklierhormoon wordt gestimuleerd door het thyroïdstimulerend hormoon (TSH). De productie van TSH wordt geremd door schildklierhormoon. Wanneer in de voeding van de mens een tekort aan jodium is, wordt te weinig schildklierhormoon geproduceerd.
Na een periode van gebrek aan jodium krijgt iemand voedsel dat wèl voldoende jodium bevat.

Hoe zal de hoeveelheid TSH in het bloed ten gevolge hiervan veranderen?
Hoe zal het algemene stofwisselingsniveau als gevolg hiervan veranderen?

afbeeldingafbeelding

Hormoonstelsel

Terugkoppeling.

Hieronder volgen twee beweringen over de regeling van het thyroxinegehalte bij de mens:

1. Wanneer het thyroxinegehalte van het bloed afneemt, gaat de hypofyse meer schildklierstimulerend hormoon maken;
2. Wanneer het thyroxinegehalte van het bloed toeneemt, gaat de hypofyse minder schildklierstimulerend hormoon maken.

Is bij bewering 1 sprake van positieve of van negatieve terugkoppeling?
En bij bewering 2?

afbeeldingafbeelding

Hormoonstelsel

Thyroxine.

Bij toename van het thyroxinegehalte van het bloed dat de hypofyse bereikt, gaat de hypofyse minder schildklierstimulerend hormoon maken.

Bij de regeling van het thyroxinegehalte is er sprake van

Hormoonstelsel

Thyroxine.

Op welke wijze is de hypofyse betrokken bij de regulatie van de afscheiding van thyroxine?

Hormoonstelsel

Schildklierverwijdering.

Als bij een persoon de schildklier wordt verwijderd, dan zullen de cellen van de hypofyse (hersenaanhangsel) die schildklierstimulerend hormoon (thyreotroop hormoon) produceren, na deze ingreep

Hormoonstelsel

Verhoogde thyroxine-afgifte.

Verschijnselen die kunnen optreden bij personen met afwijkingen in de productie van hormoon zijn:

1. daling van de stofwisselingssnelheid,
2. toename van de transpiratie,
3. verlaging van de lichaamstemperatuur,
4. versterking van de hartwerking.

Welke van deze verschijnselen kan of welke kunnen veroorzaakt worden door een verhoogde thyroxine-afgifte?

Hormoonstelsel

1/3 Thyroxine.
Zie figuur B 2713 van de bijlage.

In de afbeelding zijn enkele organen van de mens weergegeven.

In welke van de tekeningen in de afbeelding is de klier waarin thyroxine wordt geproduceerd, afgebeeld?

Hormoonstelsel

2/3 Thyroxine.

Stijging van de thyroxineconcentratie in het bloed heeft tot gevolg dat het zuurstofverbruik en het glucoseverbruik van de lichaamscellen groter worden.

Zullen door de stijging van de thyroxineconcentratie de reacties van de glycolyse sneller verlopen?
En worden de reacties van de citroenzuurcyclus versneld?

Hormoonstelsel

3/3 Thyroxine.

Bij een bepaalde ziekte (thyrotoxicosis) bevindt zich voortdurend een stof P in het bloed. Stof P stimuleert de thyroxineproducerende hormoonklier tot een verhoogde afgifte van thyroxine. Stof P is geen hormoon en de afgifte van stof P aan het bloed wordt niet beïnvloed door de thyroxineconcentratie in het bloed.

Zal in het bloed van thyrotoxicosispatiënten de concentratie van het hypofysehormoon dat de afgifte van thyroxine stimuleert, anders zijn dan normaal?
Zo ja, zal deze hoger of lager zijn dan normaal?

Hormoonstelsel

1/2 Thyroxine.

In het lichaam van de mens kan door verschillende oorzaken een tekort ontstaan aan het hormoon thyroxine. Sommige oorzaken houden verband met het feit dat voor de vorming van thyroxine een bepaalde hoeveelheid van het element jood wordt gebruikt.

Welke verschijnselen zullen zich bij een patiënt met een tekort aan thyroxine kunnen voordoen?

Hormoonstelsel

2/2 Thyroxine.

De volgende oorzaken die leiden tot verschijnselen als gevolg van een tekort aan thyroxine, worden genoemd:

1. het voedsel bevat te weinig jood;
2. een zeer hoge concentratie van jood in het bloed remt de thyroxineproductie;
3. door een bepaald type gezwel vermindert de werking van de hypofyse;
4. het afweersysteem maakt antistoffen tegen het lichaamseigen thyroxine.

Bij welke van de bovengenoemde oorzaken zal als reactie de hoeveelheid schildklierstimulerend hormoon in het bloed stijgen?

Hormoonstelsel

1/2 Thyroxine.
Zie figuur B 1509 van de bijlage.

De afgifte van het schildklierstimulerend hormoon TSH door de hypofyse van de mens wordt gestimuleerd door een stof TRF, die in de hersenen wordt geproduceerd. Een gezonde persoon wordt ingespoten met TRF. Na de injectie wordt gedurende drie uur de concentratie SSH in zijn bloed bepaald. De resultaten zijn weergegeven in grafiek P van het afgebeelde diagram. Vervolgens wordt een patiënt van wie de cellen van de schildklier niet in staat zijn tot het produceren van thyroxine, op dezelfde wijze met evenveel RH-SSH ingespoten. Ook bij deze patiënt wordt de concentratie SSH in het bloed bepaald. De resultaten zijn uitgezet in het diagram.

Welke grafiek geeft het concentratieverloop van TSH bij deze patiënt weer?

Hormoonstelsel

2/2 Thyroxine.

Enkele verschijnselen bij patiënten met een verstoorde thyroxineproductie zijn:

1. een vertraagde stofwisseling in rust;
2. een sterke afname van het lichaamsgewicht;
3. een snelle hartslag.

Welk van deze verschijnselen kan of welke kunnen zich voordoen bij patiënten met een gebrek aan thyroxine?

Hormoonstelsel

1/3 Temperatuurregeling.
Zie figuur C 80 en figuur B 1414 van de bijlage.

Het lichaam van de mens kan zich aanpassen wanneer de temperatuur in de omgeving daalt. Hierbij spelen verschillende regelmechanismen een rol. Een schematische voorstelling van enkele van deze regelmechanismen met de daarbij betrokken delen var het lichaam is weergegeven in de afbeelding C 80.

Uit de afbeelding blijkt dat hormonen in deze regelmechanismen een rol spelen. Bij lage omgevingstemperaturen is de concentratie thyroxine uit de schildklier in het bloed dan bij hogere omgevingstemperaturen.

In het schema B 1414 van de bijlage kan de hormonale regulatie van de lichaamstemperatuur worden uitgewerkt als terugkoppelingsschema. In het schema is de hypothalamus aangegeven. Door de hypothalamus wordt een releasing factor (TRF) afgegeven, die de afgifte van schildklierstimulerend hormoon (TSH) stimuleert.

Vul het schema in en breng de bij deze regulatie betrokken hormoonklieren en de afgegeven hormonen op de juiste wijze met elkaar in verband. In elk van de hokje moet de naam van een hormoonklier worden gezet, op elk van de stippellijnen de naam van een hormoon en in elk van de rondjes een + (stimulering) of een - (remming).



-

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Hormoonstelsel

2/3 Temperatuurregeling.
Zie figuur A 278 van de bijlage.

In figuur A 278 staan gegevens over adrenaline, glucagon en insuline.

Wordt de dissimilatie van vetten in vetweefsel bevorderd door adrenaline, glucagon en/of insuline?

Hormoonstelsel

3/3 Temperatuurregeling.
Zie figuur B 1303 van de bijlage.

In de afbeelding is de structuurformule van een vet uit vetweefsel gegeven.

Welke van de stoffen koolstofdioxide, melkzuur en water ontstaan als stofwisselingsproducten bij de aërobe dissimilatie van dit vet?

Hormoonstelsel

Regelmechanismen.
Zie figuur B 2600 van de bijlage.

Bij sommige schildklierafwijkingen bij de mens produceert de schildklier te weinig thyroxine (= hypothyroïdie), bij andere afwijkingen produceert de schildklier teveel thyroxine (= hyperthyreoïdie).
Thyroxine bevat het element jodium.
Bij drie personen wordt de werking van de schildklier onderzocht.

Persoon 1 heeft hypothyroïdie, die niet wordt veroorzaakt door jodiumgebrek.
Persoon 2 heeft een normaal werkende schildklier.
Persoon 3 heeft hyperthyreoïdie.

Bij dit onderzoek wordt de schildklieractiviteit bepaald met behulp van radio-actief jodide (131 I). Na het drinken van een oplossing met radio-actief jodide (tijdstip 0) wordt gedurende 48 uur het percentage radio-actief jodide in het thyroxine bepaald. Tevens wordt bepaald welk percentage van het toegediende 131 I in de urine terechtgekomen is.
De resultaten van deze bepalingen zijn weergegeven in de diagrammen 1 en 2 in de afbeelding B 2600.

Grafiek F in diagram 1 en grafiek Q in diagram 2 zijn de resultaten van de metingen bij persoon 2.

Welke grafieken geven de metingen bij persoon 1 weer?