Oefentoets Biologie: Plantenanatomie - assimilatie_dissimilatie | VMBO theoretische leerweg, 3/VMBO theoretische leerweg, 4 | variant 1

Deze oefentoets bevat 55 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

55

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VMBO theoretische leerweg, 3, VMBO theoretische leerweg, 4

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Plantenanatomie

Doorsnede van blad.
Zie figuur B 1947 van de bijlage.

De afbeelding geeft schematisch een doorsnede van een blad van een boom weer.

In welke van de aangegeven cellen wordt CO2 gevormd?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie

Tulp.

Uit koolstofdioxide en water kan in planten glucose en zuurstof ontstaan.

In welke van de organen: wortels, bloemstelen en bladeren kan bij tulpen dit proces plaatsvinden?

Plantenanatomie

Processen in boomtak.
Zie figuur B 688 van de bijlage.

's Morgens vroeg wordt bij een tak van een boom op plaats P (zie tekening) de bast rondom weggesneden tot op het hout. Aan het eind van een zonnige dag worden blad 1 en blad 2 met behulp van een jodiumoplossing onderzocht op de aanwezigheid van zetmeel.

Zal blad 1 blauw kleuren?
En blad 2?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Delen van planten met bladgroen.
Zie figuur B 683 van de bijlage.

De tekeningen stellen delen voor van planten met bladgroen.
Plant 1 staat al een uur in het zonlicht.
Plant 2 staat al een uur in het donker.

Op welke van de vier aangegeven plaatsen is het zuurstofgehalte het hoogst?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Een boom op zonnige dag.
Zie figuur B 2018 van de bijlage.

De tekening stelt een boom voor op een zonnige zomerdag. Met de pijlen 1 en 3 is de opname van stoffen door de boom aangegeven. Met pijl 2 is de afgifte van stoffen door de bladeren aangegeven. Met pijl 4 wordt het transport van stoffen in de stam omhoog en met pijl 5 het transport omlaag weergegeven.

Wat geeft pijl 1 aan?
Wat geeft pijl 2 aan?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Plant.

Een plant kan zuurstof opnemen uit de omgeving en koolstofdioxide afstaan aan de omgeving.

Hoe wordt dit proces genoemd?

Plantenfysiologie

Doorsneden van delen van een plant.
Zie figuur B 1062 van de bijlage.

In de figuur zijn schematisch twee doorsneden van groene delen van dezelfde kruidachtige plant getekend.

In welke van de genummerde cellen kan fotosynthese plaatsvinden?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Paardenbloem.
Zie figuur B 685 van de bijlage.

De tekening stelt een paardenbloem voor, die in het zonlicht staat.

In welk of in welke van de aangegeven delen kan glucose voorkomen?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Doorsnede van blad.
Zie figuur B 676 van de bijlage.

De tekening stelt een doorsnede van een deel van een blad voor. De bladgroenkorrels zijn niet getekend.

In welke van de aangegeven cellen kan fotosynthese plaatsvinden?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Doorsnede vaatbundel.
Zie figuur A 165 van de bijlage.

De tekening stelt een dwarsdoorsnede door een vaatbundel van een maïsplant voor.

In welk of in welke van de aangegeven delen vindt verbranding plaats?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Koolstofdioxide in plantencellen.

Komen in een blad van een plant cellen voor waarin koolstofdioxide ontstaat?
En komen deze ook voor in een stengel?

Plantenfysiologie

Paardenbloem.
Zie figuur B 1776 van de bijlage.

De tekening stelt een bloeiende plant voor.

Welk of welke van de delen 1, 2 en 3 bevat of bevatten vaatbundels waardoor glucose vervoerd wordt?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Paardenbloem.
Zie figuur B 1776 van de bijlage.

De tekening stelt een paardenbloem voor.

Welk(e) van de delen 1, 2 en 3 bevat(ten) vaatbundels, waardoor assimilatieproducten vervoerd worden?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

Bloembollen in het donker bewaren.

Omdat licht de groeisnelheid van een plant afremt, worden bloembollen vaak tijdelijk in het donker geplaatst.

Het gevolg zal zijn dat in het donker

Plantenanatomie en -fysiologie

1/4 Wintertarwe.

Dankzij betere teelttechnieken is de opbrengst van wintertarwe steeds groter geworden. Zo is bijvoorbeeld niet alleen de hoeveelheid voedingszouten in de bodem van belang, maar ook het aantal tarweplanten per m2 . Door een proef wordt de opbrengst van wintertarwe onderzocht bij verschillende aantallen tarweplanten per m2 . De resultaten zijn weergegeven in onderstaande tabel.
afbeeldingafbeelding

Maak op de uitwerkbijlage een lijndiagram van de gegevens uit de tabel.

Plantenanatomie en -fysiologie

2/4 Wintertarwe.

Zijn voor de opbrengst van wintertarwe abiotische factoren van belang?
En zijn biotische factoren van belang?

Plantenanatomie en -fysiologie

3/4 Wintertarwe.

Bij een groter aantal planten dan 200 per m2 , neemt de opbrengst niet meer toe.

Leg uit waardoor de opbrengst niet meer toeneemt, als de planten zo dicht op elkaar staan.

Plantenanatomie en -fysiologie

4/4 Wintertarwe.

Men probeert ook de opbrengst te vergroten door nieuwe rassen te ontwikkelen.
Twee tarwerassen zijn: Drifter en Ritmo.

Maak een werkplan waarmee je kunt onderzoeken welk van deze twee rassen een grotere opbrengst oplevert.

Plantenanatomie en -fysiologie

1/2 Gaswisseling bij planten.

Landplanten hebben een opperhuid die moeilijk gassen doorlaat.
Gaswisseling vindt vooral plaats via huidmondjes.

Welke van de volgende uitspraken over het voorkomen van huidmondjes bij een beukenboom is juist?

Plantenanatomie en -fysiologie

2/2 Gaswisseling bij planten.

Veel landplanten hebben een opperhuid met een vrij dikke waslaag.

Wat is de functie van zo'n waslaag?

Zo'n waslaag beschermt de plant tegen

Plantenanatomie en -fysiologie

1/2 Gaswisseling bij planten.

Landplanten hebben een opperhuid die moeilijk gassen doorlaat. Gaswisseling vindt vooral plaats via huidmondjes.
Veel cellen in een blad grenzen niet direct aan een huidmondje.

Langs welke weg vindt transport van gassen tussen deze cellen en de huidmondjes vooral plaats?

Plantenanatomie en -fysiologie

2/2 Gaswisseling bij planten.

Bij welke van de volgende weersomstandigheden zal het aantal huidmondjes dat overdag is gesloten, het grootst zijn?

Plantenanatomie en -fysiologie

1/3 Albino.

Sommige planten zijn niet in staat bladgroenkorrels te vormen. Deze albinoplanten ontkiemen wel uit het zaad, maar ze sterven na korte tijd. Onderzoek heeft aangetoond dat dit zogenoemde albinisme veroorzaakt wordt door een recessief gen.
Een tabaksplant wordt bestoven met stuifmeel van een andere tabaksplant. Beide planten zijn heterozygoot voor albinisme.

Hoe groot is de kans dat uit een zaad een albinokiemplant ontstaat?

Plantenanatomie en -fysiologie

2/3 Albino.

Waar haalt een albinokiemplantje tijdens het kiemen voedingsstoffen vandaan?

Plantenanatomie en -fysiologie

3/3 Albino.

Leg uit waardoor albinokiemplanten zullen sterven als gevolg van het ontbreken van bladgroen.

Plantenanatomie en -fysiologie

1/4 Hoe je aardappelen kunt kweken.
Zie figuur B 2147 van de bijlage.

In de afbeelding en de tekst hieronder is weergegeven hoe je aardappelen kunt kweken.
De tuin wordt omgespit, waarbij stalmest door de grond wordt gewerkt. Vervolgens worden gaten van ongeveer 10 cm diep in de grond gestoken. In ieder gat wordt een aardappel gelegd.
Ook kan een stuk van een grote aardappel worden gebruikt (tekening 1). Grote aardappelen worden dan zó gedeeld dat op elk deel één of meer "ogen" voorkomen. Na het poten worden de gaten dichtgemaakt.
De aardappelplanten komen na enkele weken boven de grond (tekening 2). Ze vormen wortels, stengels, bladeren en bloemen en er ontstaan nieuwe aardappelen (tekening 3).
De aardappelen worden gerooid als de bladeren helemaal geel zijn geworden. Uit elke gerooide aardappel kan weer een nieuwe aardappelplant worden gekweekt.

Kunnen aardappelplanten zich geslachtelijk vermeerderen?
En ongeslachtelijk?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

2/4 Hoe je aardappelen kunt kweken.

Stalmest bevat onder andere cellulose, eiwitten en zouten.

Welke van deze stoffen neemt een aardappelplant uit de stalmest op?

Plantenanatomie en -fysiologie

3/4 Hoe je aardappelen kunt kweken.

Wanneer grote aardappelen worden gedeeld, zal uit elk deel een jonge plant groeien.

Wat is bekend over het fenotype en over het genotype van de planten die zo uit de delen van één aardappel groeien?

Plantenanatomie en -fysiologie

4/4 Hoe je aardappelen kunt kweken.

Een aardappelplant staat nog in de grond, maar de bovengrondse delen zijn al helemaal geel en verdord.

Vindt in deze plant nog fotosynthese plaats?
En verbranding?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

1/3 Huidmondjes.
Zie figuur B 785 van de bijlage.

In de buitenste laag cellen van een blad bevinden zich openingen: de huidmondjes. De sluitcellen van een huidmondje bevatten bladgroenkorrels.
De tekening geeft een huidmondje weer.

Tot welk weefsel behoren de sluitcellen van huidmondjes?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

2/3 Huidmondjes.

Vindt in de sluitcellen overdag alleen fotosynthese of alleen verbranding plaats of vinden beide processen plaats?

Plantenanatomie en -fysiologie

3/3 Huidmondjes.

Welke stoffen worden door de plant overdag via de huidmondjes afgegeven?

Plantenanatomie en -fysiologie

1/2 Slaplanten en champignons.

Men vergelijkt welke stoffen door slaplanten en champignons uit het milieu worden opgenomen.

Kunnen slaplanten zuurstof opnemen?
En kunnen champignons dat?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

2/2 Slaplanten en champignons.

Nemen slaplanten energierijke stoffen uit de bodem op?
En doen champignons dat?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

1/3 Een blad.
Zie figuur B 3547 van de bijlage.

In de afbeelding is een doorsnede van een blad schematisch getekend. Enkele delen zijn genummerd.

Kunnen op alle genummerde plaatsen bladgroenkorrels voorkomen?
Zo nee, op welke plaatsen niet?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

2/3 Een blad.
Zie figuur B 3547 van de bijlage.

Wordt in cel 1 in het licht glucose gevormd uit anorganische stoffen?
En wordt in deze cel in het licht glucose verbrand?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

3/3 Een blad.
Zie figuur B 3547 van de bijlage.

Wordt in cel 2 in het licht zuurstof gevormd?
En in cel 4?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

1/4 Bladeren in kleurstofoplossing.
Zie figuur C 53 van de bijlage.

Drie jampotjes worden voor een deel gevuld met water waarin een rode kleurstof is opgelost.
In alle drie de potjes wordt een blad gezet. De bladeren zijn even groot en afkomstig van dezelfde plant. Van het blad in pot 2 is de bovenzijde ingesmeerd met vet. Van het blad in pot 3 is de onderzijde ingesmeerd met vet. Het blad in pot 1 is niet behandeld.
Na een dag blijkt dat het blad in pot 1 helemaal rood is. Het blad in pot 2 is iets minder rood en het blad in pot 3 is nauwelijks rood.

Wordt het transport van de gekleurde vloeistof in deze bladeren veroorzaakt door worteldruk, door zuigkracht of door beide?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

2/4 Bladeren in kleurstofoplossing.
Zie figuur C 53 van de bijlage.

Welk blad heeft na een dag het meeste water verdampt?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

3/4 Bladeren in kleurstofoplossing.
Zie figuur C 53 van de bijlage.

Aan welke kant van de bladeren zitten vermoedelijk de meeste huidmondjes?
Of zitten er aan beide kanten ongeveer evenveel?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

4/4 Bladeren in kleurstofoplossing.
Zie figuur C 53 van de bijlage.

In welke pot zal het waterpeil na een dag het minst zijn gezakt?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

1/6 Hete zomers, kale sparren.

Men vermoedt dat sparren ziek kunnen worden door luchtverontreiniging als gevolg van het autogebruik. Bepaalde verontreinigende stoffen, afkomstig van het autoverkeer, komen in de bodem rond de sparren.

Noem twee van die verontreinigende stoffen.

Plantenanatomie en -fysiologie

2/6 Hete zomers, kale sparren.

Bij een zieke spar vallen de naalden sneller af dan bij een gezonde spar. De afgevallen naalden worden langzaam afgebroken. Daarbij ontstaan zouten.

Noem twee verschillende groepen organismen die zouten uit de afgevallen naalden laten ontstaan.

Plantenanatomie en -fysiologie

3/6 Hete zomers, kale sparren.

Door de droogte groeien ook gezonde bomen minder snel.

Welke van de stoffen water en zouten nemen de bomen in een droge periode minder op dan in een normale periode?

Plantenanatomie en -fysiologie

4/6 Hete zomers, kale sparren.

In een bosbouwtijdschrift noemt een onderzoeker een andere oorzaak: vooral door een gebrek aan magnesiumzouten worden in droge zomers de naalden van een boom geel en vallen af. Door de droogte worden afgevallen naalden en takken minder snel afgebroken. En dat afgevallen materiaal is juist de voornaamste bron van magnesiumzouten voor de boom.

Bomen gebruiken magnesiumzouten voor het maken van bladgroen.

Leg uit dat een boom bij gebrek aan magnesiumzouten ook minder hout kan maken.

Plantenanatomie en -fysiologie

5/6 Hete zomers, kale sparren.

Magnesiumzouten worden via de stam naar de naalden van een spar getransporteerd.
Twee leerlingen doen een bewering over dit transport:

Leerling 1: De magnesiumzouten worden vooral via houtvaten getransporteerd.
Leerling 2: De vaten die magnesiumzouten vooral transporteren, bestaan uit levende cellen.

Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?

Plantenanatomie en -fysiologie

6/6 Hete zomers, kale sparren.

In een bos staat een groep zieke sparren. Een eindje verderop staat een groep gezonde sparren.
De bodem onder de bomen ziet er zo op het oog hetzelfde uit.
De onderzoeker veronderstelt dat sparren vooral door een tekort aan magnesiumzouten ziek worden.

Beschrijf een opzet van een onderzoek waarmee de onderzoeker kan bewijzen dat vooral het tekort aan magnesiumzouten de oorzaak is van het ziek worden van sparren.

Plantenanatomie en -fysiologie

1/3 Patataardappels.

Johan Aalberts teelt aardappels voor de patates fritesindustrie. Deze industrie betaalt méér geld voor een kilogram grote aardappels dan voor een kilogram kleine. Bij de teelt van de aardappels maakt Johan gebruik van zogenaamd pootgoed. Dit zijn knollen waaruit aardappelplanten opgroeien. Aan deze planten groeien de aardappels die Johan aan de patatfabriek verkoopt.

In de tabel is weergegeven hoe het aantal grote aardappels (> 55 mm) verandert met het aantal aardappelplanten per m2 (de plantdichtheid) en de grootte van de pootaardappels.
afbeeldingafbeelding
Naar aanleiding van de gegevens in de tabel worden twee conclusies getrokken.

1. Hoe minder planten/m2 , hoe meer grote aardappels.
2. Hoe groter de pootaardappels, hoe meer grote aardappels.

Zijn deze conclusies juist?




-

Plantenanatomie en -fysiologie

2/3 Patataardappels.

Na het oogsten van de aardappels worden deze opgeslagen. In een boek stond over dit bewaren:
"De aardappel is een levend product. In de aardappels treedt verbranding op. Bij deze verbranding ontstaat water. Tijdens het bewaren van de aardappels wordt het gewicht van de aardappels minder, bijvoorbeeld door ziekten of door waterverlies."

Welke andere stof, behalve water, ontstaat er bij verbranding?

Plantenanatomie en -fysiologie

3/3 Patataardappels.
Zie figuur B 3276 van de bijlage.

In de afbeelding is weergegeven hoe de hoeveelheid verbranding in aardappels afhangt van de bewaartemperatuur.

Bij welke temperaturen kan Johan Aalberts zijn aardappels het beste bewaren?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

1/2 Het nut van fotosynthese.

Waarom is de fotosynthese in tarwe zo belangrijk voor de mens?

Plantenfysiologie

2/2 Het nut van fotosynthese.

Schrijf op wat in onderstaand schema moet worden ingevuld bij 1 t/m 3.

afbeeldingafbeelding

1 = [invulveld]

2 = [invulveld]


3 = [invulveld]

Plantenfysiologie

Gaswisseling.

Bij allerlei processen in organismen worden gassen verbruikt en komen gassen vrij. Het opnemen en afstaan van deze gassen wordt gaswisseling genoemd.

Welk van de volgende gassen wordt door een plant vooral opgenomen tijdens de koolstofassimilatie?

Plantenfysiologie

Kasgroente.

In een voorlichtingsfolder staat het volgende artikel:

Gemiddeld kost het kweken van kasgroenten elf keer zoveel energie als het kweken van dezelfde groenten buiten op het veld. Sommigen vinden het kweken van kasgroenten dan ook milieu-onvriendelijk. Een ander probleem bij kasgroente is het hoge nitraatgehalte van sommige soorten. De planten in een kas krijgen veel nitraat toegediend. Het in water oplosbare nitraat is voor planten een voedingszout. Vooral bladgroenten nemen er erg veel van op. Ze gebruiken het nitraat voor het maken van eiwitten. Als er niet voldoende zonlicht is, wordt er maar weinig van het nitraat verbruikt. Zo kan er zelfs in een verlichte kas nog veel nitraat in de planten overblijven.
Voor mensen is nitraat op zich niet schadelijk. Het nitraat kan in het lichaam echter worden omgezet in stoffen die wel slecht zijn voor de gezondheid.

Bij het kweken van groenten in een kas wordt meer energie verbruikt dan bij het kweken buiten.

Noem twee oorzaken van het hogere energieverbruik bij het kweken in een kas.

Plantenfysiologie

Maïs.

Als het stengeltje van een maïskiemplantje boven de grond komt, zijn de reservestoffen vrijwel verbruikt.

Op welke manier komt de plant in die situatie aan energierijke stoffen?