Oefentoets Biologie: Ecologie - abiotisch/biotisch 2 | VWO 4/VWO 5/VWO 6

Ontdek de digitale toets over voedselwebben en ecologische invloeden in arctische meren, gericht op leerlingen in de biologie. Deze toets behandelt onderwerpen zoals de invloed van UV-straling, diapauze bij vlinders en zonering van zeepokken. - 11 vragen

Aantal vragen

11

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Eenvoudige voedselwebben in arctische meren

1/2 Rode roeipootkreeftjes.

In heldere ondiepe arctische meren maken roeipootkreeftjes deel uit van een eenvoudig voedselweb met weinig vissoorten.

Waardoor is het voedselweb in arctische meren eenvoudiger dan in bijvoorbeeld de Nederlandse meren?

Invloed van UV-straling en infochemicaliën op kreeftjes

2/2 Rode roeipootkreeftjes.
Zie figuur B 3911 van de bijlage.

De roeipootkreeftjes in de arctische meren zijn rood gekleurd door de aanwezigheid van het pigment caroteen. Aangenomen wordt dat dit een reactie is op UV-straling. Onderzocht werd of ook infochemicaliën, dat zijn stoffen die bijvoorbeeld vissen afgeven, van invloed zijn op de kleuring van de roeipootkreeftjes.
Een groot aantal gelijkgekleurde roeipootkreeftjes werd in vier groepen verdeeld. Zij werden al of niet blootgesteld aan UV-straling en al of niet in contact gebracht met infochemicaliën uit vis (zie de tabel hieronder).

afbeeldingafbeelding

Zie figuur B 3911 van de bijlage.

Na enige tijd werd het caroteengehalte van de roeipootkreeftjes bepaald. De resultaten zijn in het diagram van de afbeelding weergegeven.

Welke twee conclusies zijn te trekken uit de resultaten van het onderzoek (zie de afbeelding)?
- Geef voor elke conclusie een verklaring die wijst op het verband met de overlevingskans van de kreeftjes.

afbeeldingafbeelding

Diapauze bij vlinders en hun ontwikkeling

1/2 Diapauze bij vlinders.
Zie figuur A 1166 van de bijlage.

Bij vlinders komt, zoals bij veel insecten, een diapauze voor. Dat is een rustperiode waarin de ontwikkeling tot een volwassen dier is gestopt. De diapauze start onder invloed van verschillende abiotische factoren.
De diagrammen hiernaast geven de relatie aan tussen de diapauze-start van twee vlindersoorten en de daglengtes bij verschillende temperaturen.

Welke van de twee vlindersoorten zal zich het gemakkelijkst kunnen ontwikkelen in een zomer in Nederland als je alleen let op de factoren die betrekking hebben op de diapauze en niet op de overige biotische en abiotische factoren?
En bij welke van de beide vlindersoorten is er in de onderzochte populatie de grootste variatie in genotypen met betrekking tot de diapauze?
Bij .

afbeeldingafbeelding

Zonering van Zeepokken op Rotsen

1/2 Zeepokken.
Zie figuur B 5208 van de bijlage.
afbeeldingafbeelding
Zeepokken zijn geleedpotige dieren die zich als larve vrij kunnen bewegen. Ze maken dan deel uit van het dierlijk plankton (zoöplankton). Als volwassen pokken zitten ze vast (b.v. op stenen of de schelp van mosselen) en verzamelen ze voedsel d.m.v. een soort 'grijphandjes’. Op rotsige kusten kan men in een bepaald gebied twee soorten zeepokken vinden. De ene soort, behorend tot het geslacht Chthamalus, groeit in een vrij smalle strook in de bovenste helft van de intergetijdezone, de andere soort, behorend tot het geslacht Balanus, groeit in een bredere strook daaronder. In afbeelding 1 zijn deze stroken op een rots aangegeven onder 1. Onder 2 is met balken aangegeven waar de larven van beide soorten voorkomen. De zwarte balk is voor Chthamalusen de witte voor Balanus. Onder 3 staat aangegeven tot hoe hoog de verschillende getijden - gemiddeld - komen.
Wat opvalt is, dat beide soorten zich als larve vestigen in een strook die breder is dan waar ze als volwassen dier voorkomen.
Om er achter te komen welke factoren de zonering van de volwassen zeepokken bepalen werden twee experimenten uitgevoerd op een stuk rots gelegen tussen het niveau van de gemiddelde vloed en eb bij springtij.
Experiment 1: Alle Chthamalus-pokken werden verwijderd en men verhinderde, dat zich Chthamalus-larven vestigden. Er bleken geen Balanus-pokken te gaan groeien op het gebied waar eerst Chthamalus-pokken zaten, alhoewel zich er wel Balanus -larven konden vestigen.
Experiment 2: Alle Balanus-pokken werden verwijderd en men verhinderde, dat er zich Balanus-larven vestigden. Op het vrijgekomen gedeelte rots groeiden wel Chthamalus-pokken, althans daar waar zich gewoonlijk ook Chthamalus-larven vestigen.

Zie volgende scherm

Zonering van Zeepokken en Invloedfactoren

2/2 Zeepokken.
Zie figuur B 5208 van de bijlage.

Factoren die bepalend zouden kunnen zijn voor de zonering van de volwassen pokken zijn:

a: concurrentie tussen de twee soorten larven;
b: verschil in tolerantie voor het droog staan.

Welke van de genoemde factoren is of welke zijn volgens de genoemde experimenten hoogstwaarschijnlijk verantwoordelijk voor het ontbreken van volwassen Balanus-pokken boven de lijn voor gemiddelde vloed doodtij?
En welke van de genoemde factoren is of welke zijn volgens de genoemde experimenten hoogstwaarschijnlijk verantwoordelijk voor het ontbreken van volwassen Chthamalus-pokken onder de lijn voor gemiddelde vloed doodtij?

afbeeldingafbeelding

Voordelen van de 'kraamkamer' voor vissen

2/2 Vissen.
Zie figuur B 5223 van de bijlage.

Verweij ontdekte dat jonge gemerkte schoolmeester snappervissen (Lutjanus apodus, zie afbeelding) zich naarmate zij naar volwassenheid groeiden, verplaatsten van hun 'kraamkamer' in mangroves naar het koraalrif.

Welk aantrekkelijk aspect heeft de 'kraamkamer' voor deze vissen?

afbeeldingafbeelding

Beperkende factoren voor kreeftjespopulaties

Pekelkreeftjes.

Het pekelkreeftje (soort P) komt over de gehele wereld voor bij rotskusten in poeltjes stilstaand zeewater op de stenen. Een ander soort kreeftje (soort Q) komt alleen voor in de Waddenzee, in de Dollard en in de rivier de Eems.

Twee mogelijke beperkende factoren voor het ontwikkelen van een grote populatie kreeftjes zijn:

1. schommelingen in de temperatuur van de omgeving;
2. het gehalte aan organische stoffen in het water.

- Welk kreeftje zal vaker de invloed van beperkende factor 1 ondervinden?

Dat is soort .

- En welk kreeftje zal vaker de invloed van beperkende factor 2 ondervinden?

Dat is soort .

Verspreiding van zeepokken op rotskusten

Zeepokken.

In de tabel hieronder zie je de aantallen van twee soorten zeepokken die op een rotskust voorkomen.
afbeeldingafbeelding

Welke factor bepaalt het verschil verspreiding van deze zeepokken?

Factoren die biologische halfwaardetijd beïnvloeden

1/4 Tributyltin.
Zie figuur B 5248 van de bijlage.

Tributyltin (TBT) is een organische tinverbinding die wordt gebruikt in scheepsverf om aangroei van algen, mosselen en zeepokken tegen te gaan.
TBT is giftig en breekt normaal betrekkelijk snel af via de tussenproducten DBT (dibutyltin) en MBT (monobutyltin) (zie figuur hiernaast). In zuurstofarme sedimenten is de biologische halfwaardetijd van de drie stoffen echter lang: 1-10 jaar.

Noem twee andere factoren dan zuurstof die invloed hebben op de biologische halfwaardetijd.

afbeeldingafbeelding

Abiotische en biotische milieufactoren

Milieufactoren.

Vier milieufactoren zijn:

1. bodemgesteldheid;
2. licht;
3. predatoren;
4. ziekteverwekkers.

Welke factoren zijn abiotisch?

Invloed op de populatiegroei van de reiger

3/4 De reiger.
Zie figuur A 1178 van de bijlage.

De resultaten voor de reiger staan in de afbeelding hiernaast.
In 1980 werd de reiger een beschermde vogelsoort.

Noem een abiotische en een biotische factor die invloed kunnen hebben op de populatiegroei van de reiger.
Leg uit hoe dit invloed werkt.

afbeeldingafbeelding