Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
Aantal vragen
20
Vak(ken)
Biologie
Kerndoel(en)
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
Leerniveau(s)
HAVO 4, HAVO 5
Uitgever
NVON
Copyright
cc-by-sa-40
Biologie algemeen
3/4 Geneesmiddelen testen.
Het geneesmiddel waarvan in de afbeelding sprake is, wordt toegediend in de vorm van pillen die met water worden ingenomen.
Het is niet waarschijnlijk dat het werkzame bestanddeel een eiwit is. Leg uit om welke reden.
afbeelding
Biologie algemeen
4/4 Geneesmiddelen testen.
Waarop zal een geneesmiddel tegen hoofdpijn met name effect hebben?
Biologie algemeen
1/5 Hormonen in UV-filters.
Zonnebrandmiddelen beschermen tegen verbranding van de huid en ook tegen het ontstaan van huidkanker. Stoffen in deze middelen houden UV-straling tegen zodat deze de huid niet of nauwelijks kan bereiken. Deze smeersels werken dus als UV-filter. In 2001 ontstond rumoer over het gebruik van deze UV-filters vanwege hun mogelijk oestrogene eigenschappen. Een Zwitsers onderzoek was hiervan de aanleiding. In de Meerfelder Maar, een meertje in de Duitse Eifel, troffen onderzoekers sporen van de UV-filters in het vetweefsel van vissen aan. Om de effecten van UV-filters na te gaan, werd een aantal onderzoeken uitgevoerd. In onderzoek 1 werden gekweekte menselijke borstkankercellen blootgesteld aan een UV-filter. Het is bekend dat borstkankercellen zich sneller delen als ze aan oestrogeen worden blootgesteld. UV-filters vertonen pas effect bij extreem hoge concentraties: een miljoen maal hoger dan de oestrogeenconcentratie met dat effect. Voor sommige onderzoekers betekent dit dat er geen reden is tot ongerustheid. Andere onderzoekers stellen dat via het voedsel mensen toch aan hogere concentraties kunnen komen bloot te staan.
Leg uit hoe mensen via de voedselketen aan zo'n verhoogde concentratie UV-filter kunnen komen.
Biologie algemeen
2/5 Hormonen in UV-filters.
Om het effect van de aanwezigheid van UV-filters in voedsel te onderzoeken, werden de filters in verschillende concentraties aan het voer van ratten toegevoegd. Hiervoor werden jonge ratten gebruikt. Een aantal UV-filters bleek ook in deze test een oestrogeen effect te hebben.
Noem een effect dat bij jonge mannetjes optreedt als ze aan oestrogeen worden blootgesteld.
Biologie algemeen
3/5 Hormonen in UV-filters.
Onderzoekers aan de Universiteit van Zürich deden onderzoek naar UV-filters. De Zwitsers gebruikten steeds dieronvriendelijker proeven. In de laatste test werden jonge vrouwelijke ratten van een haarloze stam gedompeld in olijfolie waaraan een UV-filter was toegevoegd. Dit werd gedurende vijf dagen twee maal daags gedaan. Na deze vijf dagen werden de ratten gedood en onderzocht op lichamelijke afwijkingen.
Welk controle-experiment moet bij dit onderzoek gedaan worden?
Biologie algemeen
4/5 Hormonen in UV-filters.
Voor dit onderzoek zijn heel wat dierproeven gedaan. Voordat zo'n dieronvriendelijk onderzoek in Nederland mag worden uitgevoerd, moeten deskundigen op basis van weging van argumenten hiervoor toestemming verlenen. Ethische aspecten en gezondheidskundige aspecten voor de mens worden tegen elkaar afgewogen.
Noem zo'n argument dat tegen het verlenen van toestemming voor een dergelijk experiment gebruikt kan worden.
Biologie algemeen
5/5 Hormonen in UV-filters.
Noem zo'n argument dat vóór het verlenen van toestemming voor een dergelijk experiment gebruikt kan worden.
Biologie algemeen
1/6 Microbiologische ontdekkingen.
Aan het eind van de negentiende eeuw werd duidelijk dat er behalve bacteriën nog een ander type micro-organisme bestaat. In Nederland ontdekte Martinus Beijerinck dat de veroorzaker van de tabakmozaïekziekte niet door zeer fijne bacteriefilters werd tegengehouden. Later bleek het te gaan om een virus dat het tabakmozaïekvirus (TMV) werd genoemd.
Welke conclusie zal Beijerinck hebben getrokken uit de waarneming dat de ziekteverwekker niet door bacteriefilters werd tegengehouden?
Biologie algemeen
2/6 Microbiologische ontdekkingen.
Bacteriën worden in de biologie tot een apart rijk gerekend.
Noem een eigenschap waardoor zij zich, afgezien van de grootte, onderscheiden van de vertegenwoordigers van drie andere rijken.
Biologie algemeen
3/6 Microbiologische ontdekkingen.
Een andere ontdekking van Beijerinck was dat bacteriën uit tuinaarde goed konden groeien in een voedingsvloeistof zonder stikstofverbindingen waardoorheen lucht werd geleid.
Om welk van de volgende typen bacteriën ging het hier?
Biologie algemeen
4/6 Microbiologische ontdekkingen.
Rond 1980 werden extremofiele bacteriën ontdekt. Dat zijn soorten die goed groeien onder extreme omstandigheden zoals barre kou, grote hitte of in sterk zure, basische of zoute milieus. Lake Magadi is een meer in tropisch Afrika dat erg basisch is door de aanwezigheid van carbonaten. Bovendien is het water nogal zout. Desondanks komt in dit tamelijk extreme milieu een zeer rijke verzameling autotrofe en heterotrofe bacteriën voor. Hiertoe behoren onder meer autotrofe bacteriën van het geslacht Spirulina. Deze bacteriën hebben een kleurstof (pigment) in hun cel. Heterotrofe bacteriën bezitten dergelijke pigmenten niet.
Noem, afgezien van water, carbonaten en zout, nog twee abiotische factoren die in dit gebied verantwoordelijk kunnen zijn voor deze verrassende rijkdom.
Biologie algemeen
5/6 Microbiologische ontdekkingen
Welke functie heeft de kleurstof in de Spirulina-bacteriën?
Biologie algemeen
6/6 Microbiologische ontdekkingen.
De hyperthermofiele soort Thermus aquaticus is een heterotrofe bacterie die zeer goed kan leven bij 90°C. Deze bacteriesoort zou zeer geschikt kunnen zijn voor de ontwikkeling van kookwasmiddelen.
Leg dit uit.
Biologie algemeen
1/5 Het witte goud. Zie figuur B 3807 van de bijlage.
Mei en juni zijn de maanden van de asperge. Vooral op de zandgronden in het noorden van Limburg worden grote hoeveelheden gekweekt. De aspergeplant behoort tot de leliefamilie. Het is een meerjarige plant met een wortelstok waaraan wortels en knoppen zitten. In het voorjaar lopen de knoppen uit om stengels te vormen: asperges. Voordat deze witte stengels boven de grond komen worden ze geoogst. De asperge wordt met de hand uitgegraven en net boven de wortelstok doorgestoken. Er wordt geoogst tot 24 juni (feestdag van Sint Jan). Na deze datum mogen de asperges doorgroeien en worden de tot dan kale bedden snel groen. De reden dat er na 24 juni niet meer wordt geoogst, is dat de oogst anders het volgende jaar veel slechter is.
Hoe komt het dat in het volgende jaar de oogst dan slechter is?
afbeelding
Biologie algemeen
2/5 Het witte goud.
Na het eten van asperges kan de urine een heel typische geur hebben. Sommige mensen omschrijven de geur als die van rotte kool, anderen als die van zwavelachtige damp of groentesoep. Aangetoond is dat ‘aspergeplas' zijn geur dankt aan een groep van zes zwavelverbindingen. Deze zwavelverbindingen ontstaan uit asparagusinezuur dat in asperges voorkomt en zelf reukloos is. Het is nog niet bekend wanneer deze zwavelverbindingen ontstaan, vóór of na het bereiken van de blaas. Niet iedereen blijkt ‘aspergeplas' te kunnen produceren. Uit onderzoeken is gebleken dat ongeveer 75% van de mensen hiertoe in staat is en 25% niet. Voor dit verschijnsel gelden twee hypotheses:
1. Niet-produceerders missen de enzymen om asparagusinezuur om te zetten; de geurstoffen worden door hen niet gemaakt; 2. Bij niet-produceerders wordt het asparagusinezuur niet door de dunne darmwand in het bloed opgenomen.
Bij de tweede hypothese wordt verondersteld dat het asparagusinezuur bij produceerders van de aspergeplas op een bepaalde manier vanuit de dunne darm in het bloed wordt opgenomen.
Via welk transportmechanisme gaat dat?
Biologie algemeen
3/5 Het witte goud.
Het blijkt dat vrouwen die geen aspergeplas kunnen produceren dit soms wel doen tijdens een zwangerschap, als hun ongeboren kind de benodigde zwavelverbindingen produceert.
Leg uit welke van de twee voorgaande hypotheses door dit gegeven afvalt.
Biologie algemeen
4/5 Het witte goud.
Onderzoekers denken dat slechts 25% van de mensen tot het betrouwbaar herkennen van de geur in staat is. Twee leerlingen willen voor hun profielwerkstuk onderzoeken wie in hun klas in staat is om aspergeplas te produceren en wie in staat is om dit te ruiken. Ze beginnen de proef door iedereen een kop aspergesoep en vervolgens 400 gram asperges te laten eten. Na enige tijd produceert iedereen een urinemonster in een afsluitbaar potje. Alle leerlingen moeten vervolgens ieder urinemonster beoordelen op geur: wel of geen aspergeplas. De klas bestaat uit 28 leerlingen. Er wordt dus 28 x 28 = 784 keer een test uitgevoerd.
Bij hoeveel van deze 784 testen wordt naar verwachting een aspergeplas geconstateerd? Leg je antwoord uit.
Biologie algemeen
5/5 Het witte goud.
Omdat de vraag rees of het produceren van aspergeplas leeftijdgebonden is, willen de leerlingen het proefje uitvoeren voor de hele school (1700 leerlingen). De proefopzet die ze voor de klas hebben gebruikt is nogal omslachtig voor de hele school.
Beschrijf een proef die de leerlingen kunnen uitvoeren om snel een beeld van de leerlingen per leeftijdscategorie te krijgen met betrekking tot het produceren van aspergeplas.
Biologie algemeen
Planten meten. Zie figuur B 4888 van de bijlage.
Deze leerlingen meten de lengte van plantjes van een bepaalde grassoort.
Wat onderzoeken zij?
afbeelding
Biologie algemeen
Levenskenmerken.
Welke van de onderstaande beschrijvingen geven levenskenmerken aan?