Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
De onder- en bovenkant van bladeren van koolzaad en waterlelie (zie tekening) worden onderzocht op de aanwezigheid van huidmondjes. Bij koolzaad worden aan de ene kant 300 en aan de andere kant 700 huidmondjes per mm2
aangetroffen en bij de waterlelie 0 en 500 huidmondjes per mm2
.
Aan welke kant van de bladeren worden die aantallen huidmondjes aangetroffen?
afbeelding
afbeelding
Plantenfysiologie
Verdamping. Zie figuur B 813 van de bijlage.
Iemand doet een proef met een blad van een woestijnplant en een blad van een moerasplant. Beide bladeren zijn pas van de planten afgesneden en gelijk van gewicht. De snijvlakken van de stelen van de afgesneden bladeren worden ingevet om waterverlies vanuit de bladstelen tegen te gaan. De bladeren worden in de zon gelegd en regelmatig gewogen. Van beide bladeren is in het diagram het gewicht tegen de tijd uitgezet.
Welk van beide bladeren zal waarschijnlijk de dikste waslaag hebben? Welk van beide bladeren is waarschijnlijk afkomstig van de moerasplant?
afbeelding
afbeelding
Plantenfysiologie
Kiemproeven.
In afgesloten schalen zijn vier proeven (1 t/m 4) met zaden gedaan.
afbeelding
Uit de resultaten van deze vier proeven is af te leiden, dat
Plantenfysiologie
Kiemingsproeven. Zie figuur B 957 van de bijlage.
In vijf bakjes worden droge erwten onder verschillende omstandigheden gelegd om na te gaan of ze kiemen. De bakjes 2, 3, 4 en 5 zijn luchtdicht afgesloten.
In welke bakjes zullen zich uit de erwten kiemplantjes kunnen ontwikkelen?
afbeelding
Plantenfysiologie
Kieming bonenzaad. Zie figuur B 775 van de bijlage.
In de tekeningen zijn vier stadia van de ontkieming van een zaad van een bonenplant weergegeven. De zaadlobben in de stadia 1, 2 en 3 bevatten zetmeel. De bladeren in de stadia 3 en 4 bevatten bladgroen.
Heeft het zaad water nodig voor de ontkieming? En zuurstof?
afbeelding
afbeelding
Plantenfysiologie
Kieming bonenzaad. Zie figuur B 775 van de bijlage.
In welke stadia vindt verbranding plaats?
afbeelding
Plantenfysiologie
Kiemingsproeven. Zie figuur B 728 van de bijlage.
In een proefopstelling (zie tekening) bevinden zich zaden van een bepaalde plant. De zaden kiemen. De ontwikkeling van de kiemplantjes in schaal 2 gaat sneller dan die in schaal 1.
Welke van onderstaande conclusies uit deze proef is juist?
afbeelding
Plantenfysiologie
Kieming van zaad.
Als zaden kiemen krijgen ze de energie die ze daarvoor nodig hebben uit
Plantenfysiologie
Kiemingsproef. Zie figuur B 1700 van de bijlage.
In een hoog bekerglas, waaromheen een kartonnen koker wordt geplaatst (zie nevenstaande figuur) bevindt zich uitgekookt water. De temperatuur van het water en van de omgeving bedraagt 20°C. Op een stokje is een aantal erwten geprikt. Het blijkt dat alleen de erwten die zich direct onder de waterspiegel bevinden, na enkele dagen zichtbaar gaan kiemen.
Dat de erwten in dieper gelegen waterlagen niet zichtbaar gaan kiemen komt omdat daar
afbeelding
Plantenfysiologie
Kiemingsproeven.
Het volgende experiment wordt uitgevoerd.
We nemen 2 glazen potten (I en II). In elke pot doen we evenveel bonen die door wateropname gezwollen zijn. Pot I zetten we op een warme plaats (25°C). Pot II zetten we op een koude plaats (10°C). Alle bonen ontvangen evenveel licht.
Welke van onderstaande beweringen met betrekking tot dit experiment is juist?
Plantenfysiologie
Kiemingsproef. Zie figuur B 1911 van de bijlage.
Iemand heeft twee reageerbuizen die zijn gevuld zoals in de afbeelding is aangegeven.
In welke van de weergegeven buizen zullen de zaden ontkiemen?
afbeelding
Plantenfysiologie
Een proef met erwten. Zie figuur B 2303 van de bijlage.
Tien erwten (groep 1) wegen samen 20 gram. Deze erwten worden in een droogstoof gelegd. In die droogstoof verdampt al het water uit die erwten. Ze wegen dan samen nog 10 gram. Tien andere erwten (groep 2) wegen samen ook 20 gram. Zij worden op nat papier gelegd. Na een week zijn het kiemplantjes geworden en wegen zij samen 40 gram. Ook deze plantjes gaan in de droogstoof. Als ze eruit komen, wegen ze samen nog 5 gram. De kiemplantjes zijn nu helemaal verdroogd. In de afbeelding is deze proef schematisch weergegeven. De erwten die zijn gekiemd voor ze de droogstoof ingingen (groep 2), hebben een ander gewicht na het drogen dan de erwten die ongekiemd zijn gedroogd (groep 1).
Wat is hiervoor de verklaring?
afbeelding
Plantenfysiologie
Een ontkiemende maïskorrel.
Een maïskorrel ontkiemt in de bodem en neemt daarbij water op. Enkele stoffen zijn: glucose, koolstofdioxide en zuurstof.
Welke van deze stoffen neemt de maïskorrel nog meer uit de omgeving op, vóórdat het kiemplantje boven de grond komt?
Plantenfysiologie
Kieming.
Om te kunnen kiemen moeten zaden opnemen:
Plantenfysiologie
Kiemende boon.
Het worteltje van een kiemende bruine boon groeit de vochtige grond in.
Uit welke stof(fen) verkrijgen de cellen van dit worteltje de energie voor deze groei?
Plantenfysiologie
Kiemingsproef.
In een met lucht gevulde, afgesloten thermosfles bevindt zich een aantal kiemende bonen. Tijdens de kieming worden regelmatig de temperatuur en het koolstofdioxidegehalte van de lucht in de thermosfles gemeten.
Welke veranderingen treden op?
afbeelding
Plantenfysiologie
Kieming.
Is voor het kiemen van zaden koolstofdioxide nodig? En licht?
afbeelding
Plantenfysiologie
Kiemingsproeven. Zie figuur B 726 van de bijlage.
In vier opstellingen worden droge maïskorrels op natte watten gelegd (zie tekening).
In welke opstellingen zullen zich uit de maïskorrels kiemplantjes gaan ontwikkelen?
afbeelding
Plantenfysiologie
Kiemingsproeven. Zie figuur B 727 van de bijlage.
De volgende proefopstelling staat in het donker.
Kunnen in bak 1 uit de zaden kiemplantjes ontstaan? En in bak 2?
afbeelding
afbeelding
Plantenfysiologie
Groei van bonenplanten.
Enkele factoren die een rol spelen bij de groei van bonenplanten zijn:
1. licht, 2. water, 3. zuurstof, 4. voedsel in zaadlobben.
Welke van deze factoren zijn noodzakelijk voor de kieming van bonen?