Oefentoets Biologie: Evolutie - afstamming | VWO 4/VWO 5/VWO 6

Deze oefentoets bevat 29 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

29

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Evolutie

1/5 Afstamming.
Zie figuur B 1229 van de bijlage.

In de afbeelding is een stamboom van enkele soorten organismen schematisch getekend. Elk rondje stelt een soort voor.

Welke soort is eerder ontstaan, soort 1 of soort 9?

Soort [invulveld]

afbeeldingafbeelding

Evolutie

2/5 Afstamming.
Zie figuur B 1229 van de bijlage.

Welke soort is uitgestorven, soort 1 of soort 6?

Soort [invulveld]

afbeeldingafbeelding

Evolutie

3/5 Afstamming.
Zie figuur B 1229 van de bijlage.

Welke soort is ingewikkelder gebouwd, soort 1 of soort 11?

Soort [invulveld]

afbeeldingafbeelding

Evolutie

4/5 Afstamming.
Zie figuur B 1229 van de bijlage.

Met welke soort vertoont soort 7 de meeste verwantschap, met soort 6 of met soort 8?

Soort [invulveld]

afbeeldingafbeelding

Evolutie

5/5 Afstamming.
Zie figuur B 1229 van de bijlage.

Welke soort is een gemeenschappelijke voorouder van soort 2 en soort 3, soort 8 of soort 10?

Soort [invulveld]

afbeeldingafbeelding

Evolutie

1/3 Evolutie.
Zie figuur A 681 van de bijlage.

Het schema van de afbeelding laat een mogelijke afstamming zien van micro-organismen, planten en dieren. De indeling berust onder meer op analysegegevens van een bepaald type RNA (16S-RNA) in cellen. Op een aantal plaatsen in het schema staan cijfers (1 t/m 4).

In het schema ontbreekt de groep van de methaanbacteriën. Het 16S-RNA van methaanbacteriën wijkt sterk af van dat van de eukaryoten en van de eubacteriën.

Op welke van de plaatsen 1, 2, 3 en 4 in het schema moeten de methaanbacteriën worden geplaatst?

afbeeldingafbeelding

Evolutie

2/3 Evolutie.
Zie de figuren B 2830, A 681 en A 682 van de bijlage.

In het schema van de afbeelding A 681 staan de namen ‘mitochondrium' en ‘chloroplast'. Volgens de endosymbiose-theorie waren mitochondriën en chloroplasten oorspronkelijk vrijlevende bacteriën die in een oerkaryote cel zijn opgenomen. In afbeelding B 2830 is een oerkaryote cel weergegeven.

De stadia in de evolutie, zoals de endosymbiose-theorie die veronderstelt, zijn in willekeurige volgorde weergegeven in afbeelding A 682.

Wat is volgens de endosymbiose-theorie de juiste volgorde van de stadia die in de afbeelding zijn weergegeven?

afbeeldingafbeelding




-

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Evolutie

3/3 Evolutie.

DNA van een mitochondrium bevat minder nucleotidenparen dan DNA van een bacterie. Volgens de endosymbiose-theorie zou het aantal nucleotidenparen bij het begin van de evolutie van een mitochondrium groter zijn geweest, namelijk even groot als dat van de bacterie waaruit het mitochondrium zou zijn ontstaan. Hierover worden de volgende beweringen gedaan:

1. De evolutie is gericht op het selecteren van het kleinste aantal nucleotiden.
2. Bij elke stap in de selectie die tijdens de evolutie plaatsvindt, wordt het aantal nucleotiden kleiner.
3. In een mitochondrium vinden gespecialiseerde processen plaats waarvoor een beperkte hoeveelheid nucleotidenparen is geselecteerd.

Welke van deze beweringen geeft in overeenstemming met de evolutietheorie de beste verklaring voor het huidige aantal nucleotidenparen in een mitochondrium?

Evolutie

Endosymbiose.

Men denkt dat de chloroplasten van planten geëvolueerd zijn uit cyanobacterie-achtige organismen via endosymbiose.

Welk van de volgende beweringen ondersteunt of welke ondersteunen deze bewering?

Evolutie

Aminozuurvolgordes.

Een bioloog bepaalde de aminozuur (AZ)-volgorde bij een aantal diersoorten en vergeleek de verschillen in die AZ-volgorde steeds bij twee soorten.

Welke resultaten sluiten het best aan bij de nu geaccepteerde systematiek?

Evolutie

Een groep vinken.
Zie figuur B 5649 van de bijlage.

Als een groep vinken nu zou vertrekken van het vasteland van Ecuador naar de Galápagos-eilanden, wat zou er dan gebeuren?

afbeeldingafbeelding

Evolutie

Beweringen over evolutie.

Welke van de volgende beweringen is onjuist?

Evolutie

1/5 Verwantschapsanalyse.
Zie figuur B 5663 van de bijlage.

Bij onderzoek naar verwantschap tussen populaties en soorten wordt DNA-sequentie-analyse toegepast, gebaseerd op mitochondriaal DNA. Om binnen een populatie onderscheid te maken, gebruikt men vaak introns die snel muteren. Voor onderzoek aan soorten, geslachten, families en ordes gebruikt men daarentegen langzaam muterende exons in het gen voor cytochroom b . De basenvolgordes in cytochroom b bij verschillende soorten zoogdieren zijn afgebeeld in de figuur hiernaast.

Vul het aantal verschillen in basenvolgorde tussen de blauwe vinvis en de andere zoogdieren in.
Gebruik het onderstaande schema.
afbeeldingafbeelding
P = [invulveld]
Q = [invulveld]
R = [invulveld]
S = [invulveld]
T = [invulveld]




-

afbeeldingafbeelding

Evolutie

2/5 Verwantschapsanalyse.
Zie figuur B 5664 van de bijlage.

Vanuit de verschillen in de basenvolgorde kan men een stamboom opstellen, zoals in de figuur hiernaast is te zien.

Leg de positie van de blauwe vinvis in de stamboom uit. Betrek het schema uit de vorige vraag in je antwoord.

afbeeldingafbeelding

Evolutie

4/5 Verwantschapsanalyse.

Welk voordeel is er aan het gebruik van snel muterende introns bij het onderscheid tussen populaties en welk voordeel aan het gebruik van het gen voor cytochroom b bij het onderscheid tussen soorten?

Evolutie

5/5 Verwantschapsanalyse.

Verwantschapsanalyse was vroeger vooral gebaseerd op morfologische kenmerken (vormverschillen) en op verschillen in het skelet.

Noem twee voordelen van DNA-sequentie-analyse t.o.v. deze technieken.

Evolutie

1/3 Cladogram.

Je kunt evolutionaire verwantschappen op het spoor komen met behulp van de cladistische methode. Daarbij kijk je naar specifieke kenmerken van soorten.
Je ziet een voorbeeld van zulke kenmerken in onderstaande tabel ( + = kenmerk aanwezig, - = kenmerk afwezig).
afbeeldingafbeelding
Sommige soorten hebben twee of meer kenmerken gemeen, wat zou kunnen betekenen dat ze verwant zijn. Maar zeker is dat niet, het kan ook een resultaat zijn van convergentie.
Je kunt in een cladogram de mogelijke afstamming van soorten aangeven.
Als je b.v. vier soorten bekijkt, dan zijn er qua vorm twee mogelijke cladogrammen mogelijk.
afbeeldingafbeelding
Daarnaast worden in het cladogram de gemeenschappelijke kenmerken aangegeven, waarbij je het nummer van het kenmerk bij de vertakking zet.

Zie volgende scherm




-

Evolutie

2/3 Cladogram.

In het voorbeeld hiervoor met vier soorten zijn er 15 cladogrammen mogelijk.
Om te beoordelen wat het meest realistische cladogram is, gebruikt men als criterium parsimonie. Dat betekent dat de simpelste oplossing wordt gekozen, de oplossing met het kleinste aantal mogelijke vertakkingen.
In dit geval ziet dat er uit als hieronder.
afbeeldingafbeelding

Zie volgende scherm

Evolutie

3/3 Cladogram.
Zie figuur B 5669 van de bijlage.

Maak nu zelf het beste cladogram voor de soorten P, Q, R en S.
Voor deze soorten gelden de volgende regels:

1. alleen P en Q leven in de woestijn;
2. alleen R en S vormen zaden;
3. alle 4 soorten hebben chlorofyl;
4. alleen P en Q vormen sporen;
5. P heeft als enige geen vaten;
6. alleen R en S vormen bloemen;
7. alleen bij Q, R en S is de sporofyt het belangrijkste;
8. alleen P heeft geen wortels.

Bekijk het niet ingevulde cladogram hiernaast.
Zet de cijfers en letters uit het cladogram in de rechter kolom bij de juiste nummers en letters in de linker kolom.

afbeeldingafbeelding
  • P
  • Q
  • 3
  • 5, 7 en 8
  • R
  • 2 en 6
  • A
  • B
  • Nr. I
  • Nrs. II,III en IV
  • C
  • Nrs. V en VI

Evolutie

Kraaien.
Zie figuur B 5684 van de bijlage.

In Europa leven twee ondersoorten van de soort Corvus corone: de Bonte kraai (Corvus corone cornix) en de Zwarte kraai (Corvus corone corone). Tijdens de ijstijd verbleven de meeste kraaien in Azië. Een deel verbleef echter in Spanje. Tijdens deze periode van isolatie kregen beide populaties een verschillend uiterlijk, hetgeen nog steeds te zien is. In Schotland, Denemarken en Duitsland komen de Bonte kraai en de Zwarte kraai beide voor en kruisingen zijn niet erg zeldzaam. Deze kruisingen tussen beide ondersoorten blijken wel fertiel te zijn, maar de nakomelingen hebben een sterk verlaagde vruchtbaarheid.
Uit bovenstaande gegevens kan men afleiden van welke vorm of vormen van isolatie hier sprake is.

Van welke?

afbeeldingafbeelding

Evolutie

Nieuwe soort mensapen ontdekt.
Zie figuur B 5686 van de bijlage.

Een onderzoeksteam heeft een nieuwe soort gibbons, dat zijn apen die leven in de boomtoppen, ontdekt in de Zuid-Aziatische jungle:de noordelijke geelwanggibbon, Nomascus annamensis.
Tot dusver waren slechts zes soorten gibbons bekend, die alleen in Zuid-Azië voorkomen. Nomascus annamensis leeft in het bergachtige gebied tussen Vietnam, Laos en Cambodja. Rivieren vormen de grens tussen de populaties van de verschillende soorten.

Evolutiebiologen nemen aan dat de zeven soorten geëvolueerd zijn uit één oersoort. De ontwikkeling van deze zevende soort heeft onder andere plaatsgevonden dankzij een bepaald type isolatie.

Welk type isolatie?

afbeeldingafbeelding

Evolutie

Soorten vinken.

Men heeft bij een eilandengroep gevonden dat het aantal soorten vinken dat niet elders op de eilanden voorkomt op de relatief grote eilanden in het centrum van de groep kleiner is dan op de relatief kleine eilanden aan de rand van de eilandengroep.

Waaraan zal de neo-darwinist dit verschil toeschrijven?

Evolutie

Mutatie in koraalvisje.

In een klein koraalvisje van een bepaalde populatie vindt een mutatie plaats met als gevolg een verandering van de schutkleur, waardoor de fitness is vergroot.

Noem drie factoren die ertoe kunnen bijdragen dat na 20 jaar deze nieuwe schutkleur niet in de desbetreffende populatie is terug te vinden.

Evolutie

Morfologische evolutiemechanismen.
Zie figuur B 5696 van de bijlage.
Zie figuur B 5697 van de bijlage.

Er bestaat een evolutiemechanisme om de morfologische gelijkenissen tussen niet verwante soorten te verklaren. Dit mechanisme zou ook werken op niveau van de DNA sequentie.
Figuur B 5696 hiernaast toont resp. een cactus uit de Amerikaanse woestijn en een wolfsmelk uit de Afrikaanse woestijn, niet verwante soorten, die volgens dit mechanisme zouden kunnen zijn geëvolueerd.
Figuur B 5697 toont stambomen op moleculair niveau.

Welke moleculaire boom uit figuur 2 is het beste model voor het morfologische evolutiemechanisme dat optreedt bij niet verwante soorten? De symbolen A, C, G en T op de moleculaire evolutiebomen stellen DNA basen voor.

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding