Oefentoets Biologie: Plantenanatomie - Plantenanatomie | HAVO 4/HAVO 5

Deze oefentoets bevat 69 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

69

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Plantenanatomie

Een worteldoorsnede.
Zie figuur B 431 van de bijlage.

De afbeelding stelt een deel van een dwarsdoorsnede van een jonge wortel van een zaadplant voor. Vier delen zijn aangegeven met P, Q, R en S.
Drie plaatsen in de wortel zijn:

1. het wortelmutsje,
2. het gebied waar de meeste plasmagroei plaatsvindt,
3. het gebied boven de wortelhaarzone.

Op welke van deze plaatsen zal waarschijnlijk de doorsnede uit de afbeelding zijn gemaakt?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie

Ouderdom van boom.
Zie figuur B 65 van de bijlage.

Iemand wil van een grote omgevallen boom met een holle stam weten hoe oud deze is. Hij overweegt daartoe het volgende te doen:

1. de boom in de lengte doorzagen en de jaarringen op de verkregen lengtedoorsnede tellen,
2. de dikste zijtak op plaats Q doorzagen en de daar aanwezige jaarringen tellen,
3. de omtrek van de stam bij P meten.

Kan hij met behulp van één van deze werkwijzen precies bepalen hoeveel jaar deze boom geleefd heeft?
Zo ja, met welke werkwijze?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie

Dwarsdoorsnede takje.
Zie figuur B 480 van de bijlage.

De afbeelding stelt een deel van een dwarsdoorsnede van een takje van een lindeboom voor.

Welk cijfer geeft de laatstgevormde bast aan?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie

Dennentak.
Zie figuur B 1115 van de bijlage.

Uit een afgezaagde dennentak wordt een stukje gesneden zoals in tekening 1 van de afbeelding is weergegeven. De structuur van dit stukje is in tekening 2 schematisch getekend.

Is deze tak afgezaagd midden in het voorjaar, aan het begin van de zomer of midden in de winter?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie

Dennentak.
Zie figuur B 1115 van de bijlage.

Uit een afgezaagde dennentak wordt een stukje gesneden zoals in tekening 1 van de afbeelding is weergegeven. De structuur van dit stukje is in tekening 2 schematisch getekend.

Heeft deze tak gedurende 3, 4 of 8 jaar levend aan de dennenboom gezeten?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie

Jaarringen.
Zie figuur A 167 van de bijlage.

De afbeelding geeft een dwarsdoorsnede van een stuk hout weer. Houtvat P is in 1986 gevormd.

In welk jaargetijde en in welk jaar zijn de houtvaten op plaats Q gevormd?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie

1/3 Lengtedoorsnede dennentak.
Zie figuur C 16 van de bijlage.

In de afbeelding is tekening 1 een lengtedoorsnede van een deel van het hout van een dennentak uit Nederland. P geeft parenchymcellen in het hout aan.
Tekening 2 is een deel van een dwarsdoorsnede van dezelfde dennentak.
In het hout in tekening 1 zijn drie lijnen getekend: EF, GH en KL.

Welke van deze lijnen geeft de grens weer tussen najaarshout en het hout, dat in het daaropvolgende voorjaar is gevormd?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie

2/3 Lengtedoorsnede dennentak.
Zie figuur C 16 van de bijlage.

In de afbeelding is tekening 1 een lengtedoorsnede van een deel van het hout van een dennentak uit Nederland. P geeft parenchymcellen in het hout aan.
Tekening 2 is een deel van een dwarsdoorsnede van dezelfde dennentak.
In het hout in tekening 1 zijn drie lijnen getekend: EF, GH en KL.

Bevatten de celwanden op plaats Q in tekening 2 cellulose, houtstof of beide stoffen?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie

3/3 Lengtedoorsnede dennentak.
Zie figuur C 16 van de bijlage.

In de afbeelding is tekening 1 een lengtedoorsnede van een deel van het hout van een dennentak uit Nederland. P geeft parenchymcellen in het hout aan.
Tekening 2 is een deel van een dwarsdoorsnede van dezelfde dennentak.
In het hout in tekening 1 zijn drie lijnen getekend: EF, GH en KL.
In tekening 2 zijn drie plaatsen aangegeven met X, Y en Z. Op één van deze plaatsen bevinden zich parenchymcellen zoals deze in tekening 1 met P zijn aangegeven.

Op welke van deze plaatsen bevinden zich die parenchymcellen?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie

Groei.
Zie de figuren B 419 en C 45 van de bijlage.

In de afbeelding B 419 zijn schematisch een lengtedoorsnede van een jonge wortel getekend en een dwarsdoorsnede van een jonge tak. De ligging van de delingsweefsels is met een onderbroken lijn aangegeven.

Aan vier leerlingen wordt gevraagd te tekenen hoe de ligging van het delingsweefsel in deze delen is na een groeiperiode van enkele maanden.
.

Zij tekenen ieder opnieuw de uitgangssituatie en daarnaast de situatie na enkele maanden.
Zie afbeelding C 45.

Welke leerling heeft juiste tekeningen gemaakt?

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Plantenanatomie

Een boomdoorsnede.
Zie figuur B 256 van de bijlage.

De tekening stelt een deel van een dwarsdoorsnede van een boomstam voor.

Bevindt vat P zich dichter bij het centrum van de stam dan vat Q?
Is vat P ouder dan vat Q?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie

Lengtedoorsnede van deel van stengel.
Zie figuur B 603 van de bijlage.

De tekening stelt een lengtedoorsnede voor van een deel van de stengel van een zaadplant.

Welk cijfer verwijst naar het cambium?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie

Dwarsdoorsnede boomstam.
Zie figuur B 338 van de bijlage.

In een dwarsdoorsnede van een boomstam is het hout dat in een jaar is gevormd, te zien als een jaarring.
Van een boom wordt de stam op de plaatsen 1 en 2 doorgezaagd (zie tekening).

Is het aantal jaarringen op de plaatsen 1 en 2 gelijk of verschillend?
Is de omtrek van de laatstgevormde jaarring op de plaatsen 1 en 2 gelijk of verschillend?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie

Dwarsdoorsnede takje.
Zie figuur B 358 van de bijlage.

De tekening stelt een deel van een dwarsdoorsnede van een eikentakje voor.

Welk cijfer geeft het laatst gevormde hout aan?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie

Houtweefsel.
Zie figuur B 2496 van de bijlage.

De tekening stelt een stukje houtweefsel voor.

Is met de letters P cambium aangegeven?
Komt in het gedeelte tussen de letters Q en R voorjaarshout voor?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie

Een tak.
Zie figuur B 2355 van de bijlage.

De afbeelding geeft schematisch een dwarsdoorsnede weer van een tak die in de herfst is afgezaagd.

Met welk cijfer is het deel aangegeven waardoor in de zomer voorafgaand aan deze herfst de grootste hoeveelheid organische stoffen werd vervoerd?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie

Een groeiende wortel.
Zie figuur A 158 van de bijlage.

In de afbeelding is in tekening 1 schematisch een worteltopje weergegeven.
Twee gebieden P en Q zijn met inkt op de wortel gemarkeerd. In tekening 2 is hetzelfde worteltopje weergegeven zoals het er twee dagen later uitziet.
Over dit worteltopje worden drie beweringen gedaan:

1. De afstand tussen P en Q is vooral groter geworden doordat het aantal cellen tussen P en Q is toegenomen.
2. Het gebied Q is vooral groter geworden doordat in dat gebied celstrekking is opgetreden.
3. De wortelharen in tekening 2 zijn dezelfde als de wortelharen in tekening 1.

Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie

Wortelgroei.

Een bepaalde meerjarige plant heeft slechts één hoofdwortel, die recht naar beneden groeit. Op een bepaald moment bevinden zich hieraan de wortelharen op 25 cm diepte.
Op hetzelfde moment bevindt zich een litteken aan deze wortel op 5 cm diepte.
Een jaar later bevindt zich het aardoppervlak nog op dezelfde hoogte.

Op welke diepte bevinden zich na dit jaar de wortelharen?
En op welke diepte bevindt zich dan het litteken?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Bladeren van waterranonkel.
Zie figuur B 442 van de bijlage.

Bij de Waterranonkel, een zoetwaterplant, zijn de bladeren onder en boven water verschillend van vorm.
Over het ontstaan van het verschil tussen de bladeren onder en boven water tijdens de groei van deze waterranonkel, worden de volgende beweringen gedaan:

1. het verschil ontstaat door modificatie,
2. het verschil ontstaat door mutatie,
3. het verschil ontstaat door selectie,
4. het verschil ontstaat door verschil in genotype tussen de bladeren onder en boven water.

Welke van deze beweringen is juist?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Boomstammen.
Zie figuur B 1102 van de bijlage.

De stam van de middelste boom op de afbeelding is dunner dan die van de beide andere bomen.

Wat kan de oorzaak of wat kunnen de oorzaken zijn?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Jaarringen.

In Californië groeien op een hoogte van ongeveer 3500 m zeer oude sparrenbomen. Bij het meten van de jaarringen van zulke sparrenbomen bleek de gemiddelde dikte van een jaarring uit de periode 1850 - 1859 0,34 mm te zijn en uit de periode 1974 - 1983 0,70 mm.
Ter verklaring van het verschil in gemiddelde dikte van de jaarringen worden vier veronderstellingen gedaan:

1. Het koolstofdioxidegehalte in de atmosfeer is in de periode 1974 - 1983 lager geweest dan in de periode 1850 - 1859.
2. Het koolstofdioxidegehalte in de atmosfeer is in de periode 1974 - 1983 hoger geweest dan in de periode 1850 - 1859.
3. De gemiddelde temperatuur is in de periode 1974 - 1983 lager geweest dan in de periode 1850 - 1859.
4. De gemiddelde temperatuur is in de periode 1974 - 1983 hoger geweest dan in de periode 1850 - 1859.

Welke van deze veronderstellingen kan of welke kunnen een verklaring zijn voor het verschil in dikte van de jaarringen?

Plantenfysiologie

Jaarringen.

Het onderzoek van jaarringen van bomen geeft informatie over de weersgesteldheid in de jaren waarin de jaarringen ontstonden. Als hulpmiddel bij dit onderzoek kan een keuze gedaan worden uit een belichtingsmeter, een meetlat, een thermometer en een vochtmeter. Een boomstam wordt doorgezaagd.

Met welk hulpmiddel kan de meeste informatie worden verkregen?

Plantenfysiologie

Processen in een plant.

Welke van de hieronder genoemde verschijnselen zal men bij de groei (volumetoename) van een kruidachtige plant kunnen waarnemen?

1. toename van de verhouding tussen drooggewicht en versgewicht.
2. afname van de verhouding tussen drooggewicht en versgewicht.
3. de assimilatie-intensiteit is groter dan de dissimilatie-intensiteit.
4. de assimilatie-intensiteit is kleiner dan de dissimilatie-intensiteit.
5. de assimilatie-intensiteit is gelijk aan de dissimilatie-intensiteit.

De waarneembare verschijnselen zijn uitsluitend

Plantenfysiologie

Stekken van een plant.

Wanneer een pas afgesneden stengel van een Vlijtig Liesje (kruidachtige plant) in water wordt gezet, ontwikkelen zich hieraan wortels.

De ontwikkeling van deze wortels begint met deling van cellen uit

Plantenfysiologie

Groei van kiemplantje.

Een kiemplantje van een eik wordt in een oplossing met voedingszouten geplaatst. Na een jaar is de plant 200 gram zwaarder geworden.
De plant heeft 2 gram van de zouten opgenomen.

Hoeveel water en CO2 heeft de plant opgenomen?
Is er water gebruikt bij de celgroei?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Zuurstofopname in wortel.
Zie figuur B 328 van de bijlage.

In het diagram is de zuurstofopname, uitgedrukt in mL per uur per gram versgewicht, op verschillende afstanden van de worteltop van een kiemend zaadje, weergegeven.

Aan welk proces moet de grote zuurstofopname bij P vooral toegeschreven worden?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Stengeltop.

In de top van een stengel bevindt zich delingsweefsel.

Door welk proces worden nieuw gevormde cellen even groot als een oorspronkelijke cel vóór de deling?

Plantenfysiologie

Jaarringen.
Zie figuur B 338 van de bijlage.

In een dwarsdoorsnede van een boomstam is het hout dat in een jaar is gevormd, te zien als een jaarring.
Van een boom wordt de stam op de plaatsen 1 en 2 doorgezaagd (zie tekening).

Is het aantal jaarringen op de plaatsen 1 en 2 gelijk of verschillend?
Is de omtrek van de laatstgevormde jaarring op de plaatsen 1 en 2 gelijk of verschillend?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Vorming van bloemknoppen.

In experimenten werd bij planten van dezelfde soort het verband bepaald tussen de vorming van bloemknoppen en de duur van afwisselende donker- en lichtperioden. Tussen twee series experimenten bleek het aantal gevormde bloemknoppen te variëren (zie tabel).
afbeeldingafbeelding

Welke van de onderstaande conclusies uit deze gegevens is juist voor deze planten?

Plantenfysiologie

Cambium.

Is het cambium in de stam van een lijsterbes het meest actief in het voorjaar of in het najaar?
Ontstaat door dit cambium lengtegroei of diktegroei?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Boom met verschillende bladkleuren.

Aan een boom is in het voorjaar een tak met lichtgele bladeren verschenen. Aan de andere takken, die in datzelfde voorjaar gevormd zijn, zijn uitsluitend groene bladeren ontstaan.

Twee beweringen over deze tak met lichtgele bladeren zijn:

I. De lichtgele kleur wordt veroorzaakt door gebrek aan bepaalde zouten in de bodem.
II. Het vermogen chlorofyl te vormen is door een mutatie in de aanleg van de knop waaruit deze tak ontstaan is, verloren gegaan.

Plantenfysiologie

Groei van maisplanten.
Zie figuur B 1116 van de bijlage.

Een onderzoeker wil de invloed van een bepaalde stof S op de groei van maïsplanten bestuderen. Hij maakt vijf voedingsoplossingen met de volgende samenstellingen:

1. alleen gedestilleerd water.
2. gedestilleerd water met alle benodigde voedingszouten.
3. gedestilleerd water met alle benodigde voedingszouten en y mg van de stof S.
4. gedestilleerd water met alle benodigde voedingszouten en 2y mg van de stof S.
5. gedestilleerd water met alle benodigde voedingszouten en 3y mg van de stof S.

In elke oplossing laat hij evenveel maïsplanten groeien. De maïsplanten zijn even oud. De resultaten zijn te zien in de afbeelding.
Hij overweegt de volgende conclusies op grond van zijn resultaten:

1. Deze stof S heeft geen invloed op de bladontwikkeling.
2. Deze stof S heeft alleen invloed op de lengtegroei van de wortels.
3. Hoe hoger de concentratie van deze stof S, des te slechter zijn de groei en de ontwikkeling van de wortels.

Welke van deze conclusies is juist?




-

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Broedknoppen van het Broedblad.
Zie figuur B 443 van de bijlage.

Aan de rand van de bladeren van het Broedblad (Bryophyllum), een bekende kamerplant, kunnen zich broedknoppen ontwikkelen, die uitgroeien tot jonge plantjes.
Op een bepaald moment vallen deze broedknoppen van het blad op de grond en kunnen dan uitgroeien tot volwassen planten.

Ontstaan de broedknoppen uit bastvaten, houtvaten, deelweefsel of steunweefsel?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Een zaad.

Een zaad van de bonenplant bevat veel reservevoedsel. Gedurende de eerste dagen na het begin van de kieming neemt de totale hoeveelheid organische stoffen in het zaad af. Hiervoor worden de volgende verklaringen gegeven:

1. Het kiemplantje geeft organische stoffen direct af aan het omringend milieu.
2. Het kiemplantje verbruikt organische stoffen bij de fotosynthese.
3. Het kiemplantje verbruikt organische stoffen bij de dissimilatie.
4. Het kiemplantje neemt zouten op waardoor de hoeveelheid organische stoffen afneemt.

Welke van deze verklaringen is juist?

Plantenfysiologie

Groei van kiemende zaden.

Uit kiemende zaden groeit een jong plantje. Voor deze ontwikkeling is nodig

Plantenfysiologie

Kieming van erwten.
Zie figuur B 434 van de bijlage.

In een experiment wordt gedurende 10 dagen het verloop van de kieming van erwten bestudeerd. Vanaf het begin van de kieming tot het stadium waarin vier bladeren aanwezig zijn, wordt steeds van een aantal plantjes (met zaadlobben) het drooggewicht bepaald. Het drooggewicht van een plant is het gewicht nadat alle water er uit is verwijderd.

In het diagram van figuur B 434 geeft één van de vier grafieken het verband weer tussen de tijd en het drooggewicht van de erwtenplantjes (met zaadlobben).

Welke grafiek geeft dit verband juist weer?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Een wilgentak.
Zie figuur B 1395 van de bijlage.

Een onderzoeker snijdt in het voorjaar twee stukjes tak van een wilg. Hij hangt de stukjes in een vochtige ruimte waarin de verlichtingssterkte op alle plaatsen dezelfde is. Het ene stukje tak (1) hangt hij met de bovenkant boven, het andere stukje tak (2) met de onderkant boven.
Beide takken lopen uit en vormen wortels en stengels met blaadjes. De wijze van uitlopen is weergegeven in de afbeelding.
Factoren die een rol spelen bij de ontwikkeling van planten zijn:

1. luchtvochtigheid,
2. temperatuur,
3. verlichtingssterkte,
4. zwaartekracht.

Welke van deze factoren speelt of welke spelen in deze proef een rol bij het bepalen van de richting waarin de wortels en stengels zich ontwikkelen?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Aardappelknollen.

Twee knollen, afkomstig van dezelfde aardappelplant, beginnen uit te lopen. De ene knol wordt in het donker bewaard, de andere in het licht. Alle andere omstandigheden zijn gelijk.

Onder welke omstandigheden zullen na een week de langste uitlopers zijn ontstaan?
Onder welke omstandigheden zullen na een week de ontstane uitlopers het groenst zijn?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Invloed van rassen op elkaars groei.

Van een bepaalde plantensoort komen twee rassen voor. Een kwekerij wil weten of aanwezigheid van ras 1 de groei van ras 2 nadelig beïnvloedt.

Welk experiment moet de kweker uitvoeren om dit uit te zoeken?

Plantenfysiologie

Groei van kruidachtige plant.

Een kruidachtige plant van 100 gram wordt in een pot opgekweekt tot een gewicht van 500 gram. Voor deze gewichtstoename zijn allerlei stoffen opgenomen, zoals:

1. water uit de grond;
2. zouten uit de grond;
3. koolstofdioxide uit de lucht.

Welke van deze stoffen draagt het meest bij aan de gewichtstoename en welke draagt het minst bij?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Aardappels.
Zie figuur A 3 van de bijlage.

Uit twee aardappels P en Q van hetzelfde ras en van gelijk gewicht groeien aardappelplanten. Na enige tijd hebben de aardappels zich ontwikkeld zoals is getekend in de afbeelding. Op één factor na waren de factoren die van invloed zijn op de ontwikkeling van beide aardappelplanten, gelijk.
Factoren die invloed hebben op de ontwikkeling van planten, zijn onder andere licht, samenstelling van de lucht, temperatuur en water.

Welke van deze factoren veroorzaakt het verschil tussen de ontwikkeling van de planten P en Q (zie de afbeelding in figuur A 3)?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Aardappels.
Zie figuur A 3 van de bijlage.

Uit twee aardappels P en Q van hetzelfde ras en van gelijk gewicht groeien aardappelplanten. Na enige tijd hebben de aardappels zich ontwikkeld zoals is getekend in de afbeelding. Op één factor na waren de factoren die van invloed zijn op de ontwikkeling van beide aardappelplanten, gelijk.
Factoren die invloed hebben op de ontwikkeling van planten, zijn onder andere licht, samenstelling van de lucht, temperatuur en water.

Vier processen zijn:
celstrekking, differentiatie, plasmagroei en specialisatie.

Welk van deze processen heeft vooral de grote lengtegroei van de stengel van aardappelplant P uit de afbeelding veroorzaakt?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Celstrekking.

Een cel in een worteltop groeit door celstrekking. De cel wordt ongeveer 10 maal zo lang. De dikte van de celwand blijft vrijwel gelijk.

Welke van de stoffen koolhydraten, water en zouten neemt deze cel tijdens de strekking op?

Plantenfysiologie

Groei van kiemplantjes en belichting.
Zie figuur B 1437 van de bijlage.

Vele factoren zijn van invloed op de groei van kiemplantjes. Eén van deze factoren is licht.
Over de groei van kiemplantjes van haver en de invloed van licht daarop worden vier veronderstellingen gedaan:

1. Groei van kiemplantjes van haver vindt alleen in de top plaats.
2. Alleen het topje van een kiemplantje van haver is gevoelig voor de richting van de lichtinval.
3. Het hele kiemplantje van haver is gevoelig voor de richting van de lichtinval.
4. Kiemplantjes van haver groeien alleen in het licht.

Er worden drie experimenten uitgevoerd. De resultaten zijn als volgt:


Als een kiemplantje van opzij wordt belicht, buigt het naar het licht toe (zie tekening 1 in de afbeelding B 1437). Als de top van het kiemplantje met een kapje wordt afgedekt, groeit het ondanks de belichting recht omhoog (zie tekening 2 in de afbeelding B 1437). Als een koker om het kiemplantje wordt geschoven waardoor alleen de top wordt belicht, buigt het topje naar het licht toe (zie tekening 3 in de afbeelding B 1437).

Welke van de genoemde veronderstellingen is zeker juist op grond van de resultaten van deze experimenten?




-

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Brandnetels.

Bij brandnetels komen mutanten met weinig bladgroen voor. Met deze mutanten en gewone brandnetels worden de volgende experimenten gedaan: experiment 1: vier gewone brandnetels worden samen opgekweekt, experiment 2: twee gewone brandnetels en twee mutanten worden samen opgekweekt, experiment 3: vier mutanten worden samen opgekweekt.

De drie experimenten worden onder gelijke omstandigheden uitgevoerd. Na zes weken wordt het versgewicht van de planten bepaald. De resultaten staan in de tabel hieronder.
afbeeldingafbeelding

Uit de vergelijking van welke resultaten blijkt dat gewone brandnetels de groei van de mutanten nadelig beïnvloeden?

Dit blijkt uit vergelijking van de resultaten van




-

Plantenanatomie en -fysiologie

Groeistof en groeisnelheid van stengel en wortel.
Zie figuur B 602 van de bijlage.

In het diagram is het verband weergegeven tussen de groeistofconcentratie en de groeisnelheid van stengel en wortel van een kiemplant. Onder natuurlijke omstandigheden is P de concentratie groeistof in de wortel en Q die in de stengel.
Over deze plant worden de volgende beweringen gedaan:

1. wortel en stengel hebben onder natuurlijke omstandigheden een verschillende groeisnelheid,
2. onder natuurlijke omstandigheden ligt de concentratie aan groeistof in de wortel boven, en in de stengel onder het optimum voor de groeisnelheid,
3. bij concentratie R groeien wortel en stengel even snel.

Welke bewering is of welke beweringen zijn juist?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

Weefselkweek bij planten.

Uit klompjes weinig gespecialiseerde plantencellen kunnen nieuwe individuen ontstaan. Men kan hiervan gebruik maken en planten ongeslachtelijk vermenigvuldigen door middel van weefselkweek. Stukjes van de plant worden daartoe steriel gekweekt op een kunstmatige voedingsbodem.

Kan voor de ongeslachtelijke vermenigvuldiging door weefselkweek het best gebruik worden gemaakt van bastvaten, houtvaten, kurk of vulweefsel?

Plantenanatomie en -fysiologie

1/2 Aardappels.

Een leerling leest de volgende tekst in een boek over plantenfysiologie:
"Dat het licht een zeer sterke invloed heeft op de vorm van een plant, blijkt duidelijk uit het simpele voorbeeld van het uitlopen van aardappels. Zolang de stengel zich onder de grond bevindt, strekt deze zich zeer snel tot het aardoppervlak bereikt is. Daarna strekken de cellen zich veel minder en de stengels worden, vooral als het nog koud is, zeer gedrongen".

Aardappels lopen ook uit als ze gedurende de winter droog worden bewaard. Twee beweringen over dit uitlopen zijn:

1. tijdens het uitlopen neemt het versgewicht van de aardappel af,
2. tijdens het uitlopen neemt het drooggewicht van de aardappel af.

Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?

Plantenanatomie en -fysiologie

2/2 Aardappels.

De leerling vraagt zich af welke factoren invloed hebben op de mate van strekking van de bovengrondse delen van de uitlopende aardappel. Hij denkt aan:

1. de omgevingstemperatuur;
2. de verlichtingssterkte.

Welke van deze factoren heeft of welke hebben inderdaad invloed op de strekking van de bovengrondse delen?

Plantenanatomie en -fysiologie

1/5 Bonenplanten.
Zie figuur B 2582 van de bijlage.

\Bonen bevatten grote hoeveelheden verschillende voedingsstoffen en zijn zeer geschikt voor consumptie door de mens.
Daarom worden bonenplanten veel geteeld en wordt er ook onderzoek gedaan naar de omstandigheden waaronder de planten het beste groeien. De peulen bevatten meerdere bonen.

Een tuinder zaait bonen en dekt ze af met een laagje grond. Na enige tijd ontkiemen de bonen (zie de afbeelding).
Enkele abiotische factoren zijn:

- watergehalte van de bodem;
- CO2 -gehalte van de lucht;
- voedingszouten in de bodem;
- bodemtemperatuur.

Welke twee van deze abiotische factoren hebben de grootste invloed op de groei tijdens de eerste twee dagen van de ontkieming?\






-

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

2/5 Bonenplanten.
Zie figuur B 2583 van de bijlage.

Om na te gaan welke factoren invloed hebben op de toename van het drooggewicht bij planten, voert Hans een experiment met bonenplanten uit. Hij gebruikt planten van hetzelfde ras die zijn opgekweekt onder dezelfde omstandigheden.
Uit de eerste bladparen van deze planten worden 150 rondjes van gelijke grootte geponst uit het bladweefsel tussen de nerven.

- Van 50 rondjes wordt meteen het drooggewicht van elk rondje bepaald (groep 1).
- Vijftig andere rondjes (groep 2) worden met de onderzijde naar boven op een laagje water in petrischalen gelegd (zie de afbeelding). Deze petrischalen worden gedurende 24 uur belicht in een klimaatkamer met normale lucht.
- De resterende 50 rondjes (groep 3) worden op dezelfde manier behandeld, maar in een klimaatkamer met lucht zonder CO2 .

Na de 24 uur belichting wordt van de groepen 2 en 3 het drooggewicht van elk rondje bepaald.
De resultaten van dit experiment zijn weergegeven in de tabel hieronder.

afbeeldingafbeelding

Met dit experiment wordt aangetoond dat een of meer factoren invloed hebben op de toename van het drooggewicht van bonenplanten.

Welke factor is of welke factoren zijn dat?




-

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

3/5 Bonenplanten.

Noem een reden waarom het werken met op deze wijze uitgeponste rondjes betrouwbaarder is dan het werken met hele bladeren.

Plantenanatomie en -fysiologie

4/5 Bonenplanten.

Jan vindt het experiment van Hans eigenlijk te uitgebreid: de bepaling van het drooggewicht van groep 1 is volgens Jan overbodig. Hans zegt dat Jan ongelijk heeft en dat er een controlebepaling nodig is.

Waarom is een controlebepaling nodig?

Plantenanatomie en -fysiologie

5/5 Bonenplanten.
Zie figuur A 498 van de bijlage.

In een veredelingsbedrijf wil men vaak zuivere lijnen verkrijgen voor zaaigoed. Een zuivere lijn is ontstaan wanneer bij planten die zich steeds opnieuw voortplanten door middel van zelfbestuiving, het genotype niet meer verandert.
De lengte van de peulen van bonenplanten die niet tot een zuivere lijn behoren en onder gestandaardiseerde omstandigheden zijn gekweekt, is weergegeven in de afbeelding.
Na zelfbestuiving onder dezelfde gestandaardiseerde omstandigheden is uiteindelijk een zuivere lijn uit bonen van deze planten verkregen.
Op de bijlage is afbeelding A 498 ook opgenomen. Teken daarin een grafiek die de mogelijke verdeling van de lengte van de peulen van bonenplanten van deze zuivere lijn weergeeft.
Gebruik hetzelfde aantal als is weergegeven in afbeelding.

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

1/3 Groei van erwtenplanten.
Zie figuur A 298 van de bijlage.

In een experiment wordt een groot aantal erwtenplanten gekweekt op volledige voedingsoplossingen. De erwtenplanten zijn genetisch identiek en groeien onder dezelfde omstandigheden.

De onderzoeker bepaalt regelmatig vanaf de ontkieming het drooggewicht van de verschillende delen van de planten. Daartoe gebruikt hij telkens tien planten die volledig worden geanalyseerd. De resultaten zijn te zien in het diagram.

Het drooggewicht van een plantendeel is het gewicht van dat plantendeel nadat al het water eruit is verwijderd. Het versgewicht van een plantendeel is het gewicht van dat plant inclusief het water.
In het experiment wordt gebruik gemaakt van een voedingsoplossing. Deze voedingsoplossing bestaat uit water en een aantal opgeloste stoffen.

Welke van de stoffen aminozuren, glucose en zouten moet deze voedingsoplossing in ieder geval bevatten om een normale groei van de erwtenplanten in het licht mogelijk te maken?



-

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

2/3 Groei van erwtenplanten.
Zie figuur A 298 van de bijlage.

Naar aanleiding van het diagram worden de volgende beweringen gedaan:

1. Vanaf het begin van week 5 houdt de groei van stengels, bladeren en wortels op.
2. In week 7 is het drooggewicht van de planten groter dan in week 12.
3. In week 9 worden organische stoffen uit de bladeren en eventueel de stengels naar de peulen vervoerd.

Welke van deze beweringen is juist?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

3/3 Groei van erwtenplanten.

Drie leerlingen noemen een reden waarom de onderzoeker het drooggewicht als maat voor de groei gebruikt en niet het versgewicht.

Leerling 1: Van planten die op voedingsoplossingen worden gekweekt, stijgt het watergehalte sterk, zodat het versgewicht een hogere waarde aangeeft dan bij planten die in grond wortelen.
Leerling 2: Het drooggewicht geeft een betere aanwijzing voor de hoeveelheid organische stof in de plant dan het versgewicht.
Leerling 3: Het drooggewicht is alleen afhankelijk van de fotosynthese en geeft een betere aanwijzing voor de mate van groei.

Welke van deze leerlingen noemt een juiste reden?

Plantenanatomie en -fysiologie

1/2 Haverkiemplantjes.
Zie de figuren B 1530 en B 1531 van de bijlage

Bij onderzoekingen aan haverkiemplantjes wordt het topje van plantje 1 verwijderd (zie tekening 1 van de afbeelding). Dit stengeltopje wordt vervolgens op een agarblokje geplaatst (zie tekening 2 van de afbeelding). Een bepaalde stof of bepaalde stoffen die de celstrekking bevorderen, komen vanuit het stengeltopje in dit agarblokje terecht.

Na enige uren wordt het agarblokje op de rand van het snijvlak van het stengeltje geplaatst.
De stof of stoffen die de celstrekking bevorderen, diffunderen uit het agarblokje het stengeltopje in.

Zi.

Welke van de volgende tekeningen van figuur B 1531 geeft het beste het gevolg hiervan voor het stengeltje weer?

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

2/2 Haverkiemplantjes.
Zie figuur B 1532 van de bijlage.

In een tweede experiment wordt een ander plantje uitsluitend van de rechterkant belicht. Na enige tijd ziet dit plantje er uit zoals getekend in de afbeelding B 1532.
Drie leerlingen trekken uit dit resultaat een conclusie:

Leerling 1: licht bevordert de celdeling.
Leerling 2: licht bevordert de celstrekking.
Leerling 3: licht remt de celstrekking.

Welke leerling heeft een juiste conclusie getrokken?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

1/2 Onderzoek in een kas.

Een tuinder heeft een aantal grote productiekassen met tomatenplanten. Ondanks flinke investeringen in betere verlichting en verwarming is zijn oogst toch niet toegenomen. Alle planten in de kassen zijn gezond; de water- en kunstmestvoorziening is optimaal.

Noem nog een andere factor die beperkend kan werken voor de tomatenoogst en waaraan de tuinder niets heeft gedaan.

Plantenanatomie en -fysiologie

2/2 Onderzoek in een kas.

Voordat de tuinder wil investeren in meer maatregelen, wil hij eerst onderzoeken of verandering van een bepaalde factor waaraan hij nog niets heeft gedaan, inderdaad de oogst verbetert. Om de productie van tomaten in de productiekassen niet te verstoren, gebruikt hij twee kleine proefkassen waarin alle factoren die van invloed kunnen zijn op de groei eenvoudig kunnen worden geregeld.

Beschrijf een werkplan waarmee hij kan onderzoeken of de factor (die je eventueel X mag noemen) de oogst inderdaad kan verbeteren en geef aan hoe hij een conclusie kan trekken.

Plantenanatomie en -fysiologie

1/4 Dennentak.
Zie figuur B 1115 van de bijlage.

Uit een afgezaagde dennentak wordt een stukje gesneden zoals in tekening 1 van de afbeelding is weergegeven. De structuur van dit stukje is in tekening 2 schematisch getekend.

Is deze tak afgezaagd midden in het voorjaar, aan het begin van de zomer of midden in de winter?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

2/4 Dennentak.
Zie figuur B 1115 van de bijlage.

Heeft deze tak gedurende 3, 4 of 8 jaar levend aan de dennenboom gezeten?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

3/4 Dennentak.
Zie figuur B 1115 van de bijlage.

In het stukje dennentak zijn plaatsen aangegeven met de letters Q, R, S, T en U.

Op welke van de aangegeven plaatsen bevindt zich cambium?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

4/4 Dennentak.

Toen de tak nog aan de boom zat, zijn door deze tak water en zouten naar de naalden vervoerd.

Onder invloed van welke krachten zijn water en zouten naar de naalden vervoerd?

Plantenanatomie en -fysiologie

1/2 Appels.

Een onrijpe appel is bepaald niet lekker. Tijdens het rijpen wordt de appel zoeter. Ook verandert de kleur meestal van groen naar geel of rood. Bovendien wordt de appel zachter doordat delen van celwanden worden afgebroken door enzymen.
Het rijpen van appels kan door koeling worden geremd.

Welk van de processen die bij het rijpen betrokken zijn wordt of welke worden door de lage temperatuur geremd?

Plantenanatomie en -fysiologie

2/2 Appels.

Door het eten van overrijpe appels, die al wat beginnen te bederven, kunnen dieren dronken worden.

Als gevolg van welke omzetting of welke omzettingen in de appels kunnen dieren die van de appels eten, dronken worden?

Plantenfysiologie

Het witte goud.
Zie figuur B 3807 van de bijlage.

Mei en juni zijn de maanden van de asperge. Vooral op de zandgronden in het noorden van Limburg worden grote hoeveelheden gekweekt. De aspergeplant behoort tot de leliefamilie. Het is een meerjarige plant met een wortelstok waaraan wortels en knoppen zitten. In het voorjaar lopen de knoppen uit om stengels te vormen: asperges.
Voordat deze witte stengels boven de grond komen worden ze geoogst. De asperge wordt met de hand uitgegraven en net boven de wortelstok doorgestoken. Er wordt geoogst tot 24 juni (feestdag van Sint Jan). Na deze datum mogen de asperges doorgroeien en worden de tot dan kale bedden snel groen.
De reden dat er na 24 juni niet meer wordt geoogst, is dat de oogst anders het volgende jaar veel slechter is.

Hoe komt het dat in het volgende jaar de oogst dan slechter is?

afbeeldingafbeelding