Oefentoets Biologie: Genetica - monohybried | VWO 4/VWO 5/VWO 6 | variant 4

Deze digitale toets over erfelijkheid en kruisingen behandelt onderwerpen zoals genotype, fenotypen en de kans op heterozygote nakomelingen, en is gericht op studenten biologie die hun kennis van genetica willen verdiepen. - 20 vragen

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Genotype en zaadkleur van erwten

Een erwtenplant.
Zie figuur B 1491 van de bijlage.

Uit een gele erwt met een doorzichtige zaadhuid wordt een erwtenplant opgekweekt. Na zelfbestuiving ontstaan in de peulen van deze plant gele en groene erwten (zie afbeelding). De zaadkleur wordt bij deze erwten bepaald door het genotype van het embryo. Over de erwten in de peulen van deze plant worden de volgende vier beweringen gedaan:

1. De erwten zijn haploïd; elke gele erwt heeft één allel voor gele zaadkleur in het genotype van het embryo en elke groene erwt één allel voor groene zaadkleur.
2. De erwten zijn diploïd; elke gele erwt heeft altijd twee allelen voor gele zaadkleur in het genotype van het embryo en elke groene erwt twee allelen voor groene zaadkleur.
3. De erwten zijn diploïd; een gele erwt heeft òf twee allelen voor gele zaadkleur in het genotype van het embryo òf één allel voor gele en één allel voor groene zaadkleur. Elke groene erwt heeft twee allelen voor groene zaadkleur in het genotype van het embryo.
4. De erwten zijn diploïd; elke gele erwt heeft twee allelen voor gele zaadkleur in het genotype van het embryo.
Een groene erwt heeft òf twee allelen voor groene zaadkleur in het genotype van het embryo, òf één allel voor groene zaadkleur en één allel voor gele zaadkleur.

Welke bewering is juist?

afbeeldingafbeelding

Kans op heterozygote nakomelingen bij kruisingen

Kruisingen.

Bij welke van de onderstaande kruisingen is de kans op heterozygote nakomelingen het grootst?

Kruising en erfelijkheid in generaties

Een kruising.

De F1 van P: AA x aa wordt tot in de Fn door zelfbestuiving voort gekweekt.

In elke volgende generatie zien we dat

Verhouding fenotypen bij monohybride kruising

1/3 Een monohybride kruising.

Bij een monohybride kruising ontstaan in de F1 twee verschillende fenotypen.

In welke verhouding ontstaan deze twee fenotypen?

Fenotypenverhouding bij monohybride kruising

2/3 Een monohybride kruising.

Indien de twee ouders niet in uiterlijk zouden verschillen, hoe wordt dan de fenotypenverhouding in de F1 ?

Monohybride kruising en fenotypenverhouding

3/3 Een monohybride kruising.

Indien wordt uitgegaan van het gestelde in de vorige vraag en er ontstaan drie verschillende fenotypen, hoe vindt dan de overerving plaats en in welke verhouding ontstaan de fenotypen?

Overerving van bladvorm bij planten

1/2 Een plant kruisen.

Men kruist een rondbladige plant met een ovaalbladige; beide zijn homozygoot.
In de F2 ontstaan 2 verschillende fenotypen.

Wat is met zekerheid over de overerving van beide eigenschappen te zeggen?

Soorten overerving bij plantenkruisingen

2/2 Een plant kruisen.

Met welk gegeven ten aanzien van de F1 of met welk gegeven ten aanzien van de F2 kan met zekerheid de soort overerving worden aangegeven? (beide mogelijkheden noemen)

Overerving van bladvorm bij planten

1/2 Een plant kruisen.

Men kruist een rondbladige plant met een ovaalbladige; beide zijn homozygoot.
In de F2 ontstaan 2 verschillende fenotypen.

Wat is met zekerheid over de overerving van beide eigenschappen te zeggen?

Soorten overerving bij plantenkruisingen

2/2 Een plant kruisen.

Met welk gegeven ten aanzien van de F1 of met welk gegeven ten aanzien van de F2 kan met zekerheid de soort overerving worden aangegeven? (beide mogelijkheden noemen)

Verhouding fenotypen bij monohybride kruising

1/3 Een monohybride kruising.

Bij een monohybride kruising ontstaan in de F1 twee verschillende fenotypen.

In welke verhouding ontstaan deze twee fenotypen?

Fenotypenverhouding bij monohybride kruising

2/3 Een monohybride kruising.

Indien de twee ouders niet in uiterlijk zouden verschillen, hoe wordt dan de fenotypenverhouding in de F1 ?

Monohybride kruising en fenotypen verhouding

3/3 Een monohybride kruising.

Indien wordt uitgegaan van het gestelde in de vorige vraag en er ontstaan drie verschillende fenotypen, hoe vindt dan de overerving plaats en in welke verhouding ontstaan de fenotypen?

Overbodige informatie bij kruising van brandnetels

1/4 Brandnetels.

Gegeven een kruising van homozygote brandnetelvariëteiten: gezaagde bladranden x gave bladranden.

In de F1 zijn alle bladeren gezaagd. De F1 -planten worden onderling gekruist.

Welk gegeven kan hier als overbodig worden aangeduid?

Genotype van F1-planten bij brandnetels

2/4 Brandnetels.

Welk genotype hebben de planten in de F1 ?

Genotypen in F2 van Brandnetels

3/4 Brandnetels.

Geef in een kruisingsschema de genotypen van de F2 .

Fenotypen en verhoudingen in F2-generatie

4/4 Brandnetels.

Welke fenotypen en in welke verhoudingen krijg je in de F2 ?

Overbodige gegevens bij caviakruising

1/4 Cavia's kruisen.

Gegeven een kruising van homozygote cavia's: mannetje met bruine vacht x vrouwtje met donkere vacht.

De F2 geeft 100 nakomelingen:

12 bruine mannetjes en 13 bruine vrouwtjes,
38 donkere mannetjes en 37 donkere vrouwtjes.

Welke gegevens zijn overbodig?

Dominantie van haarkleur bij cavia's

2/4 Cavia's kruisen.

Welke haarkleur is dominant?

Fenotype van F1 bij caviakruising

3/4 Cavia's kruisen.

Welk fenotype heeft de F1 ?