Oefentoets Biologie: Voeding | HAVO 4/HAVO 5 | variant 4
Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
Aantal vragen
20
Vak(ken)
Biologie
Kerndoel(en)
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
Leerniveau(s)
HAVO 4, HAVO 5
Uitgever
NVON
Copyright
cc-by-sa-40
Voeding
3/6 Zaden.
Een veganist eet geen dierlijke producten zoals vlees, vis, melk en eieren. Daardoor kan een veganist een tekort krijgen aan bepaalde voedingsstoffen. Dit tekort kan voorkómen worden door bepaalde zaden in het voedingspakket op te nemen.
afbeelding
Welke van onderstaande zaden zijn hiervoor het meest geschikt?
-
Voeding
4/6 Zaden.
Sommige veganisten geven voor hun voedingswijze een argumentatie die verband houdt met het wereldvoedselprobleem. Het wereldvoedselprobleem houdt in dat er een tekort dreigt aan voedsel voor de mensheid.
Geef met behulp van biologische begrippen een argumentatie, waaruit blijkt dat een veganistische leefwijze het wereldvoedselprobleem zou kunnen verminderen.
Voeding
5/6 Zaden.
Tarwezaden bevatten een hoog gehalte aan zetmeel. Zetmeel wordt uit glucose gevormd.
De omzetting van glucose in zetmeel in zaden heeft een functie in verband met het osmotische evenwicht tussen de cellen en hun omgeving.
Leg dit uit.
-
Voeding
6/6 Zaden.
Eiwitten behoren tot de reservestoffen die in zaden voorkomen. Een plant bouwt eiwitten op uit aminozuren.
Uit welke van de volgende stoffen die de plant uit het milieu opneemt, worden aminozuren gemaakt?
Voeding en Spijsvertering
1/5 Coeliakie. Zie figuur B 3793 van de bijlage.
Coeliakie is een veel voorkomende darmziekte. Naar schatting 1 op de 200 à 300 mensen heeft er last van. Deze mensen krijgen na het eten van tarwe ernstige darmstoornissen. Om de diagnose coeliakie bij mensen met ernstige darmklachten te stellen, wordt met behulp van een endoscoop een stukje dunne darm verwijderd en microscopisch onderzocht. Mensen die lijden aan deze ziekte, zijn gevoelig voor bepaalde kleefeiwitten, gluten, uit tarwekorrels. Gluten is de verzamelnaam voor deze tarwe-eiwitten.
De eiwitvertering van de mens gaat in een aantal stappen, waarbij enzymen de eiwitmoleculen uiteindelijk in aminozuren splitsen. Maar bij iedereen komen in de dunne darm ook nog grote eiwitbrokstukken voor van 10 tot 50 aminozuren. Die zijn niet in contact gekomen met de eiwitsplitsende enzymen die wij maken. Als men lijdt aan coeliakie, blijken deze brokstukken, nadat ze chemisch veranderd zijn door het enzym transglutaminase, een allergische reactie op gang te brengen. Transglutaminase is een enzym dat in veel cellen voorkomt, ook in de cellen van de dunne darm.
In de afbeelding B 3793 is een stukje dunne darm van een gezond persoon en van een coeliakie-patiënt weergegeven.
Behoren alle cellen in de afbeelding tot één weefseltype of tot meerdere weefseltypen? Leg je antwoord uit.
-
afbeelding
Voeding en Spijsvertering
2/5 Coeliakie. Zie figuur B 3793 van de bijlage.
Het voedsel wordt in de dunne darm van een coeliakie-patiënt slecht verteerd. De afbeelding laat een duidelijk verschil zien tussen het oppervlak van de dunne darm van een gezond persoon en een coeliakie-patiënt.
Wat is het verschil tussen het oppervlak van de dunne darm van een coeliakie-patiënt en dat van een gezonde persoon? Leg uit wat dit naast een slechtere vertering nog meer tot gevolg heeft voor de werking van de darm van een coeliakie-patiënt.
afbeelding
Voeding en Spijsvertering
3/5 Coeliakie.
Om klachten te voorkomen dienen coeliakie-patiënten een strikt dieet te volgen. Gluten zijn namelijk niet alleen in brood, gebak en andere graanproducten aanwezig, maar het worden ook in ruime mate gebruikt bij de industriële voedselbereiding en is ook in snoep, soepen en sauzen aanwezig. Na het eten van gluten worden deze eiwitten grotendeels in maag en twaalfvingerige darm verteerd. Sommige fragmenten daarvan worden bij gezonde personen pas verderop in de dunne darm verteerd, of door bacteriën in de dikke darm. Bij coeliakie-patiënten roepen deze fragmenten een afweerreactie op, waardoor de darmstructuur uiteindelijk verandert.
Hoe worden deze fragmenten genoemd die een allergische reactie oproepen?
Voeding en Spijsvertering
4/5 Coeliakie.
De onderzoekers Sollid en Khosla hebben een onverteerbaar fragment uit een gluteneiwit geïdentificeerd. Dit fragment veroorzaakt de allergische reactie onder invloed van het enzym transglutaminase. Uit een bacterie hebben ze vervolgens een eiwitverterend enzym geïsoleerd dat dit fragment wel kan verteren. Dit enzym werkt in laboratoriumomstandigheden naar wens. Volgens de onderzoekers kan hiermee een enzymtherapie voor patiënten worden opgezet, waardoor het probleem van de baan is. Dit enzym moet een aantal eigenschappen hebben, wil het met succes de gluteneiwitten in de dunne darm verteren.
Noem een van die eigenschappen waaraan dit enzym moet voldoen om bij deze patiënten na inname met succes te kunnen werken.
Voeding en Spijsvertering
5/5 Coeliakie.
Dr. Frits Koning van het Leids Universitair Centrum wil zich met een aantal collega's richten op een snelle diagnose van patiënten en op het analyseren van een honderdtal graanvariëteiten op glutengenen. Mogelijk worden zo tarwevariëteiten gevonden die nauwelijks of geen allergische reactie veroorzaken.
Zou genetische modificatie van tarwe ook een uitkomst kunnen bieden voor coeliakie-patiënten? Leg je antwoord uit.
Voeding
1/5 Cholesterol.
De lever maakt per etmaal ongeveer 1 gram cholesterol. Daarnaast wordt cholesterol opgenomen met het voedsel. Cholesterol is een vetachtige stof die een belangrijke rol speelt bij de opbouw van celmembranen en die dient als grondstof voor de productie van bepaalde hormonen. Onder normale omstandigheden bestaat er een evenwicht tussen de hoeveelheden vet en cholesterol die door de lever wordt opgenomen en die wordt afgegeven aan het bloed.
Het hormoon insuline heeft invloed op dit evenwicht. Het evenwicht kan verstoord raken, bijvoorbeeld wanneer de voeding een te grote hoeveelheid verzadigde vetten bevat, of wanneer iemand een aandoening heeft, zoals suikerziekte. Cholesterol wordt in het bloed getransporteerd, gebonden in LDL of in HDL. Het LDL-cholesterol kan zich in de wand van bloedvaten ophopen en heet daarom ook wel het 'slechte' cholesterol. HDL kan cholesterol uit de vaatwand opnemen en naar de lever terug vervoeren. HDL-cholesterol heet het 'goede' cholesterol.
In het lichaam wordt hemoglobine van 'versleten' rode bloedcellen afgebroken. Uit het niet-eiwitdeel van hemoglobine wordt ijzer onttrokken; wat overblijft wordt bilirubine, een geelbruine stof die in de lever verder wordt verwerkt. Het eiwitdeel kan door de lever worden afgebroken tot ureum.
Langs welke weg verlaten de afbraakproducten van hemoglobine het lichaam?
-
Voeding
2/5 Cholesterol.
Naast de productie van cholesterol, de verwerking van bilirubine en de vorming van ureum heeft de lever nog een aantal andere functies.
Noem nog twee andere functies van de lever.
Voeding
3/5 Cholesterol.
LDL-cholesterol kan zich in de wand van een bloedvat ophopen.
Welke gevolgen heeft dit voor de zuurstofvoorziening van de weefsels die door dat bloedvat worden voorzien en voor de bloeddruk vóór de plaats van ophoping?
afbeelding
Voeding
4/5 Cholesterol.
In sommige families komt een verhoogd cholesterolgehalte meer voor dan in andere families. Soms is dit het gevolg van een afwijkende erfelijke factor.
Eén van die erfelijke afwijkingen is familiaire hypercholesterolemie (FH). Mensen met FH hebben een te hoog gehalte aan LDL-cholesterol. Er zijn in Nederland tussen de 30.000 en 40.000 mensen die lijden aan deze aandoening. FH is het gevolg van een mutatie in het gen dat codeert voor de LDL-receptor. Receptoren zijn bestanddelen van celmembranen die specifiek bepaalde stoffen kunnen binden.
In de afbeelding B 3004 is schematisch de bouw van de LDL-receptor met daarnaast het daarvoor coderende gen getekend.
Tot welke categorie van stoffen behoort de getekende LDL-receptor?
afbeelding
Voeding
5/5 Cholesterol.
Mensen met een verhoogd cholesterolgehalte wordt geadviseerd om hun eet- en leefgewoonten aan te passen: - minder cholesterolbevattende voedingsmiddelen eten, - voedingsmiddelen gebruiken die cholesterolverlagend zijn (voedingsmiddelen met meervoudig onverzadigde vetzuren), - meer bewegen, - niet roken.
De tabel hieronder is een deel van de Nederlandse Voedingsmiddelentabel. afbeelding Geef twee redenen waarom een boterham met pindakaas beter past in een cholesterolverlagend dieet dan een boterham met Edammer kaas.
-
Voeding
1/7 Infarcten en cholesterol.
Tekst: Cholesterol is een belangrijke stof voor het lichaam. Het is een bouwstof voor o.a. geslachtshormonen en voor de celmembranen. Cholesterol lost niet op in water, dus ook niet in bloedplasma. Daarom wordt deze stof vervoerd als eiwit-vet-verbinding: lipoproteïne. Twee soorten lipoproteïnen zijn: de LDL (Low Density Lipoproteins) en de HDL (High Density Lipoproteins).
De verhouding tussen beide is belangrijk in verband met de kans op atherosclerose. Bij mensen met deze aandoening ontstaan plaques (een soort bultjes) van vet op de wand van de slagaders. Hierdoor kan de bloedstroom geblokkeerd raken, met name als een bloedstolsel er op vast komt te zitten. Als dit in de hersenen optreedt, ontstaat een herseninfarct. Gebeurt zoiets in de kransslagaders, dan ontstaat een hartinfarct.
De HDL zorgen voor het verwijderen van cholesterol uit de bloedbaan door het te binden en af te voeren naar de lever. De LDL zorgen ook voor het verwijderen van cholesterol, maar doen dit in mindere mate.
Bij een onderzoek wordt van een grote groep mensen een gemiddelde HDL/LDL-verhouding bepaald. Groep I heeft een gemiddelde waarde van 4,0 met een spreiding van 0,5. Groep II heeft een gemiddelde waarde van 2,5 met een spreiding van 0,2.
bewerkt naar: Ouder worden van R.E. Ricklefs en Caleb E. Finch, p. 60-63
Neem aan dat de totale hoeveelheid HDL en LDL samen voor elke persoon gelijk is.
Leg uit dat dan in groep II de kans op een hartinfarct groter is dan in groep I.
-
Voeding
2/7 Infarcten en cholesterol.
Bij iemand die een herseninfarct heeft gehad, kunnen allerlei uitvalsverschijnselen optreden, zoals gevoelloosheid en verlammingen.
Leg uit waardoor bij een herseninfarct uitvalsverschijnselen kunnen ontstaan. Leg ook uit waardoor deze uitvalsverschijnselen in sommige gevallen tot gevoelloosheid en in andere gevallen tot verlammingen kunnen leiden.
Voeding
3/7 Infarcten en cholesterol. Zie figuur B 1156 van de bijlage.
Cellen die cholesterol verwerken, hebben een celmembraan met LDL-receptoren. Dat zijn eiwitten die er voor zorgen dat de cel LDL kan opnemen. In de afbeelding is dit schematisch weergegeven. In de afbeelding zijn de moleculen en organellen niet op dezelfde schaal getekend.
Geef aan hoe de tekenaar de moleculen en/of organellen moet veranderen om de onderdelen op dezelfde schaal te krijgen.
afbeelding
Voeding
4/7 Infarcten en cholesterol.
Welk van de aangegeven delen P, Q, R of S produceert de LDL-receptoren?
afbeelding
Voeding
5/7 Infarcten en cholesterol.
Onder de inwoners van het afgelegen Italiaanse bergdorpje Limone aan het Gardameer bevindt zich een groep van 46 mensen met een variant van HDL die vet (en daarmee cholesterol) sneller afvoert naar de lever dan normale HDL. Onderzoek heeft uitgewezen dat bij een voorouder uit de 18e eeuw een verandering in een gen voor een HDL-eiwit moet zijn opgetreden. Het dorpje lag lange tijd zeer geïsoleerd. Tot 1932 was er geen weg naar andere dorpen.
Noteer de naam van zo'n verandering in een gen.
Deze verandering heet een [invulveld].
Voeding
6/7 Infarcten en cholesterol.
Verklaar waardoor deze zeer zeldzame variant in Limone bij zoveel mensen voorkomt.