Oefentoets Biologie: Uitscheiding - algemeen | VWO 4/VWO 5/VWO 6 | variant 6

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Uitscheiding

1/2 De nieren.
Zie figuur B 45 van de bijlage.

In het diagram (zie afbeelding) is de urineproductie van een proefpersoon in rust gedurende een aantal uren weergegeven. Op tijdstip P drinkt deze persoon 1 liter water.

Zal op tijdstip Q de concentratie van opgeloste stoffen in de dan gevormde urine waarschijnlijk lager zijn dan, gelijk zijn aan of hoger zijn dan de concentratie van opgeloste stoffen op tijdstip 0?

afbeeldingafbeelding

Uitscheiding

2/2 De nieren.
Zie figuur B 45 van de bijlage.

Zal op tijdstip R de ADH-concentratie in het bloed van de proefpersoon lager zijn dan, gelijk zijn aan of hoger zijn dan de ADH-concentratie op tijdstip 0?

afbeeldingafbeelding

Uitscheiding

1/3 De nieren.

In de tabel is de urineproductie van een proefpersoon (in rust) gedurende een aantal uren weergegeven. Bij het begin van een experiment (tijdstip 0) drinkt deze persoon 1 liter water.

afbeeldingafbeelding

Zal 60 minuten na het begin van het experiment de hoeveelheid vloeistof die per minuut uit de nierkanaaltjes het nierbekken instroomt, kleiner zijn dan, gelijk zijn aan of groter zijn dan op tijdstip 0?

Uitscheiding

2/3 De nieren.

afbeeldingafbeelding

Zal 60 minuten na het begin van het experiment de concentratie van opgeloste stoffen in het bloed van de nieraders waarschijnlijk lager zijn dan, gelijk aan of hoger zijn dan die op tijdstip 0?

Uitscheiding

3/3 De nieren.

afbeeldingafbeelding

Zal 180 minuten na het begin van het experiment de ADH-concentratie in het bloed lager zijn dan, gelijk aan of hoger zijn dan 60 minuten na het begin van het experiment?

Uitscheiding

1/3 Een niereenheid.
Zie figuur A 433 van de bijlage.

De afbeelding geeft schematisch een niereenheid van de mens weer met aanvoerende en afvoerende bloedvaten.

Is de eiwitconcentratie het hoogst op plaats 1, 3 of 4?

afbeeldingafbeelding

Uitscheiding

2/3 Een niereenheid.
Zie figuur A 433 van de bijlage.

Is de ureumconcentratie het hoogst op plaats 1, 2 of 5?

afbeeldingafbeelding

Uitscheiding

3/3 Een niereenheid.

Bepaalde cellen van een nier verbruiken meer zuurstof dan andere cellen. Twee processen in een nier zijn:

1. vorming van voorurine uit bloed,
2. vorming van urine uit voorurine.

Bij welk of bij welke van deze processen wordt veel zuurstof verbruikt?

Uitscheiding

1/2 Een nier.
Zie figuur B 1487 van de bijlage.

De afbeelding geeft een niereenheid van de mens weer met bijbehorende bloedvaten. Enkele delen zijn met cijfers aangegeven.

In welk van de delen 2, 3 of 5 bezitten de wandcellen de meeste mitochondriën per cel?

afbeeldingafbeelding

Uitscheiding

2/2 Een nier.
Zie figuur B 1487 van de bijlage.

Van het bloedplasma dat door bloedvat 1 wordt aangevoerd, wordt 20% voorurine. De overige 80% stroomt verder door bloedvat 5. Van de K+ -ionen in de voorurine wordt 90% geresorbeerd. Van het water in de voorurine wordt 99% geresorbeerd.

Op welke van de plaatsen 2, 4 of 6 is de concentratie K+ -ionen het hoogst?

afbeeldingafbeelding

Uitscheiding

1/2 Een nierkanaaltje.
Zie figuur B 1263 van de bijlage.

In een experiment bestudeert een onderzoeker de werking van een niereenheid van een zoogdier. Met het deel van het nierkanaaltje dat zich in de niereenheid bevindt tussen P en Q (zie tekening 1 in de afbeelding) maakt hij een proefopstelling (zie tekening 2 in de afbeelding). De opstelling bevindt zich in een vloeistof waarvan de osmotische waarde dezelfde is als die in het deel van de nier waaruit het nierkanaaltje afkomstig is.
De gebruikte delen van de niereenheid functioneren in deze opstelling op dezelfde wijze als in het lichaam.
Bij R stroomt vloeistof met de samenstelling van voorurine de opstelling binnen. Deze vloeistof bevat een bepaalde hoeveelheid glucose. Bij S stroomt de vloeistof de opstelling uit.

Is de hoeveelheid glucose in de vloeistof bij S kleiner dan, gelijk aan of groter dan die bij R?

afbeeldingafbeelding

Uitscheiding

2/2 Een nierkanaaltje.
Zie figuur B 1263 van de bijlage.

Aan de vloeistof die bij R binnenstroomt voegt hij vervolgens een bepaalde hoeveelheid inuline toe. Inuline is een stof die niet door de cellen van de nierkanaaltjes wordt geresorbeerd.

Is de concentratie inuline die bij S uitstroomt kleiner dan, gelijk aan of groter dan die bij R binnenstroomt?

afbeeldingafbeelding

Uitscheiding

1/4 Rust en arbeid.

De hoeveelheid bloed die per minuut door de linker kamer van het hart wordt gepompt, wordt het hartminuutvolume genoemd. Bij een volwassen man in rust is het hartminuutvolume gemiddeld 5 liter; gedurende zware lichamelijke arbeid neemt het hartminuutvolume toe tot gemiddeld 25 liter.
Het bloed wordt verdeeld over verschillende organen en organenstelsels. In onderstaande tabel is deze verdeling weergegeven tijdens rust en tijdens zware arbeid.

afbeeldingafbeelding

Aangenomen wordt dat de bloeddruk in de nierkapsels tijdens rust en tijdens zware arbeid gelijk is.

Hoeveel bloed stroomt per minuut minder door de nieren tijdens zware lichamelijke arbeid dan tijdens rust?

Uitscheiding

2/4 Rust en arbeid.

Kan met de gegevens in de tabel de hoeveelheid urine worden berekend die tijdens zware arbeid per minuut wordt geproduceerd?
Zo ja, is deze kleiner dan, gelijk aan of groter dan die tijdens rust?

Uitscheiding

3/4 Rust en arbeid.
Zie figuur B 1324 van de bijlage.

De afbeelding geeft de zuurstofverzadiging van hemoglobine weer bij verschillende waarden van de pO2 en bij een pCO2 van 5, van 7 en van 9 kPa.

In een experiment verricht een proefpersoon gedurende een bepaalde tijd steeds zwaardere arbeid.

Wordt, ten gevolge van de verandering van de pCO2 tijdens inspanning, de hoeveelheid O2 die per ml bloed aan de weefsels van de proefpersoon wordt afgegeven, kleiner, blijft die gelijk of wordt die groter?

afbeeldingafbeelding

Uitscheiding

4/4 Rust en arbeid.

Er is altijd een verschil tussen de pO2 van de lucht in de longblaasjes en de pCO2 van het bloed in de longhaarvaten.
De totale hoeveelheid zuurstof die vanuit de lucht in de longblaasjes naar het bloed diffundeert, wordt onder andere beïnvloed door de volgende factoren:

1. het totale oppervlak van de longblaasjes,
2. de dikte van de wand van de longblaasjes,
3. de longventilatie,
4. het stromen van het bloed in de longhaarvaten.

Welke van deze factoren zijn er de oorzaak van dat er altijd een verschil bestaat tussen de pO2 van de lucht in de longblaasjes en de pO2 van het bloed in de longhaarvaten?

Uitscheiding

1/2 Uitscheiding.
Zie figuur B 2261 van de bijlage.

In de afbeelding is een niereenheid van de mens getekend met aanvoerende en afvoerende bloedvaten. In het diagram van de afbeelding is het verband weergegeven tussen de bloeddruk in de nierslagader en de hoeveelheid per minuut gevormde voorurine.
In de nieren is sprake van autoregulatie van de hoeveelheid geproduceerde voorurine. Met autoregulatie wordt bedoeld dat in de nieren zelf regelmechanismen aanwezig zijn. Twee leerlingen doen op grond van het diagram een bewering over het bestaan van deze autoregulatie.

Leerling 1 zegt: 'Het bestaan van deze autoregulatie kan worden geconcludeerd uit het gegeven dat bij een lage bloeddruk minder voorurine wordt gevormd dan bij een hoge bloeddruk'.
Leerling 2 zegt: 'Het bestaan van deze autoregulatie kan worden geconcludeerd uit het gegeven dat boven een bloeddruk van ongeveer 10 kPa de hoeveelheid per minuut geproduceerde voorurine gelijk blijft'.

Welke van deze leerlingen doet of welke doen een juiste bewering over het bestaan van deze autoregulatie?

afbeeldingafbeelding

Uitscheiding

2/2 Uitscheiding.
Zie figuur A 454 van de bijlage.

In de wand van bloedvat P bevinden zich kringspieren die de diameter van het bloedvat kunnen verkleinen.
Iemand gaat liggen waardoor de bloeddruk in de nierslagaders daalt van 14 kPa naar 12 kPa (zie afbeelding).

Trekken op dat moment de kringspieren in de wand van P zich samen, ontspannen deze spieren zich of veranderen ze niet? Geef een verklaring voor je antwoord.

afbeeldingafbeelding

Uitscheiding

1/3 Vloeistofverplaatsing.
Zie figuur C 1 van de bijlage.

In de linker afbeelding is een schematische doorsnede van een nierkapsel en bijbehorende haarvaten uit een nier van de mens weergegeven.
In de rechter afbeelding is dat nierkapsel, met één van de haarvaten gestrekt, onder de horizontale as van het diagram getekend. Drie plaatsen in het nierkapsel en in het haarvat zijn in de afbeeldingen en aangegeven met P, Q en R.
Grafiek 1 geeft de buitenwaarts gerichte kracht in het haarvat weer. Door deze kracht wordt vloeistof uit het haarvat in het nierkapsel gedreven.
Grafiek 2 geeft de binnenwaarts gerichte kracht weer. Door deze kracht keert vloeistof uit het nierkapsel in het haarvat terug.
De uiteindelijke netto-vloeistofverplaatsing wordt veroorzaakt door de plaatselijke verschillen tussen deze buitenwaarts en binnenwaarts gerichte krachten.

Waardoor is de binnenwaarts gerichte kracht bij P kleiner dan bij Q?

afbeeldingafbeelding

Uitscheiding

2/3 Vloeistofverplaatsing.

Is er voorbij punt R een netto-verplaatsing van vloeistof uit het haarvat het nierkapsel in?
Zo ja, waaruit bestaat deze vloeistof?

afbeeldingafbeelding