Oefentoets Biologie: Gedrag - Onderzoek | VWO 3/VWO 4/VWO 5

Deze oefentoets bevat 5 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

5

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 3, VWO 4, VWO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Gedrag

1/5 Zeehonden.

In 1997 ontwikkelde het Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek (IBN) een plan om de verspreiding en de trekbewegingen van zeehonden in de Waddenzee te onderzoeken. Daartoe wilde het instituut vijftien zeehonden van de soort Phoca vitulina uitrusten met een satellietzender. Tegen dit plan protesteerde het zeehondencentrum in Pieterburen. Volgens dit centrum zouden zeehonden door de zender met een 20 cm lange antenne worden gehinderd bij hun dagelijkse activiteiten en zouden ze meer kans hebben om te verdrinken dan zeehonden zonder zender. In januari 1998 maakte het IBN bekend dat het ‘zenderen' (= het aanbrengen van een zender) van de zeehonden zou worden uitgesteld. In maart 1998 ging het IBN-onderzoek alsnog door.

Tekst:
In het diepste geheim worden twee weken geleden zenders geplakt op tien gewone zeehonden (Phoca vitulina). De wilde dieren werden gevangen onder het Waddeneilandje Rottumerplaat, ze kregen een satellietzender in hun nek en werden weer losgelaten in de Waddenzee.
Marien biologe drs Sophie Braseur: "De minicomputer neemt om de tien seconden hoe diep de zeehond zwemt, op welke tijd hij een duik neemt en hoe lang de zeehond op een bepaalde diepte blijft. Iedere zes uur worden de gegevens weggeschreven. Per zes uur krijg ik een gegevenspakketje."
De verwachting is dat deze zeehonden in het gebied zullen blijven en goed zijn te volgen.

bron: Helene van Beek, Schattig, een zeehond met zender, De Gelderlander, 21 maart 1998

De pers vermoedde dat het IBN het zenderen in ‘het diepste geheim' had uitgevoerd uit angst voor negatieve publiciteit en acties van tegenstanders. Het IBN gebruikte echter een biologisch argument gebaseerd op verondersteld diergedrag.

Noem een dergelijk argument dat het IBN kan hebben gebruikt.

Gedrag

2/5 Zeehonden.

Drie gedragssystemen zijn: paringsgedrag, voedselzoekgedrag en zorg voor de jongen.

Op welk van deze gedragssystemen heeft de informatie die Sophie Braseur zegt te ontvangen, vooral betrekking?

Gedrag

3/5 Zeehonden.

De tabel hieronder geeft cijfers over het verdrinken en verdwijnen van zeehonden met een zender.
afbeeldingafbeelding

Neem aan dat de situatie in het Waddengebied voor wat betreft het verdwijnen van zeehonden overeenkwam met het totaal van de gegevens buiten het Waddengebied, zoals dat in de tabel is opgenomen.

Is dan het te verwachten aantal zeehonden dat in het Waddengebied in de vijfjarige periode 1990-1994 is verdwenen, kleiner dan, gelijk aan of groter dan 30?

Gedrag

4/5 Zeehonden.
Zie figuur C 291 van de bijlage.

Tekening 1 in de afbeelding is afkomstig uit een artikel in Bionieuws. Tekening 2 geeft een volwassen Gewone zeehond (Phoca vitulina) weer. De zeehonden zijn in beide tekeningen op dezelfde schaal weergegeven.
Een leerlinge bestudeert tekening 1 en vergelijkt deze met tekening 2 van de afbeelding. Zij weet dat het zendergewicht van 200 gram geen probleem voor de zeehond oplevert. Op grond van haar vergelijking verbaast ze zich over de weergave van de gezenderde zeehonden. Zij is van mening dat Bionieuws impliciet kiest voor de opvatting van het zeehondencentrum in Pieterburen.

Leg aan de hand van de afbeelding uit waarop de mening van deze leerlinge is gebaseerd.

afbeeldingafbeelding

Gedrag

5/5 Zeehonden.
Zie figuur A 683 van de bijlage.

De Rijksoverheid heeft in het Plan Kern Beslissing Waddenzee 1993 aangegeven te streven naar een zo natuurlijk mogelijke Waddenzee. Per soort zou de populatieomvang niet meer dan tweemaal zo groot of tweemaal zo klein mogen zijn als die in 1930. In de afbeelding is een zogenoemde AMOEBE getekend die informatie geeft over de toestand van een aantal populaties in het Waddengebied. De grootte van deze populaties in 1930 dient als uitgangssituatie en is in de afbeelding met een stippellijn getekend. De omvang van de populaties in 1990 is met grijs aangegeven.
In vergelijking met het referentiejaar kan een populatie in de Waddenzee afnemen of toenemen. Een halvering of nog grotere afname van een populatie wordt beschouwd als een ernstige verandering in het ecosysteem. Evenzo wordt een verdubbeling of nog grotere toename beschouwd als een ernstige verandering in het ecosysteem vergeleken met het referentiejaar.
Vijf populaties uit de Waddenamoebe zijn: grote stern (een vogel), kanoetstrandloper (een vogel), nonnetje (een schelpdier), wadpier (een worm) en zeehond.

Bij welke van deze populaties treedt geen ernstige verandering op, zoals die hierboven is gedefinieerd, vergeleken met het referentiejaar?





-

afbeeldingafbeelding