Oefentoets Biologie: Voeding - ziektes | VMBO theoretische leerweg, 3/VMBO theoretische leerweg, 4 | variant 6

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VMBO theoretische leerweg, 3, VMBO theoretische leerweg, 4

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Voeding

2/2 Salade.

In de salade wordt citroensap verwerkt. Citroensap wordt niet alleen toegevoegd voor de smaak. Het is ook een conserveringsmiddel.

afbeeldingafbeelding

Waarvoor is het nuttig citroensap als conserveringsmiddel in de salade toe te voegen?




-

Voeding

Voedingsmiddelen.

Een diëtiste stelt een dieet samen voor iemand die moet afslanken. Zij twijfelt tussen het opnemen van een portie zoute haring van 100 gram of een portie kabeljauw van 150 gram.

afbeeldingafbeelding

Welke van beide kan zij het beste kiezen? Licht je antwoord toe met behulp van de tabel.




-

Voeding

1/2 Voedingswijzer.
Zie figuur D 16 van de bijlage.

Roel krijgt in de biologieles op school een opdrachtenvel over voeding. De volgende dag brengt hij het vel weer mee naar school. Het opdrachtenvel is weergegeven in de afbeelding.

Geef het juiste antwoord op opdracht 2 van het opdrachtenvel van Roel. Schrijf daartoe de naam van de voedingsmiddelen van zijn avondmaaltijd in een tabel.
Doe het zo op je antwoordblad:

vak 1: .................
vak 2: .................
vak 3: .................
vak 4: .................

Het is mogelijk dat je niet bij elk vak iets kunt invullen. Wanneer je klaar bent hoeft dus niet bij elk vak een voedingsmiddel te staan. Je moet wel alle genoemde voedingsmiddelen in een vak plaatsen.

afbeeldingafbeelding

Voeding

2/2 Voedingswijzer.
Zie figuur D 16 van de bijlage.

Welk deel van de maaltijd van Roel levert meer energie, de levensmiddelen die ze in vak 1 heeft geplaatst of haar levensmiddelen uit vak 3? Leg je antwoord uit met behulp van een berekening. Gebruik de gegevens uit de voedingsmiddelentabel.

afbeeldingafbeelding




-

afbeeldingafbeelding

Voeding

1/2 Voedingswijzer.
Zie figuur D 15 van de bijlage.

Janneke krijgt in de biologieles op school een opdrachtenvel over voeding. De volgende dag brengt zij het vel weer mee naar school. Het opdrachtenvel is weergegeven in de afbeelding.

Geef het juiste antwoord op opdracht 2 van het opdrachtenvel van Janneke. Schrijf daartoe de naam van de voedingsmiddelen van haar avondmaaltijd in een tabel.
Doe het zo op je antwoordblad:

vak 1: .................
vak 2: .................
vak 3: .................
vak 4: .................

Het is mogelijk dat je niet bij elk vak iets kunt invullen. Wanneer je klaar bent hoeft dus niet bij elk vak een voedingsmiddel te staan. Je moet wel alle genoemde voedingsmiddelen in een vak plaatsen.

afbeeldingafbeelding

Voeding

2/2 Voedingswijzer.

Welk deel van de maaltijd van Janneke levert meer energie, de runderbiefstuk of de yoghurt? Leg je antwoord uit met behulp van een berekening. Gebruik de gegevens uit de voedingsmiddelentabel.

afbeeldingafbeelding




-

afbeeldingafbeelding

Voeding

1/2 Vegetariër.

Rob is vegetariër. Een vegetariër eet geen producten waarvoor dieren moeten worden gedood.
Rob wil dat zijn voeding voldoet aan de aanbevelingen van het Voorlichtingsbureau voor de Voeding. Hij weet dat hij er als vegetariër extra op moet letten of hij van een bepaald type voedingsstof voldoende binnen krijgt.

Op welke groep van voedingsstoffen let Rob dan vooral bij het samenstellen van zijn maaltijden?

Voeding

2/2 Vegetariër.

Een argument tegen het eten van vlees is: "Het produceren van een kilo vlees kost meer energie dan het produceren van een kilo voedsel van plantaardige oorsprong. Dieren staan immers hoger in de piramide van biomassa dan planten."

Leg uit dat de productie van een kilo vlees meer energie kost dan de productie van een kilo graan. Gebruik in je antwoord het woord 'voedselketen'.

Voeding

1/4 Een darminfectie.

Rauw vlees, vooral van kippen en varkens, kan besmet zijn met ziekteverwekkende bacteriën zoals Salmonella en Campylobacter. Als deze bacteriën in het verteringskanaal terechtkomen, kunnen ze onder andere diarree veroorzaken. Bij diarree is de ontlasting dun en waterig doordat de onverteerde resten niet genoeg zijn ingedikt.

Hoe heet het deel van het verteringskanaal waarin onverteerde resten worden ingedikt?

Dit deel heet de/het [invulveld].

Voeding

2/4 Een darminfectie.

Om vast te stellen of een darminfectie de oorzaak is van diarree wordt wat ontlasting onderzocht. In de ontlasting worden onder andere cellen aangetroffen die een kern hebben, maar geen celwand.

Kunnen zulke cellen bacteriën zijn? Leg je antwoord uit.

Voeding

3/4 Een darminfectie.

De bacterie Campylobacter kan, naast diarree, in zeldzame gevallen een ernstige ziekte veroorzaken die het zenuwstelsel aantast. Deze ziekte is een zogenaamde auto-immuunziekte. Hierbij bestrijdt het afweersysteem niet alleen Campylobacter, maar ook stoffen op de buitenkant van de zenuwen. Deze stoffen zetten het lichaam aan tot het maken van antistoffen.

Zo'n auto-immuunziekte kan niet bestreden worden door passieve immunisatie. Leg uit waardoor dat niet kan.

Voeding

4/4 Een darminfectie.

Op een boerderij krijgen varkens voer waaraan melkzuurbacteriën zijn toegevoegd. Het blijkt dat het vlees van deze varkens minder besmet is met schadelijke darmbacteriën.
Een kippenfokker vraagt zich af of ook kippen minder snel met Campylobacter besmet raken als ze voer krijgen met melkzuurbacteriën.

Schrijf een werkplan op voor een onderzoek waarmee dit nagegaan kan worden.

Voeding

1/2 Lactose-intolerantie.

Met behulp van het enzym lactase kan lactose (melksuiker) worden verteerd tot de suikers glucose en galactose.
Lactose kan in de darm van de mens niet geresorbeerd worden; glucose en galactose wèl.
Kinderen produceren in het algemeen voldoende lactase. Op latere leeftijd komt het voor dat er nauwelijks nog lactase gevormd wordt. Na het drinken van melk blijft dan lactose onverteerd in de darm achter. De bacteriën in de darm zetten de lactose om in melkzuur.
Het gevolg daarvan is diarree, één van de symptomen van lactose-intolerantie.

Tot welke groep van stoffen behoort lactose?
En tot welke groep behoort lactase?

afbeeldingafbeelding




-

Voeding

2/2 Lactose-intolerantie.

De vorming van lactase is afhankelijk van de aanwezigheid van een bepaald gen.

Om welke reden is het niet aannemelijk dat dit gen ontbreekt bij volwassen mensen die lijden aan lactose-intolerantie?

Voeding

1/3 Maagzweren door bacteriën.

In het algemeen kunnen bacteriën in de maag van de mens niet in leven blijven. Toch kunnen in de maag bepaalde bacteriën (Helicobacter) voorkomen. Deze bacteriën worden in verband gebracht met het ontstaan van maagzweren. Men kan de bacteriën opsporen met behulp van een ademtest. Men dient dan een patiënt radioactief gelabeld ureum in de maag toe. De Helicobacter-bacteriën breken in de maag dit ureum af tot ammoniak en koolstofdioxide. Radioactief koolstof afkomstig van het ureum kan na enige tijd worden aangetoond in de uitgeademde lucht.

Noem een oorzaak waardoor in het algemeen bacteriën in de maag niet kunnen overleven.

Voeding

2/3 Maagzweren door bacteriën.

Ook buiten het lichaam van de mens komen bacteriën voor die ureum omzetten in koolstofdioxide en ammoniak.

In welke van de onderstaande materialen komen per liter de meeste van deze bacteriën voor?

Voeding

3/3 Maagzweren door bacteriën.
Zie figuur A 355 van de bijlage.

Toegediend ureum dat niet door Helicobacter in de maag wordt omgezet, wordt in het bloed opgenomen en op de normale wijze uitgescheiden. De afbeelding geeft een schema van de bloedsomloop weer.

Geef de naam van de plaats waar het ureum het interne milieu van het lichaam verlaat.
Geef ook in de juiste volgorde de in de afbeelding genoemde bloedvaten waardoor het ureum uit de maag langs de kortste weg deze door jou genoemde plaats bereikt.

afbeeldingafbeelding

Voeding

1/5 Tyfus-Mary.

De ziekte tyfus is een gevolg van een ernstige darminfectie die wordt overgedragen door besmet drinkwater of besmet voedsel.
In het begin van deze eeuw leefde in de VS een kokkin (Mary) die tussen 1901 en 1906 minstens 25 gevallen van tyfus ‘veroorzaakte'. De veroorzaker van tyfus, de bacterie Salmonella typhi, bleek zich in haar darmen te bevinden zonder dat Mary zelf de symptomen van deze ziekte vertoonde.
Mary moest uiteindelijk als draagster van tyfusbacteriën de rest van haar leven in een huis op het terrein van een ziekenhuis verblijven, want men kon haar toen niet bacterievrij maken. Het was te gevaarlijk om haar tussen de mensen in de maatschappij te laten leven. Andere bacteriën dan Salmonella typhi kunnen op overeenkomstige wijze ziekten veroorzaken. Deze bacteriën kunnen voorkomen in verontreinigd drinkwater of op vlees doordat in het slachthuis of in de slagerij besmetting heeft plaatsgevonden.

Naast het opsporen van de draagster van Salmonella typhi en het isoleren van de draagster en patiënten hadden nog meer maatregelen genomen kunnen worden om de verspreiding van de ziekte te voorkomen.

Noem zo'n maatregel.

Voeding

2/5 Tyfus-Mary.

Iemand koopt een kilo gehakt en een kilo vlees aan een stuk. Bij de bereiding laat deze persoon zowel het gehakt als het stuk vlees van binnen rauw.

Is de kans op besmetting met salmonellabacteriën bij het eten van beide vleessoorten even groot?
Zo nee, bij welke vleessoort is deze kans het grootst?

Voeding

3/5 Tyfus-Mary.

In de tekst is er sprake van dat ‘andere bacteriën dan Salmonella typhi ziekten kunnen veroorzaken. Een voorbeeld hiervan zijn bacteriën die aangeduid worden met Salmonella paratyphi.

In welke relatie staan deze bacteriën met Salmonella typhi?