Oefentoets Biologie: Dissimilatie - Algemeen | HAVO 4/HAVO 5 | variant 3

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Assimilatie_dissimilatie

1/3 Bonte kamerplanten.
Zie figuur B 2706 van de bijlage.

afbeeldingafbeelding

Er zijn veel kamerplanten waarvan de bladeren niet geheel groen zijn. Dergelijke planten worden bontbladig genoemd. Twee voorbeelden van planten met bonte bladeren zijn de bontbladige geranium en de siernetel. Bij de bontbladige geranium zijn de randen van de bladeren wit. Bij de siernetel zijn allerlei kleurencombinaties mogelijk zoals: de binnenste delen rood, de buitenste delen wit en de zone daartussenin donkergroen (zie de afbeelding). De kleuren van de siernetel komen tot stand door de aan- of afwezigheid van bladgroen en de kleur van het vacuolevocht.
Uit verschillende delen van het blad van de bontbladige geranium en het blad van de siernetel, zoals die zijn weergegeven in de afbeelding, zijn cellen geïsoleerd.

Zie volgende scherm.

Dissimilatie

Bacteriën en O2 .

Bacteriën van een bepaalde soort kunnen zowel in een omgeving met O2 als in een omgeving zonder O2 leven.

In welke omgeving verkrijgt zo'n bacterie de meeste energie uit een bepaalde hoeveelheid glucose en in welke omgeving zal deze bacterie hieruit de meeste CO2 produceren?

afbeeldingafbeelding

Dissimilatie

Een met champignons gevulde thermosfles.

Een thermosfles bevat vers geplukte jonge champignons en lucht. De fles is afgesloten. Gedurende enige uren worden de temperatuur en het koolstofdioxidegehalte in deze thermosfles gemeten.

Zal de temperatuur in de thermosfles dalen of stijgen?
Zal het koolstofdioxidegehalte in de thermosfles dalen of stijgen?

afbeeldingafbeelding

Dissimilatie

Drie stofwisselingsprocessen.

Drie stofwisselingsprocessen zijn hieronder weergegeven:

afbeeldingafbeelding

Deze processen leveren per molecuul glucose niet evenveel energie op.

Welk proces levert de meeste energie per molecuul glucose op?

Dissimilatie

Drie stofwisselingsprocessen.

Drie stofwisselingsprocessen zijn hieronder weergegeven:

afbeeldingafbeelding

Welke twee processen kunnen plaatsvinden in een skeletspier van een mens?
Welk van de processen 1 , 2 en 3 vindt vooral plaats bij het rijzen van brooddeeg waaraan gist is toegevoegd?

afbeeldingafbeelding

Dissimilatie

1/2 De hydrolyse van zetmeel uit maïs.
Zie figuur C 64 van de bijlage hieronder.

Inleiding.
De hydrolyse (vrijmaken) van zetmeel uit maïs, tarwe en aardappelen op industriële basis kan zowel klassiek/chemisch, biotechnologisch met behulp van enzymen als in een mix van beide, namelijk chemisch/biotechnologisch uitgevoerd worden. Daarna kan amylase worden toegepast worden voor de omzetting van zetmeel in uiteindelijk glucose. De verkregen glucose-fructose mengsels kunnen door middel van isomerase omgezet worden in HFCS (= high-fructose-corn-syrop). Met behulp van isomerase kan door verdere opwerking materiaal verkregen worden dat 90% fructose bevat, terwijl het eigenlijke reactiemengsel bij evenwicht 51% glucose, 42% fructose en 7% oligosachariden bevat. Fructose heeft een grotere zoetkracht dan glucose.

Uitvoering.
Zie figuur C 64 van de bijlage.
afbeeldingafbeelding
Voor het vrijmaken van zetmeel uit maïs is bovenstaande (vereenvoudigde) proefopstelling in gebruik.
In deze opstelling bevinden zich 6 fermentoren met daarin maïskorrels. De bedoeling is dat door middel van weking en fermentatie micro-organismen de eiwitmantel rond het zetmeellichaam in de maïskorrel afbreken waarna het zetmeel door middel van een mixer en een centrifuge kan worden vrijgemaakt.
Aan het begin van de proef wordt begonnen met fermentor 6 gevuld met maïs en luchtdicht afgesloten. Deze fermentor krijgt een bepaalde hoeveelheid vers water van onderaf toegevoerd waarna bovenin de fermentor de vloeistof wordt afgevoerd en opnieuw van onderaf in de fermentor gebracht.
Na 6 uur wordt fermentor 5 met verse maïs voor fermentor 6 geschakeld waarbij vers water aan fermentor 5 wordt toegevoegd en de vloeistofstroom uit deze fermentor nu in fermentor 6 wordt gebracht, zoals in de figuur is afgebeeld.
Elke 6 uur daarna wordt een nieuwe fermentor voorgeschakeld, totdat de reeks van 6 voltooid is. Gedurende deze reeks-ontwikkeling wordt begonnen met de afvoer van bepaalde hoeveelheden afvalwater en toevoer van even grote hoeveelheden vers water. Op deze wijze kan fermentor 6 na 36 uur weking en fermentatie (de vereiste tijd) afgeschakeld worden waarna het vrijmaken van het zetmeel kan beginnen.
De restopstelling kan in een continu-proces volgens bovenstaand principe verder doorgeschakeld worden en doorgaan met weking en fermentatie.

Zie volgende scherm

Dissimilatie

2/2 De hydrolyse van zetmeel uit maïs.
Zie figuur C 64 van de bijlage.

Over bovenstaand proces worden, met betrekking tot het terugvoeren van weekwater naar het begin van het systeem, drie beweringen gedaan:

1. Het teruggevoerde weekwater uit fermentor 6 bevat opgelost zetmeel dat als voedsel kan dienen voor de fermenterende micro-organismen in de fermentoren 1 t/m 5.
2. Het teruggevoerde weekwater uit fermentor 6 bevat een groeiend aantal fermenterende micro-organismen waarmee de fermentoren 1 t/m 5 versneld op gang kan worden gebracht.
3. Het teruggevoerde weekwater uit fermentor 6 bevat toenemende hoeveelheden O2 en CO2 waarmee de fermentatie in de fermentoren 1 t/m 5 voortdurend versneld kan worden.

Welke bewering is of welke beweringen zijn juist?

afbeeldingafbeelding

Dissimilatie

Zware arbeid verricht door een spier.

Een spier verricht gedurende vijf minuten zware arbeid.
Twee situaties waarin dit gebeurt, worden vergeleken.

- Situatie P: door onvoldoende aanvoer van zuurstof wordt een deel van de verbruikte glucose in deze spier omgezet in melkzuur.
- Situatie Q: er wordt voldoende zuurstof aangevoerd, zodat geen melkzuur in deze spier ontstaat.

In situatie P wordt in totaal dezelfde hoeveelheid energie vrijgemaakt als in situatie Q.
Over deze spier wordt een aantal beweringen gedaan:

1. De spier produceert in situatie P melkzuur, maar geen koolstofdioxide en geen water; in situatie Q produceert de spier geen melkzuur, maar wel koolstofdioxide en water.
2. De spier produceert in situatie P melkzuur, koolstofdioxide en water ; in situatie Q produceert de spier geen melkzuur, maar wel koolstofdioxide en water.
3. De spier verbruikt in situatie P evenveel glucose als in situatie Q.
4. De spier verbruikt in situatie P minder glucose dan in situatie Q.

Welke bewering is juist?

Dissimilatie

Onderzoek met gist.
Zie figuur C 15 van de bijlage.

Een onderzoeker vult twee reageerbuizen geheel met een suikeroplossing. Hij zet de reageerbuizen omgekeerd in bakjes die hij met dezelfde suikeroplossing heeft gevuld. De ene opstelling zet hij vervolgens in het donker en de andere in het licht. Beide opstellingen staan bij kamertemperatuur.
Met een kromgebogen injectienaald wordt dan in elke reageerbuis een gelijk aantal mL van een gekoelde gistsuspensie gespoten.
Drie uur later blijkt dat in beide buizen het vloeistofniveau is gedaald. Figuur C 15 geeft een beeld van het experiment.

Over de resultaten van dit experiment worden de volgende uitspraken gedaan:

1. aan het eind van de proef bevat de ruimte boven de vloeistof in beide buizen koolstofdioxide.
2. de warmteproductie is tijdens de proef het grootst in de buis die in het donker staat.
3. het vloeistofniveau is aan het eind van de proef het meest gedaald in de buis die in het licht staat.

Welke uitspraak kan of welke uitspraken kunnen juist zijn?

afbeeldingafbeelding

Dissimilatie

Lichtgevende organen van sommige vissen.

In zee heerst, ongeveer vanaf 500 meter diepte, een bijna volslagen duisternis. Vissen die daar voorkomen bezitten veelal lichtgevende organen. Beneden 2500 m diepte komen vrijwel of geen hogere levensvormen meer voor; zuurstof ontbreekt op deze diepte vrijwel geheel.
Het licht van lichtgevende organen van sommige vissen op 500 m diepte kan vrijwel direct worden gedoofd door de bloedtoevoer naar die organen te stoppen.

Door welk proces wordt dit licht opgewekt?

Dissimilatie

Experiment met heterotrofe bacteriën in een glucose-oplossing.

Bij een experiment worden drie erlenmeyers gevuld met een glucose-oplossing. Hierbij worden heterotrofe bacteriën gedaan.
De bacteriën in erlenmeyer 1 zetten glucose om in melkzuur.
De bacteriën in erlenmeyer 2 zetten glucose om in CO2 en H2 O.
De bacteriën in erlenmeyer 3 zetten glucose om in alcohol en CO2 .
De erlenmeyers bevatten lucht en zijn afgesloten. Aangenomen wordt dat in elke erlenmeyer per tijdseenheid evenveel moleculen glucose worden omgezet.

Neemt dan tijdens het experiment het gewicht toe van een van de erlenmeyers met inhoud?
Zo ja, van welke?

Dissimilatie

Levende heterotrofe planten onder een glazen stolp.

Onder een glazen stolp wordt een aantal levende heterotrofe planten gebracht. De stolp wordt luchtdicht afgesloten.

Welke van onderstaande veranderingen in de samenstelling van de lucht in de stolp kan worden verwacht?

Dissimilatie

Stofwisselingsprocessen in spieren.

In spieren van de mens vinden onder andere de volgende stofwisselingsprocessen plaats:

1. opbouw van eiwitten uit aminozuren,
2. vorming van melkzuur uit glucose,
3. vorming van glycogeen uit glucose,
4. vorming van CO2 en H2 O uit glucose en O2 .

Bij welk of bij welke van deze processen komt energie vrij die kan worden gebruikt voor het samentrekken van de spieren?

Dissimilatie

Dissimilatie.
Zie figuur B 1346 van de bijlage.


De cellen van een worteltopje van een plant nemen zuurstof op uit de in de bodem aanwezige lucht. In een experiment wordt de zuurstofopname van een aantal worteltopjes bepaald bij verschillende zuurstofgehaltes van de lucht in de bodem en bij drie verschillende bodemtemperaturen : 15°C, 20°C en 30°C. De overige omstandigheden blijven gelijk. De resultaten zijn uitgezet in het afgebeelde diagram.

Bij welke van deze drie temperaturen is een zuurstofgehalte van 20% in de lucht in de bodem beperkend voor de dissimilatie in de cellen in de worteltopjes?

afbeeldingafbeelding

Dissimilatie

1/3 Stofwisseling.

Bij een proef worden geraniums in bloempotten met aarde onder een afgesloten glazen stolp geplaatst. Onder de stolp wordt tevens een schaaltje kalkwater geplaatst. Kalkwater wordt snel troebel als het in contact komt met een hogere concentratie koolstofdioxide dan er normaal in de lucht aanwezig is. Als blanco proef gebruikt men bloempotten met aarde zonder planten in een overigens gelijke opstelling.
Tijdens de proef wordt het kalkwater in beide opstellingen troebel. Onder de stolp met bloempotten met geraniums gebeurt dit eerder dan onder de stolp met bloempotten zonder planten.

Ten gevolge van welk stofwisselingsproces in de geraniums wordt het kalkwater onder de stolp met geraniums troebel?

het proces: [invulveld]

Dissimilatie

2/3 Stofwisseling.

Onder welke omstandigheden werd dit experiment uitgevoerd? In fel licht, in het donker of is dit uit het resultaat niet af te leiden?

Dissimilatie

3/3 Stofwisseling.

Op den duur wordt het kalkwater onder de stolp met alleen bloempotten met aarde ook troebel.

Formuleer een hypothese ter verklaring van dit verschijnsel en geef aan met welke proef je die hypothese kunt toetsen. Geef daarbij ook aan bij welk resultaat je hypothese wordt bevestigd.
Doe het zo op je antwoordblad:

hypothese: .......,
proef: ...........,
bevestigend resultaat: ........

Dissimilatie

1/2 U-buis.
Zie figuur B 2238 van de bijlage.

In een U-vormig gebogen brede glazen buis brengt men een hoeveelheid kalkwater. Kalkwater bindt koolstofdioxide waarbij een witte troebeling optreedt doordat een onoplosbare stof ontstaat. Men sluit één uiteinde van de buis luchtdicht af met een kurk waaraan een stuk levende plantenwortel is bevestigd. De proefopstelling (zie de afbeelding) bevindt zich in het licht. Na enige tijd ontstaat in het water in de buis een troebeling.

Zal het vloeistofniveau aan de kant van de wortel dalen, gelijk blijven of stijgen?

afbeeldingafbeelding

Dissimilatie

2/2 U-buis.

Maakt het voor het resultaat van de proef verschil of de proefopstelling in het licht of in het donker staat, terwijl de overige omstandigheden gelijk zijn?
Zo ja, welk verschil is dit?

Dissimilatie

1/3 Stofwisseling.

Drie stofwisselingsprocessen zijn hieronder weergegeven:

afbeeldingafbeelding

Deze processen leveren per molecuul glucose niet evenveel energie op.

Welk proces levert de meeste energie per molecuul glucose op?