Oefentoets Biologie: Sport - Sport | HAVO 4/HAVO 5

Deze oefentoets bevat 22 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

22

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Sport

1/5 Voorkómen van sportblessures.
Zie figuur B 1391 van de bijlage.
afbeeldingafbeelding

De tekst en de tekeningen in de figuur zijn afkomstig uit de Postbus 51-brochure "Blessures, maak er geen sport van".

Tekst:
Warming-up.
Koude spieren in rusttoestand moeten niet plotseling zwaar belast worden. Want dan kunnen ze scheuren. Vandaar de warming-up voor de wedstrijd of de training, al dan niet vergezeld van een massage. De warming-up moet twee dingen doen: de spiertemperatuur opvoeren en de lichaamsfuncties op actieniveau brengen. (zie bovenste mannetje van de figuur).

Cooling-down.
Bij het trainen of sporten gebruik je je spieren intensief. Daardoor hopen zich in de spieren afvalstoffen op. Die stoffen veroorzaken spierpijn en moeten er dus uit. Daarvoor is een behoorlijke bloedsomloop nodig. Vandaar dat je na het sporten niet moet neerploffen, maar nog wat moet uitlopen en/of rustige oefeningen moet doen. Daar zitten ook wat strek- (stretch-)oefeningen bij, om de spieren weer naar de normale spanning terug te brengen (zie onderste mannetje in de figuur).

Zie volgende scherm

Sport

2/5 Voorkómen van sportblessures.
Zie figuur C 83 van de bijlage.

De invloed van warming-up op de volgende factoren in het lichaam worden bestudeerd:

1. de intensiteit van de dissimilatie met zuurstof,
2. de hartslagfrequentie,
3. de hoeveelheid adrenaline die per tijdseenheid wordt afgegeven.

Welke van deze factoren neemt of welke nemen toe tijdens de warming-up?

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Sport

3/5 Voorkómen van sportblessures.
Zie figuur C 91 van de bijlage.

Van welk deel of van welke delen van het autonome zenuwstelsel neemt de activiteit tijdens de warming-up toe?

afbeeldingafbeelding

Sport

4/5 Voorkómen van sportblessures.

In de brochure staat dat door cooling-down afvalstoffen uit de spieren worden verwijderd.

Welke 'afvalstof' ontstaat in spieren bij dissimilatie zonder zuurstof?

Sport

5/5 Voorkómen van sportblessures.

Ondanks de adviezen over warming-up, krijgt iemand een blessure waarbij een spier scheurt. De blessure wordt door de verzorger direct met ijs gekoeld.

Beïnvloedt dit koelen de frequentie van impulsen vanuit de gescheurde spier naar de hersenen?
Zo ja, is deze impulsfrequentie lager of hoger dan zonder koeling?

Sport

1/3 Sport.

In het algemeen is het onverstandig om tijdens het sporten te eten. Dit geldt met name als de duur van de inspanning korter is dan twee uur. In de spieren en in de lever is dan voldoende glycogeen aanwezig zodat aanvulling tijdens de inspanning niet nodig is. Als de inspanning echter langer duurt dan twee uur, kan extra koolhydraatopname tijdens de inspanning de prestatie verbeteren.
Als verklaring waarom men beter niet tegelijkertijd kan eten en sporten, worden twee beweringen gedaan:

1. Tijdens het sporten vindt in het autonome zenuwstelsel vooral impulsoverdracht plaats in het orthosympathische deel, waardoor minder bloed naar de verteringsorganen stroomt.
2. Tijdens het sporten vindt vooral impulsoverdracht plaats in het animale zenuwstelsel, terwijl er nauwelijks impulsoverdracht plaatsvindt in het autonome zenuwstelsel.

Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?

Sport

2/3 Sport.
Zie figuur C 83 van de bijlage.

Drie hormonen zijn: adrenaline, glucagon en insuline.

Onder invloed van welke van deze hormonen wordt glycogeen omgezet in glucose?

afbeeldingafbeelding

Sport

3/3 Sport.

Tijdens inspanning worden behalve glycogeen ook andere energierijke stoffen verbruikt.
Drie energiebronnen in een lichaamscel zijn: eiwit, melkzuur en vet.

Welke van deze energiebronnen levert per gram de meeste energie?

Sport

1/4 Marathon lopen.

Bij het lopen van een marathon verbruikt het lichaam veel energie. De belangrijkste energiebronnen voor de spieren zijn koolhydraten en vetten. De glycogeenvoorraad in het lichaam is in het algemeen voldoende voor het handhaven van de glucoseconcentratie in het bloed gedurende ruim een uur activiteit. Bij voortdurende zware inspanningen, die - zoals bij een marathon - langer dan een uur duren, is het daarom belangrijk om tijdens de inspanning te eten.

Bevindt de genoemde glycogeenvoorraad zich in de lever, in de spieren of zowel in de lever als in de spieren?

Sport

2/4 Marathon lopen.

Door de invloed van het autonome zenuwstelsel is de vertering van het voedsel tijdens inspanning slechter dan in rust.
Over het autonome zenuwstelsel worden drie beweringen gedaan:

1. Het aantal impulsen per tijdseenheid in zenuwen van het parasympathische deel van het autonome zenuwstelsel die naar het maagdarmkanaal gaan, neemt bij inspanning af.
2. Het aantal impulsen per tijdseenheid in zenuwen van het parasympatische deel van het autonome zenuwstelsel die naar het maagdarmkanaal gaan, neemt bij inspanning toe.
3. Het aantal impulsen per tijdseenheid in zenuwen van het orthosympatische deel van het autonome zenuwstelsel die naar het maagdarmkanaal gaan, neemt bij inspanning toe.

Welke van deze beweringen geeft een oorzaak van de slechte vertering tijdens inspanning?

Sport

3/4 Marathon lopen.

Een grote inspanning leidt tot een grote zweetproductie.
Drie activiteiten in de huid zijn:

1. vernauwing van bloedvaten,
2. verwijding van bloedvaten,
3. samentrekken van haarspiertjes.

Welke van deze activiteiten vindt tegelijk met het toenemen van de zweetproductie plaats?

Sport

4/4 Marathon lopen.

Drie typen processen in het lichaam van een marathonloper zijn:

1. afgifte van warmte,
2. assimilatieprocessen,
3. dissimilatieprocessen.

Welk van deze processen neemt of welke nemen in intensiteit toe tijdens het lopen van een marathon?

Sport

1/4 Hardlopen.
Zie figuur B 2131 en figuur C 91 van de bijlage.

Een man loopt hard op een trimbaan.
Enkele organen van de man zijn: de kuitspieren, de dunne darm, het hart en de nieren.

Door welk of welke van deze organen stroomt tijdens het hardlopen per minuut de grootste hoeveelheid bloed?

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Sport

2/4 Hardlopen.

Tijdens het hardlopen raken de benen van de man zwaar vermoeid. De vermoeidheid ontstaat onder andere doordat zich in de spieren een bepaald stofwisselingsproduct ophoopt, dat tijdens maximale inspanning in zijn spieren wordt gevormd.

Welk stofwisselingsproduct is dit?

Sport

3/4 Hardlopen.

Om het moe worden te vertragen had de man vooraf oefeningen kunnen uitvoeren. Drie typen bloedvaten in zijn benen zijn: aders, haarvaten en slagaders.

In welke van deze bloedvaten zou de hoeveelheid bloed die er per minuut doorstroomt, tijdens de oefeningen zijn toegenomen?

Sport

4/4 Hardlopen.

Na het hardlopen gaat de man thuis bij de televisie zitten en valt in slaap.

Heeft één van de beide delen van het autonome zenuwstelsel tijdens het slapen een grotere invloed op het functioneren van het ademhalingsstelsel en het bloedvatenstelsel dan tijdens het trimmen?

Sport

1/3 Hardlopen.

Een ongetrainde loper krijgt na enige tijd hardlopen pijn in zijn zij. Opgehoopt gas wordt wel als verklaring voor het ontstaan van deze pijn genoemd. Dit gas wordt door bacteriën gevormd en door het hardlopen hoopt het zich op in een bepaald deel van het spijsverteringskanaal. Normaal wordt het gevormde gas via het bloed afgevoerd. Bij hardlopen is de doorbloeding van het spijsverteringskanaal geringer dan normaal.
Drie delen van het spijsverteringskanaal zijn de dikke darm, de dunne darm en de maag.

In welk deel van het spijsverteringskanaal is de kans op een dergelijke ophoping van gas tijdens het hardlopen het grootst?

Sport

2/3 Hardlopen.

Wordt de doorbloeding van de spijsverteringsorganen geregeld door het animale zenuwstelsel, door het autonome zenuwstelsel of door beide?

Sport

3/3 Hardlopen.

Wanneer een molecuul van het opgehoopte gas langs de kortste weg via de wand van het spijsverteringskanaal wordt afgevoerd naar de longen, passeert dit molecuul dan het hart?
Zo ja, hoeveel keer minimaal?

Sport

1/3 Emancipatie in prestatie?

Tekst:
"Mannen hebben gemiddeld dikkere spieren dan vrouwen, doordat mannen meer testosteron produceren dan vrouwen.

Testosteron is een hormoon dat de opbouw stimuleert van ... 1 ... en aangezien spieren voornamelijk uit ... 1 ... bestaan, is iemand met meer testosteron gespierder dan iemand met minder testosteron.

Mannen hebben gemiddeld een groter hart dan vrouwen. Afgezien van het feit dat mannen gemiddeld 5 à 6 liter bloed hebben en vrouwen gemiddeld ongeveer 4,5 liter, is de concentratie rode bloedlichaampjes per liter bloed bij mannen hoger dan bij vrouwen. Die bloedlichaampjes bevatten ... 2..., een organische stof, die in staat is zuurstof te binden.

Tenslotte spelen spiervezels een belangrijke rol. In een spier zijn langzame en snelle spiervezels aanwezig. De langzame worden voornamelijk gebruikt tijdens duurinspanning en de snelle tijdens inspanningen van korte en zeer korte duur, zoals de honderd meter sprint. Het lijkt erop dat bij vrouwen het percentage langzame spiervezels in de beenspieren groter is dan het percentage langzame spiervezels in de beenspieren bij mannen. Bij vrouwen is de totale spiermassa gemiddeld 35,8% van het lichaamsgewicht en bij mannen 41,8%.

In de afgelopen jaren zijn prestatieverschillen tussen mannen en vrouwen kleiner geworden en sommigen beweren zelfs dat vrouwen bezig zijn de mannen in te halen. Dit laatste is echter schijn'.

bewerkt naar: een artikel van Brenda van Keeken in" Stilstaan en bewegen"

Welke woord is bij 1 weggelaten?
En bij 2?



-

Sport

2/3 Emancipatie in prestatie?

Vier beweringen over snelle en langzame spiervezels zijn:

1. De snelle spiervezels verkrijgen tijdens de sprint voornamelijk energie uit aërobe dissimilatie.
2. De snelle spiervezels verkrijgen tijdens de sprint voornamelijk energie uit anaërobe dissimilatie.
3. De langzame spiervezels verkrijgen tijdens een duurloop voornamelijk energie uit aërobe dissimilatie.
4. De langzame spiervezels verkrijgen tijdens een duurloop voornamelijk energie uit anaërobe dissimilatie.

Welke van deze beweringen zijn juist?

Sport

3/3 Emancipatie in prestatie?

Brenda van Keeken meent dat er prestatieverschillen zullen blijven bestaan tussen vrouwen en mannen.

Geef twee argumenten waarmee wordt aangegeven dat het onwaarschijnlijk is dat vrouwen beter zullen worden in een duursport dan mannen en leg die argumenten uit.