Oefentoets Biologie: Ecologie | VWO 4/VWO 5/VWO 6 | variant 21

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Ecologie

Kiezelwieren.
Zie figuur A 1159 van de bijlage.

De grafiek hiernaast toont de seizoensgebonden fluctuaties in het aantal kiezelwieren en in sommige abiotische factoren in de bovenlaag van een gedeelte van de Atlantische oceaan in de Noordelijke gematigde zone.

Welke interpretatie van deze grafiek is juist?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

Koraaldiertjes.

Koraaldiertjes die riffen bouwen, leven in ondiep, helder zeewater. Ze leven in symbiose met zoöxanthellen: algen die zich in hun darmen gevestigd hebben.
We vinden in de riffen twee chemische reacties:

6CO2 + 6H2 O ® C6 H12 O6 + 6O2
Ca(HCO3 )2 « CaCO3 + H2 O + CO2

Welke van de volgende vier beweringen is niet juist?

Ecologie

Competitie en coöperatie.

Koraal bestaat uit kolonies van kleine holtedieren in een kalkskeletje. Deze holtedieren leven in symbiose met eencellige fotosynthetiserende algen, zoöxanthellae, die de bruinrode kleur van levend koraal veroorzaken. De koraaldiertjes gebruiken de zuurstof en voedingsstoffen die de zoöxanthellae produceren, de zoöxanthellae gebruiken op hun beurt voor fotosynthese bepaalde afvalstoffen van de holtediertjes.

Welke relatie is er tussen de holtedieren en de zoöxanthellae?

Ecologie

Methaanproductie.

Door welk proces ontstaat methaan in een biogasinstallatie?

Ecologie

1/3 Zweeds ecosysteem.
Zie figuur A 1160 van de bijlage.

Bekijk de afbeelding hiernaast, waarin een vereenvoudigd Zweeds ecosysteem wordt getoond.

Geef aan wat met de zes hoofdletters in deze afbeelding wordt aangegeven.

A = [invulveld];
B = [invulveld];
C = [invulveld];
D = [invulveld];
E = [invulveld];
F = [invulveld].

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/3 Zweeds ecosysteem.
Zie figuur A 1160 van de bijlage.

Bekijk het schema van een Zweeds ecosysteem hiernaast.

Welke van deze zes hoofdletters geven biotische factoren weer?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

Amfibieën op Sri Lanka.

Op het eiland Sri Lanka komen 38 soorten amfibieën voor, waarvan 16 endemisch zijn.

Leg uit wat het begrip endemisch inhoudt.

Ecologie

Kolonisatie van Anak Krakatau.
Zie figuur B 5177 van de bijlage.

Na de uitbarsting van de Krakatau in 1883 verdween een heel eiland in de golven. Later ontstond er een nieuw vulkanisch eiland: Anak Krakatau (zie afbeelding).
Stel dat dit eiland gekoloniseerd wordt door 500 soorten en dat er na 50 jaar al 450 soorten aanwezig zijn.

Bereken nu met behulp van onderstaande formule hoeveel soorten er per jaar gemiddeld verschijnen en verdwijnen. Rond af op een geheel getal.

R = 1.16 Š
t0.90

afbeeldingafbeelding

Ecologie

Functionele respons.
Zie figuur B 5178 van de bijlage.

De Amerikaanse ecoloog Holling deed onderzoek aan de functionele respons. Hij vergeleek het eetgedrag van twee spitsmuizen (Blarina en Sorex) en een witvoetmuis (Peromyscus), wanneer er steeds meer van hun voedselbron, cocons van de dennenbladwesp, werden aangeboden.
In de afbeelding hiernaast zie je het resultaat van zijn onderzoek. Op de X-as staat het aantal cocons per acre (in duizendtallen), op de Y-as het aantal cocons dat wordt gegeten per (spits)muis per dag.
Er worden enkele conclusie getrokken:

1. Bij cocon-aantallen van 100 en lager is een exemplaar van Blarina nog niet verzadigd met cocons, exemplaren van Sorex en Peromyscus wel.
2. Bij cocon-aantallen van 800 en hoger is een exemplaar van Blarina verzadigd met cocons, exemplaren van Sorex en Peromyscus nog niet.

Welke conclusie is of welke zijn juist?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

Voedselweb.
Zie figuur B 5179 van de bijlage.

De afbeelding hiernaast laat een deel van een voedselweb in een ecosysteem zien.

Zet de cijfers in de rechter kolom bij de juiste ecologische begrippen in de linker kolom.

afbeeldingafbeelding
  • 2

  • 1

  • 6

  • 4

  • 3

  • 5

  • omnivoor

  • producent

  • organisch afval

  • predator I

  • herbivoor

  • dierlijke parasiet

Ecologie

Effectieve populatiegrootte.

Om het verlies aan genetische diversiteit in een populatie aanvaardbaar te houden, moet de effectieve populatiegrootte (Ne ) minimaal 50 zijn.
De effectieve populatiegrootte is te berekenen met de formule:

Ne = 4 x aantal mannetjes x aantal vrouwtjes
(aantal mannetjes + aantal vrouwtjes)

Beschouw de volgende drie populaties:

I. 25 mannetjes en 25 vrouwtjes;
II. 85 mannetjes en 100 vrouwtjes;
III. 10 mannetjes en 1000 vrouwtjes

Welke populatie is of welke zijn voldoende divers?

Ecologie

1/2 Verzuurde meren.
Zie figuur A 1163 van de bijlage.

In Zweden heeft men veel last gehad van verzuring van meren.
In de afbeelding hiernaast staan de tolerantiegebieden ten opzichte van de pH van verschillende groepen organismen.
Normaal schommelt de pH in de Zweedse meren tussen 4,5 en 6,5.

Welke groepen raken in de problemen als de pH onder de 4,5 daalt?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/2 Verzuurde meren.
Zie figuur A 1163 van de bijlage.

Groep 8 bestaat uit insecten die vaak door vissen worden gegeten. Groep 9 bestaat uit insectenetende vogels.

Verklaar met behulp van de afbeelding hun tolerantiegebied.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

1/6 Kosten en baten bij honingzuigers.
Zie de figuren B 5183 en B 5184 van de bijlage.

Aan de zuidelijke oever van Lake Naivasha in Kenya staan enorme velden leeuwenoor (Leonotis nepetifolia), zie afbeelding 1. De bloemen van deze plant worden bezocht door goudvleugelhoningzuigers (Nectarinia reichenowi), zie afbeelding 2.
De territoria van de honingzuigers variëren in grootte van 7-2000 m2 . Binnen het territorium staan meer of minder leeuwenoorplanten met voor de vogels aantrekkelijke nectar. Iedere bloem produceert per dag 6 µl nectar met een energiewaarde van 3 joule/µl.

Leg uit welk verband er bestaat tussen de dichtheid aan bloemen en de grootte van het verdedigde territorium.

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Ecologie

2/6 Kosten en baten bij honingzuigers.

De hoeveelheid nectar die een vogel in een bloem vindt, hangt af van de tijd die is verstreken sinds het laatste bezoek.
In een gebied met leeuwenoorbloemen worden bepaalde delen sterk verdedigd als territoria door bepaalde vogels en andere niet.
Frank Gill en Lary Wolf onderzochten op twee dagen in een gebied met heel veel honingzuigers de hoeveelheid nectar in bloemen binnen en buiten de territoria.

Welke hypothese over de hoeveelheid nectar zullen zij gesteld hebben?
Leg je antwoord uit.

Ecologie

3/6 Kosten en baten bij honingzuigers.

Een honingzuiger besteedt per dag ongeveer 150 minuten aan het zoeken naar nectar.
Hij heeft per dag 54 kJ aan energie nodig.
Elk bloembezoek kost 1,5 sec.

Bereken hoeveel J/s en hoeveel J/bloem de vogel moet verzamelen.

Ecologie

4/6 Kosten en baten bij honingzuigers.

Als de hoeveelheid nectar in een bloem kleiner is dan 3 µl, zijn er natuurlijk ook minder joules beschikbaar. Dus moet de vogel meer vliegen om aan voldoende nectar te komen.

Leg uit waarom dit energetisch een nadeel is.