Oefentoets Biologie: Voeding | HAVO 4/HAVO 5 | variant 3

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Voeding

Voeding.

Na welke van de volgende maaltijden kun je verwachten dat een mens grote hoeveelheden ureum zal produceren?

Na een maaltijd, bestaande uit

Voeding

Gewichtstoename.

Een echtpaar eet gedurende de maand december meer dan normaal en neemt daardoor sterk in gewicht toe. In die maand bevat hun voedsel een overmaat aan eiwitten, koolhydraten en vetten. Bij onderzoek blijkt dat hun sterke gewichtstoename grotendeels veroorzaakt is door het aanzienlijk dikker worden van de laag onderhuids vetweefsel.

Uit welke stoffen in hun voedsel kan direct of indirect het vet zijn gevormd dat zich nu onder hun huid bevindt?

Voeding

Glucosegehalte bloed.

Bij een mens neemt na een broodmaaltijd het glucosegehalte van het bloed in de poortader toe. Het glucosegehalte van het bloed in de leverader is dan gewoonlijk lager dan dat van het bloed in de poortader.

Waardoor wordt het lagere glucosegehalte van het bloed in de leverader vooral veroorzaakt?

Voeding

Samenstelling voedsel.

In het spijsverteringsstelsel van de mens ontstaat maltose (een koolhydraat) bij de vertering van zetmeel.
Sommige voedselbestanddelen zijn met behulp van indicatoren aan te tonen. In tabel 1 worden drie indicatoren genoemd met de daarbij optredende reacties met maltose, zetmeel, glycogeen en eiwitten.
afbeeldingafbeelding
Een hoeveelheid voedsel van onbekende samenstelling wordt getest op de aanwezigheid van maltose, zetmeel, glycogeen en eiwitten.
Dat voedsel wordt tevens behandeld met een onbekend mengsel enzymen. Na drie uur worden de omzettingen beëindigd. De dan aanwezige stoffen worden getest met de drie indicatoren.
De resultaten van deze twee series proeven staan in tabel 2.
afbeeldingafbeelding
De onderzoeker vraagt zich af of het onderzochte voedsel voedingsstoffen kan bevatten van dierlijke en/of van plantaardige oorsprong.

Wat kan worden gezegd over de oorsprong van het voedsel?





-

Voeding

Eiwiten, vetten en koolhydraten.

Organismen bestaan uit onder andere eiwitten, koolhydraten en vetten.

Welke elementen komen in elk van deze drie stoffen voor?

Voeding

Vegetariërs.

Vegetariërs zijn mensen die geen vlees eten.
Sommige vegetariërs eten in het geheel geen voedsel dat van dieren afkomstig is, dus ook geen zuivelproducten en geen eieren.
Peulvruchten, zoals erwten en bonen, vormen dikwijls een belangrijk bestanddeel van het voedsel van vegetariërs.
Het belang hiervan is dat er vooral in peulvruchten een bepaalde stof of groep van stoffen zit, die vegetariërs met hun overige voedsel niet of nauwelijks binnen krijgen.

Welke stof of groep van stoffen is dit?

Voeding

Vegetariër.

Wat is niet juist?

Een vegetariër

Voeding

Gebreksziekte.

Een voorbeeld van een gebreksziekte is scheurbuik.
Bij mensen, maar ook bij cavia's die geen verse groenten of fruit eten, ontwikkelt zich na enige tijd de ziekte scheurbuik.
Bij ratten die nooit zulke verse producten krijgen, ontwikkelt zich geen scheurbuik.

Hierover worden drie beweringen gedaan:

1. Ratten beschikken over andere processen in hun stofwisseling dan mensen en cavia's.
2. Ratten hebben een natuurlijke immuniteit tegen scheurbuik.
3. Ratten produceren zelf alle organische stoffen die in groenten en fruit voorkomen.

Welke van de gedane beweringen is of welke zijn juist?

Voeding

Cavia's en scheurbuik.

Het voedsel van vijfentwintig cavia's bestond alleen uit vetten, koolhydraten, eiwitten, zouten en water. Zij kregen allemaal scheurbuik.
Vijfentwintig andere cavia's kregen ook dit voedsel, maar hieraan was vers sinaasappelsap toegevoegd. Zij kregen geen scheurbuik.

Welke conclusie is op grond van deze gegevens juist?

Voeding

Stoffen in een appel.

In het dagelijks voedsel van een mens komen onder andere de volgende stoffen voor: eiwitten, koolhydraten, vitamines en water.

Uit welke van deze stoffen bestaat een appel voor het grootste gedeelte?

Voeding

Tandplak.

Bacteriën die zich altijd in de mond en op de tanden en kiezen bevinden, krijgen bij een slechte mondhygiëne de gelegenheid een afdeklaag te vormen die hen van de lucht afsluit.
Het zuur dat zich ophoopt onder deze afdeklaag, kan het glazuur aantasten met gaatjes als gevolg.
De combinatie van bacteriën en afdeklaag wordt tandplak genoemd.
In deze bacteriën komen stofwisselingsprocessen voor die ook bij de mens voorkomen.

Leg uit waardoor de aanwezigheid van bacteriën en een afdeklaag tot de vorming van zuur leidt. Geef daarbij ook aan welk stofwisselingsproces daarbij optreedt en welk zuur waarschijnlijk ontstaat.

Voeding

Eten en afvallen.
Zie figuur C 90 van de bijlage.

Onze eet- en leefgewoonten zijn door de gestegen welvaart veranderd. Veel mensen zijn daardoor dikker dan ze zouden willen. Iemand wil graag afvallen en maakt daarbij gebruik van een vermageringsdieet. Hij wil daarbij gezond blijven en geen honger lijden.

Het dieet schrijft voor minder boter, margarine, olie en frituurvet te gebruiken dan voorheen en ook minder (kristal)suiker in bijvoorbeeld de thee en koffie.

Leg uit waarom het om af te slanken en uit voedingsoogpunt verstandig is om juist van deze voedingsmiddelen minder te gebruiken.

afbeeldingafbeelding

Voeding

Vetrijk dieet en melkkliertumoren.

Door middel van experimenten met vrouwelijke ratten werd de invloed van een vetrijk dieet op het ontstaan van melkkliertumoren onderzocht.

Onderzoekers spoten een kankerverwekkende stof (waarvan de naam wordt afgekort tot DMBA) in bij vrouwelijke ratten. Na enkele weken kreeg de ene helft van de ratten een dieet met een hoog gehalte aan vetten. De andere helft hield hetzelfde vetarme voedsel als daarvoor. Inspuiting met DMBA en vervolgens vetrijk voedsel veroorzaakte bij meer ratten melkkliertumoren dan alleen inspuiting met DMBA.

In een andere serie proeven werd de volgorde van toediening omgedraaid. De helft van de ratten kreeg enkele weken een vetrijk dieet, de andere helft kreeg de normale voeding. Daarna werden al deze ratten ingespoten met DMBA en kregen ze allemaal weer normaal voedsel. In beide groepen bleken evenveel ratten melkkliertumoren te ontwikkelen.

Iemand concludeert uit deze resultaten dat vetrijk voedsel bij ratten het ontstaan van melkkliertumoren veroorzaakt.

Leg uit waarom deze conclusie onjuist is.





-

Voeding

1/3 Alcohol.
Zie figuur A 235 van de bijlage.

Bij een verkeerscontrole wordt aan de bestuurder van een auto gevraagd of hij alcohol heeft gedronken.
Hij zegt: "Een glaasje wijn". Om te controleren of hij niet teveel heeft gedronken, moet hij in een blaaspijpje blazen. In zijn uitgeademde lucht wordt alcohol aangetoond.

Het grootste deel van de alcohol die de bestuurder heeft gedronken, is via de maag- en de darmwand in het bloed opgenomen. Niet alle op deze wijze opgenomen alcohol bereikt de longen.

Geef hiervoor een verklaring.

afbeeldingafbeelding

Voeding

2/3 Alcohol.
Zie figuur A 235 van de bijlage.

Enkele bloedvaten in het lichaam van de mens zijn: aorta, darmslagader, leverader, leverslagader, longader, longslagader, poortader.

Een deel van de alcohol die de bestuurder heeft gedronken, is door de maagwand in het bloed opgenomen.

Via welke van de genoemde bloedvaten en in welke volgorde komt een alcoholmolecuul van deze plaats van opname langs de kortste weg terecht in de uitgeademde lucht?

afbeeldingafbeelding

Voeding

3/3 Alcohol.

Als gevolg van langdurig, overmatig alcoholgebruik kan de afvoergang van de alvleesklier afgesloten raken.
Producten van de alvleesklier blijven dan in de alvleesklier achter en veroorzaken beschadiging van het alvleesklierweefsel.

Waardoor wordt deze beschadiging veroorzaakt?

Voeding

1/2 Vitamines.
Zie figuur C 85 van de bijlage.

Over het belang van vitamines zijn de meningen verdeeld. Uitspraken als ‘vitamines genezen vele kwalen' of ‘wat extra vitamines kan nooit kwaad', worden door sommigen verdedigd, maar worden in het algemeen vanuit voedingsoogpunt niet ondersteund en zelfs tegengesproken.

In de afbeelding C 85 is voor een aantal bevolkingsgroepen in Nederland aangegeven hoeveel van bepaalde vitamines volgens de gangbare voedingsleer wordt aanbevolen. Daarnaast is aangegeven hoeveel van deze vitamines werkelijk door deze bevolkingsgroepen wordt geconsumeerd.
Op grond van de tabel zijn er enkele bevolkingsgroepen aan te wijzen voor wie extra opname van een bepaalde vitamine zinvol zou kunnen zijn.

Noem zo'n bevolkingsgroep en de vitamine waarom het gaat.

afbeeldingafbeelding

Voeding

2/2 Vitamines.
Zie figuur C 85 van de bijlage.

Kun je op grond van de gegevens uit de tabel zeggen dat je zelf voldoende vitamine C binnenkrijgt?
Licht je antwoord toe.

afbeeldingafbeelding

Voeding

1/6 Zaden.
Zie figuur B 2407 van de bijlage.

Zaden spelen een belangrijke rol als voedselbron voor de mens, doordat in zaden reservestoffen zijn opgeslagen in het endosperm of in de zaadlobben.
afbeeldingafbeelding

Soorten worden samengevoegd in een genus (geslacht), genera (geslachten) in een familie, families in een orde, orden in een klasse. Bij ieder van deze groepen horen kenmerken.

Is op grond van de informatie in de tabel de plaats waar de reservestoffen worden opgeslagen een kenmerk voor de soort, het genus, de familie of de klasse?





-

afbeeldingafbeelding

Voeding

2/6 Zaden.

Zaden kunnen na verspreiding kiemen.
Bij sommige zaden zijn energierijke stoffen niet alleen in het endosperm of de zaadlobben aanwezig, maar ook buiten de beschermende zaadhuid.
Deze stoffen buiten de zaadhuid bevorderen het verspreiden van de zaden.

Op welke wijze worden deze zaden waarschijnlijk verspreid? Leg het verband tussen de verspreidingswijze en de energierijke stoffen uit.