Oefentoets Biologie: Assimilatie | VWO 5/VWO 6 | variant 1

Deze digitale toets over fotosynthese en plantengroei is gericht op studenten biologie en behandelt onderwerpen zoals zuurstofgebruik, gewichtsverandering bij planten en de opname van koolstofdioxide. Test je kennis met vragen over de kenmerken van C3- en C4-planten, de effecten van licht op algen en de rol van bacteriën in aquatische ecosystemen. - 15 vragen

Aantal vragen

15

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Zuurstofgebruik van een 20-jarige boom

Een boom van 20 jaar oud.

Planten gebruiken dag en nacht zuurstof voor hun energieproductie.
Heeft een boom van 20 jaar oud tijdens zijn leven meer zuurstof gebruikt dan gemaakt, evenveel gebruikt als gemaakt, of is dat niet te bepalen?

Gewicht van een plant na drie dagen

Een plant op de weegschaal.
Zie figuur B 4858 van de bijlage.

Een plant met bladgroen groeit in een pot met aarde. De aarde wordt zo vochtig gemaakt, dat de plant er voor minstens drie dagen voldoende aan heeft.
Van het door de plant opgenomen water verdampt 90%.
De plant wordt op een weegschaal gezet en staat vervolgens drie dagen bij 20°C en 50% luchtvochtigheid, overdag in het zonlicht, ’s nachts in het donker. De plant groeit gewoon door.

Geeft de weegschaal met de plant en de pot erop na drie dagen een hoger of een lager gewicht aan?

De weegschaal geeft een gewicht aan.
En is het gewicht van de plant zelf in deze dagen toe- of afgenomen?
Het gewicht is .

afbeeldingafbeelding

Opname van 14C in Tarweplanten

Opname van 14 C.

In een experiment werden tarweplanten blootgesteld aan CO2 met daarin het isotoop 14 C. Het experiment duurde een uur en werd in het licht uitgevoerd.

Welk van de volgende verbindingen heeft na een uur het hoogste gehalte aan 14 C?

Dat zijn .

Kenmerken van C3- en C4-planten

C3 - en C4 -planten.

Bekijk het schema hieronder.

afbeeldingafbeelding

Welk nummer bevat het juiste rijtje kenmerken van C3 - en C4 -planten?

Dat is nummer .

Bron van zuurstof in fotosynthese

Zuurstofproductie.

Tijdens de lichtreactie van de fotosynthese wordt zuurstof (O2 ) geproduceerd.

Wat is de bron van die zuurstof?

Effect van licht op algenfotosynthese

Een proef met algen.

Veronderstel dat in een belichte cultuur van eencellige Chlorella-algen fotosynthese plaatsvindt en dat plotseling het licht uitgaat.

Wat gebeurt er dan met de concentraties 3-fosfoglycerinezuur en ribulose 1,5-difosfaat in de volgende minuut?

Verschillen tussen fotosysteem I en II

Twee fotosystemen.

Welke van de volgende uitspraken over de verschillen tussen fotosysteem I en fotosysteem II is juist?

Stofwisseling: Begrippen indelen

Stofwisselingsschema.
Zie figuur B 4859 van de bijlage.

Zet de begrippen uit het schema hiernaast, die in de rechter kolom zijn geplaatst, bij de juiste cijfers in de linker kolom.

afbeeldingafbeelding
  • energie

  • koolhydraten

  • eiwitten

  • 1

  • 2

  • 3

Concentratie bacteriën in Spirogyra draden

De draadalg Spirogyra.
Zie figuur B 4860 van de bijlage.

Draden van de alg Spirogyra trichomes werden op een medium geplaatst waarin facultatief aërobe bacteriën werden geïncubeerd. Daarna werd een aantal algendraden belicht met een dunne lichtstraal die passeerde door een dunne kolom, waarbij een spectrum ontstond (zie afbeelding hiernaast).

In welk deel van de draad vindt men nu de hoogste concentratie bacteriën?

afbeeldingafbeelding

Beperkende factoren bij fotosynthese

Beperkende factor(en).
Zie figuur A 1084 van de bijlage.

De fotosynthese bij planten is afhankelijk van de temperatuur (T) en de lichtintensiteit (L). In het diagram in afbeelding 1 hiernaast zie je de CO2 -opname bij drie planten van dezelfde soort bij verschillende lichtintensiteit.

Welke factor is of welke factoren zijn beperkend in het interval tussen -5 en 0°C?

- Dat .

En welke in het interval tussen 20 en 30°C?

- Dat .

afbeeldingafbeelding

Netto productie op het vierde trofische niveau

Zonne-energie.

De totale hoeveelheid zonne-energie die op een oppervlak valt, wordt gelijkgesteld aan K.

Wat is de beste schatting van de netto productie op het vierde trofische niveau?

Respiratoir Quotiënt en Disimilatie

1/4 Respiratoir quotiënt.

Het respiratoir quotiënt (RQ) is de verhouding tussen het volume van de bij de dissimilatie geproduceerde CO2 en het volume van de bij de dissimilatie verbruikte O2 :

afbeeldingafbeelding

Bij de bepaling van het RQ wordt aangenomen dat de longventilatie is aangepast aan de weefselademhaling. In die situatie zijn de hoeveelheden via de longen afgegeven CO2 en opgenomen O2 gelijk aan de door de weefsels afgegeven respectievelijk opgenomen hoeveelheden. De reactievergelijkingen van de oxidatie van een koolhydraat, een vet en een aminozuur zijn:

- C6 H12 O6 + 6 O2 ® 6 CO2 + 6 H2 O
- C57 H104 O6 + 80 O2 ® 57 CO2 + 52 H2 O
- 2 C3 H7 O2 N + 6 O2 ® (NH2 )2 CO + 5 CO2 + 5 H2 O

In de tabel hieronder zijn enkele gegevens vermeld met betrekking tot O2 -verbruik, CO2 -productie en energie-opbrengst bij de dissimilatie van koolhydraten, vetten en eiwitten.

afbeeldingafbeelding

Zie volgende scherm

Koolstofbronnen en fotosynthese in waterplanten

In sloot en plas.

Waterplanten kunnen CO2 en/of HCO3 - als koolstofbron voor de fotosynthese gebruiken. Over deze koolstofbronnen gaat de volgende tekst:

Tekst:
Zie figuur B 2429 van de bijlage.

We zien dat koolzuur in drie vormen in het water kan voorkomen, nl. de moleculaire vorm CO2 en in ion-vorm als HCO3 - en als CO3 2- . De concentratieverhouding waarin deze vormen optreden wordt in sterke mate bepaald door de pH, zoals in de afbeelding is weergegeven.

Zie figuur A 459 van de bijlage.

De snelheid van de fotosynthese hangt samen met de pH. In de afbeelding A 459 is voor twee planten het verband weergegeven tussen fotosynthesesnelheid en pH. Vergelijk deze gegevens met afbeelding B 2429.

Leg uit welke van de planten 1 en 2 het meest aangepast is aan een milieu waarin alleen HCO3 - als koolstofbron aanwezig is.

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Vergelijking van fotosynthese bij verschillende bladeren

In en langs het water.

Pijlkruid wordt de intensiteit van de fotosynthese per cm2 bladoppervlak van bladeren van type 2 vergeleken met die van bladeren van type 3 bij een gelijke verlichtingssterkte en bij een temperatuur van 20°C. De partiële CO2 -spanning en de CO2 -concentratie-gradiënt is bij beide typen bladeren gelijk.

Leg met behulp van bovenstaande gegevens uit dat de intensiteit van de fotosynthese per cm2 bladoppervlak in bladeren van type 2 groter is dan in bladeren van type 3.

Fotosynthese en koolstofassimilatie

Een ecosysteem.

Op niveau Q wordt stralingsenergie vastgelegd in organisch stoffen.

Hoe wordt dit omzettingsproces genoemd?

afbeeldingafbeelding