Oefentoets Biologie: Gedrag - Algemeen | HAVO 3/HAVO 4/HAVO 5 - variant 4

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 3, HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Gedrag

3/3 Gedrag bij ratten.

In de eerste situatie drukt de rat op een hefboom. In de tweede situatie drukt het mannetje met de voorpoten tegen de flanken van het vrouwtje.

Is het drukken in de eerste situatie een sleutelprikkel voor de rat?
En is het drukken in de tweede situatie een sleutelprikkel voor het vrouwtje?

Gedrag

1/3 Lerende koolmezen.

Tekst:
In 1930 veronderstelde R.A. Fisher dat waarschuwingskleuren in combinatie met oneetbaarheid ('eet mij niet, ik ben giftig') ontstaan zijn in verschillende populaties van bij elkaar levende organismen. Als een predator een dier met een waarschuwingskleur doodt en vervolgens als oneetbaar beschouwt, zal hij de andere dieren met dezelfde kleur met rust laten. Op grond daarvan kan het voor andere diersoorten voordelig zijn diezelfde waarschuwingskleuren te hebben.
Leren predatoren van generatie op generatie de kleuren steeds opnieuw of is de afkeer van prooien met bepaalde kleuren genetisch vastgelegd?
Daarnaar is onderzoek bij koolmezen gedaan. Op kleine stukjes roggestro werden twee verschillende stippenpatronen (P en Q) aangebracht. Het stro werd gevuld met vet. In de strootjes met patroon P was kinine (een bittere stof waar koolmezen niet van houden) aan het vet toegevoegd. Aan de strootjes met patroon Q was slechts bij één derde deel kinine toegevoegd.
Na de eerste dag lieten de koolmezen de strootjes met patroon P liggen. De andere aten ze op. Even grote stukjes amandel werden ook van de stippenpatronen P en Q voorzien. Koolmezen lieten stukjes amandel met patroon P liggen; de andere stukjes aten ze op.

Op welk type leergedrag berust het laten liggen van stukjes roggestro met kinine?

Gedrag

2/3 Lerende koolmezen.

Het beschreven onderzoek met de koolmezen geeft slechts gedeeltelijk antwoord op de gestelde onderzoeksvraag in de tekst. Deze vraag bleek onzorgvuldig te zijn gesteld.

Formuleer een onderzoeksvraag waarop het beschreven onderzoek wel antwoord geeft.

Gedrag

3/3 Lerende koolmezen.

Beschrijf een werkplan waarmee onderzocht wordt of de afkeer van bepaalde prooien bij koolmezen genetisch vastligt.

Gedrag

1/2 Een leermachine.
Zie figuur A 294 van de bijlage.

In een experiment wordt een hongerige rat in een 'Skinnerbox' (zie de afbeelding) geplaatst. De rat heeft nooit eerder in zo'n Skinnerbox gezeten. In de kooi bevindt zich een hefboompje. Als de rat bij toeval op het hefboompje drukt, valt er een voedselbrokje in de voerbak. De frequentie waarmee de rat op het hefboompje drukt, wordt geregistreerd.
In de afbeelding A 294 zijn drie diagrammen getekend. Tijdstip 0 is het moment dat de rat in de Skinnerbox is geplaatst.

In welk van de diagrammen kan de frequentie waarmee de rat het hefboompje indrukte, juist zijn weergegeven?

afbeeldingafbeelding

Gedrag

2/2 Een leermachine.

In dit experiment is sprake van leren.

Geef aan waarom het voor het leerproces in dit experiment van belang is dat de rat in de Skinnerbox hongerig is.

Gedrag

1/2 Jonge vinken.
Zie figuur B 1371 van de bijlage.

Bij onderzoek naar de ontwikkeling van zang bij vogels, werden jonge vinken in een vroeg stadium uit het nest genomen en verder zodanig opgekweekt dat ze voordat ze 10 maanden oud waren, geen vinkenzang konden horen. Deze vinken bleken een abnormale zang te ontwikkelen. De normale zang waarvan de toonhoogte varieert tussen 2 en 6 kHz, bestaat uit drie toongroepjes met nog een tierelantijn aan het einde.
De zang van geïsoleerd opgekweekte vinken vertoonde een normale lengte, maar de onderverdeling in toongroepjes en de tierelantijn aan het einde ontbraken.

In de afbeelding B 1371 is de normale vinkenzang en de zang van een geïsoleerd grootgebrachte vink weergegeven.
Geïsoleerde vinken die voor hun tiende maand de normale vinkenzang via een bandrecorder te horen kregen.

Bij het leren zingen van vinken is sprake van inprenting.

Uit welke twee gegevens in de tekst kan dit worden afgeleid?

afbeeldingafbeelding

Gedrag

2/2 Jonge vinken.

Een andere ervaringsfactor die de zang beïnvloedt, bleek toen jonge vinken in groepjes met leeftijdgenoten werden opgekweekt zonder dat daarbij oudere dieren aanwezig waren. Binnen een groepje konden de vinken elkaar horen, maar ze waren verstoken van het horen van normale zang. De groepjes konden elkaar niet horen. De zang die deze vinken ontwikkelden, bleek wel een onderverdeling in toongroepjes te bevatten, maar was overigens abnormaal.
De verschillen in de aard van het gezang blijken bij vinken van hetzelfde groepje van bijeengehouden dieren gering te zijn. De zang van vogels uit verschillende groepjes verschilt sterk.

Leg uit waardoor de verschillen in zang tussen vinken van verschillende groepjes groter zijn dan tussen vinken van hetzelfde groepje.

Gedrag

1/4 Onderzoek bij eidereenden.

De tekst hieronder geeft een beschrijving van een bepaald biologisch onderzoek.

Tekst:
Swennen deed onderzoek naar de manier waarop eidereenden hun eieren tegen predatoren beschermen.
Swennen merkt op dat de meeste soorten eenden hun nest vrij van uitwerpselen houden, maar dat de eidereend hierop een uitzondering vormt: vooral bij verontrusting bevuilen eiders nogal eens hun eigen nest.
Dit feit, gevoegd bij het gegeven dat roofdieren als steenmarter, bunzing en vos (die op zijn tijd graag vogeleieren eet) een scherpe neus hebben, roept de vraag op hoe eidereenden het zich kunnen veroorloven de plaats van hun nesten zo duidelijk voor de predator te markeren. Swennen heeft echter een vermoeden in welke richting de oplossing gezocht moet worden: misschien hebben de uitwerpselen wel een afstotende werking. Swennen weet nu dat hij gegevens moet verzamelen, die antwoord op deze vraag geven. Hij besluit in gevangenschap levende ratten en fretten (albino-bunzings) voedsel te verstrekken dat besmeurd is met de uitwerpselen van broedende eidereenden. Dit besmeurde voedsel wordt geweigerd. Pas na een dag wordt ervan gegeten. Hij doet dezelfde proef met uitwerpselen van niet-broedende eidereenden. Ditmaal laten de ratten en fretten zich niet weerhouden maar eten het voedsel direct op. Swennen vindt hierin een bevestiging van zijn vermoeden.

naar. H.P. Callagher, Gids voor vogelonderzoek, deel 1

Noem een vraagstelling uit het onderzoek van Swennen.

Gedrag

2/4 Onderzoek bij eidereenden.

In het onderzoek van Swennen is sprake van een controle- of blancoproef.

Welke is de controle- of blanco proef in dit onderzoek?

Gedrag

3/4 Onderzoek bij eidereenden.

Noem een resultaat of waarneming in het onderzoek van Swennen.

Gedrag

4/4 Onderzoek bij eidereenden.

Welke conclusie kun je uit het onderzoek van Swennen trekken?

Gedrag

1/2 Survivaltraining voor ratelslangen.
Zie figuur B 3629 van de bijlage.

Tekst:
Op Aruba komt een zeldzame soort ratelslang voor, de Cascabel (zie afbeelding), met een populatiegrootte van slechts 300 exemplaren. Natuurbeschermers willen deze populatie aanvullen met in gevangenschap opgegroeide dieren. Het gedrag van deze dieren wijkt echter af.
Ten eerste zijn ratelslangen in het wild 's nachts actief en in gevangenschap overdag. Dat heeft te maken met het feit dat de slangen in gevangenschap overdag gevoerd worden, terwijl de wilde 's nachts kleine vogels en zoogdieren vangen.
Ten tweede is de reactie op vijanden verschillend. In het wild nemen slangen tegen mensen, katten en honden een dreigende houding aan en ratelen met hun staart. In gevangenschap dreigen en ratelen ze niet. Ze zoeken de ‘vijand' zelfs op.
Uit onderzoek is gebleken dat de dieren die in gevangenschap leven, het dreiggedrag pas ontwikkelen als ze de mogelijkheid krijgen zich te verschuilen in een aangebrachte steenhoop. Wilde slangen verschuilen zich onmiddellijk in zo'n hoop. In gevangenschap opgegroeide slangen onderzoeken de hoop soms wel twee weken op hun gemak, voor ze zich erin gaan verschuilen. Zo gauw ze zich echter eenmaal hebben verscholen, verdwijnt het toenaderingsgedrag en gaan ze dreigen en ratelen.

bewerkt naar: Tim Oijen, ‘Ratelslang krijgt survivaltraining', de Volkskrant, 29 maart 1997

De natuurbeschermers willen met een survivaltraining het gedrag van de slangen in gevangenschap veranderen, zodat ze in de natuur kunnen worden losgelaten.

Noem twee onderdelen die in de survivaltraining moeten voorkomen.

afbeeldingafbeelding

Gedrag

2/2 Survivaltraining voor ratelslangen.

Op welke manier werkt een steenhoop op het dreiggedrag van de zich hierin verschuilende ratelslang?

Gedrag

1/5 Jagende torenvalken.
Zie figuur B 2433 van de bijlage.

Torenvalken hangen vaak 'biddend' op één plaats in de lucht als ze een prooi waarnemen (zie de afbeelding).
Als de prooi duidelijk zichtbaar is, maken ze een plotselinge duikvlucht om de buit, vaak een klein zoogdier, te grijpen.

Noem de motiverende factor die leidt tot dit jachtgedrag van de torenvalk.

afbeeldingafbeelding

Gedrag

2/5 Jagende torenvalken.

Wat is de sleutelprikkel voor een plotselinge duikvlucht?

Gedrag

3/5 Jagende torenvalken.
Zie figuur B 2220 van de bijlage.

Een belangrijk prooidier van de torenvalk is de woelmuis.
Woelmuizen laten in hun leefgebied geursporen achter die bestaan uit urine en uitwerpselen. De achterste delen van hun lichaam zijn meestal doorweekt met urine. De urine van de woelmuizen weerkaatst UV-licht.
Torenvalken kunnen in tegenstelling tot mensen UV-licht waarnemen. Verondersteld wordt dat torenvalken daardoor in korte tijd een groot gebied onderzoeken op de aanwezigheid van woelmuizen.

Welke van de onderstaande biologische termen is van toepassing op de relatie tussen torenvalk en woelmuis?

afbeeldingafbeelding

Gedrag

4/5 Jagende torenvalken.

Noem een mogelijke functie van het geurspoor voor de woelmuizen zelf.

Gedrag

5/5 Jagende torenvalken.

Naar het waarnemen van UV-licht door torenvalken is onderzoek gedaan. Gevangen torenvalken bleken woelmuizen te kunnen opsporen in een ruimte die alleen 'verlicht' werd met UV-licht. Voor mensen leek deze ruimte donker. Uit dit resultaat werd de conclusie getrokken dat de torenvalken woelmuizen opsporen door het waarnemen van UV-licht. Deze conclusie was op zijn minst voorbarig.
Er zijn één of meer aanvullende experimenten nodig om die conclusie te rechtvaardigen.

Beschrijf kort een aanvullend experiment en vermeld daarbij welke uitkomst de conclusie rechtvaardigt dat torenvalken woelmuizen opsporen met UV-licht.

Gedrag

1/2 Kriekende krekels.
Zie figuur B 3822 van de bijlage.

Het gezang van mannelijke krekels (zie de afbeelding) wordt aangeduid met krieken. Ze maken dat geluid met behulp van een verdikking aan de bovenkant van de ene vleugel (schraper) die over een richel aan de onderkant van de andere vleugel beweegt (rasp-ader). Krieken wordt vooral gebruikt als lokroep voor de vrouwtjes in de voortplantingstijd.
Leerlingen willen in de klas het gedrag van krekels in de voortplantingstijd onderzoeken. Een hypothese luidt: Vrouwtjes reageren op de lokroep en niet op het zien van een mannetje. De leerlingen voeren een experiment uit, waarbij ze ieder de beschikking hebben over:
- een kooi waar men in het midden een tussenschot kan plaatsen,
- volwassen vrouwtjes, (P)
- volwassen mannetjes, (Q)
- opgezette mannetjes, (R)
- een tussenschot, bestaande uit dik plexiglas, waardoor het vrouwtje het mannetje wel kan zien, maar niet kan horen, (S)
- een tussenschot, bestaande uit dik plexiglas, maar voorzien van kleine gaatjes, zodat het vrouwtje het mannetje niet alleen kan zien, maar ook kan horen, (T)
- een tussenschot, bestaande uit dik zwart plexiglas, waardoor het vrouwtje het mannetje niet kan zien, en ook niet kan horen, (U)
- een tussenschot, bestaande uit dik zwart plexiglas, voorzien van kleine gaatjes, zodat het vrouwtje het mannetje niet kan zien, maar wel horen. (V)
Zes leerlingen willen een antwoord op de volgende onderzoeksvraag: "Reageren de vrouwtjes op het krieken of op het zien van de mannetjes"? Ze doen dat door de volgende proefopstellingen te bouwen.

Leerling 1: P + S + Q vergelijken met P + S + R
Leerling 2: P + S + Q vergelijken met P + V + Q
Leerling 3: P + S + Q vergelijken met P + T + Q
Leerling 4: P + T + Q vergelijken met P + T + R
Leerling 5: P + U + Q vergelijken met P + U + R
Leerling 6: P + V + Q vergelijken met P + V + R

Welke leerling maakt of welke leerlingen maken een juiste proefopstelling?

afbeeldingafbeelding