1/4 Vallende katten.
Lees de tekst hieronder.
Een stad als New York, met zijn overmaat aan hoge gebouwen, biedt uitstekende mogelijkheden om wetenschappelijk te onderzoeken hoe het komt dat katten een val van grote hoogte kunnen overleven.
Twee dierenartsen uit die stad, Whitney en Mehlhoff, hebben de afgelopen jaren 132 gevallen katten onderzocht die in hun dierenziekenhuis terecht waren gekomen. Criterium was dat de dieren van minstens tien meter hoogte op beton of een andere harde ondergrond gekwakt moesten zijn.
De gemiddelde valhoogte was 25 meter, de grootste val werd gemaakt door een dier dat van een balkon op de 32e etage viel. Van de 132 vielen er 11 meteen dood, 17 werden afgemaakt en de rest overleefde het voorval.
Een van de meest curieuze resultaten van het onderzoek was wel het gevonden verband tussen valhoogte en overlevingskans. Tot 35 meter is het verband simpel: hoe dieper de val, des te groter het aantal dodelijke slachtoffers. Maar boven de 35 meter nam de kans op overlijden drastisch af. Ook de poes die van de 32e viel heeft het overleefd. Na twee dagen kon zij het ziekenhuis verlaten, na behandeld te zijn voor een kleine longbeschadiging en een afgebroken tand.
Mensen brengen het er veel slechter af. Er zijn geen bekende voorbeelden van volwassenen die een val van meer dan 30 meter op beton hebben overleefd. Wie in modder of in sneeuw kwakt heeft iets meer kans de val te overleven. De overlevingskansen van een vallend dier hangen dus samen met de hoogte waarvan gevallen wordt en de hardheid van de ondergrond. Vergelijken we echter verschillende soorten, dan spelen een aantal biologische factoren een rol: de massa, de doorsnede van het lichaam en van de botten, de mate waarin vitale organen in vet zijn ingebed en de manier waarop spieren en gewrichten de klap kunnen opvangen. Naarmate een dier groter is, is de valsnelheid ook groter en omdat de omvang van de botten relatief achterblijft, komt de klap ook harder aan.
Katten zijn bovendien in het voordeel door hun ongelofelijke coördinatie als ze vallen. Ze draaien zich zo dat ze op hun vier pootjes tegelijk terechtkomen. De klap van het neerkomen wordt dan keurig over alle vier verdeeld. Mensen vallen als een baksteen en komen meestal op beide benen of op hun hoofd terecht.
Dat katten een val van meer dan 30 meter doorgaans vrij gaaf overleven heeft ook te maken met hun valtechniek. Na circa 30 meter bereiken ze hun grootste valsnelheid (ongeveer 100 km per uur). Op dat moment ontspannen ze en spreiden ze hun poten; ze hangen in de lucht op een manier die doet denken aan een Australische vliegende hond. Daarmee reduceren ze de valsnelheid en spreiden ze de energie die bij de landing geabsorbeerd moet worden over een groter deel van het poezenlijf.
Tenslotte landen katten op een manier die ook aan parachutisten wordt aangeleerd; heupen en knieën gebogen en onmiddellijk omrollen.
Al deze technieken maken dat katten zelfs meer kans hebben om een flinke val te overleven dan dieren van een vergelijkbare grootte. Dat ze dat kunnen is ongetwijfeld een gevolg van natuurlijke selectie. De voorouders van onze miauwende huisvrienden waren veelal jagers die graag in bomen klommen (die van de hond bijvoorbeeld, bleven op de grond). Het ligt voor de hand dat in de miljoenen jaren van de kattenevolutie de dieren met een goede valtechniek zich beter konden handhaven. De negen levens van de kat zijn dus een resultaat van hun evolutie.
(bron: Natuur & Techniek)
Zie volgende scherm