Oefentoets Biologie: Osmose_diffusie | VWO 4/VWO 5/VWO 6 | variant 3

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Osmose-diffusie

1/2 Gebogen staafjes.
Zie figuur B 2628 van de bijlage.

Uit één verse aardappel worden dunne, platte staafjes van gelijke afmetingen gesneden. De staafjes worden ieder afzonderlijk ondergedompeld in een NaCl-oplossing. De concentraties van de oplossingen zijn verschillend. Na enige tijd blijken de staafjes niet meer van lengte en vorm te veranderen.
Eerst wordt het verband bepaald tussen de lengte van de aardappelstaafjes en de concentratie van opgeloste deeltjes in de omringende vloeistof. De resultaten zijn in het diagram van de afbeelding weergegeven.

Is de concentratie van opgeloste deeltjes in de vacuolevloeistof van de cellen van de aardappelstaafjes bij P lager dan, gelijk aan of hoger dan die van de omringende vloeistof?

afbeeldingafbeelding

Osmose-diffusie

2/2 Gebogen staafjes.
Zie figuur B 2629 van de bijlage.

Vervolgens worden de staafjes stuk voor stuk opgepakt met een pincet en horizontaal gehouden. Sommige staafjes zijn slap geworden en buigen door. Deze buigingshoek (a) wordt gemeten zoals in weergegeven in de afbeelding.

De gevonden waarden van a worden in een diagram uitgezet tegen de NaCl-concentraties van de oplossingen. In de afbeelding zijn drie diagrammen getekend.

In welk van deze diagrammen is de relatie tussen de buigingshoek en de concentraties van de NaCl-oplossingen juist weergegeven?

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Osmose-diffusie

1/3 Stevigheid.
Zie figuur B 48 van de bijlage.

Verse aardappelstaafjes van gelijke lengte worden in sacharose-oplossingen van verschillende concentraties gelegd. Hetzelfde wordt gedaan met verse suikerbietstaafjes van gelijke lengte. Na 24 uur worden de lengtes van alle staafjes opnieuw gemeten. Het diagram (afbeelding 14) geeft het verband weer tussen de concentratie van de sacharose-oplossing en de lengteverandering na 24 uur.

Is - voorafgaand aan de proef - de concentratie van opgeloste deeltjes in de aardappelcellen gelijk aan de concentratie van opgeloste deeltjes in een 0,2 mol sacharose-oplossing?
Zo neen, is de concentratie in de aardappelcellen lager of hoger?

afbeeldingafbeelding

Osmose-diffusie

2/3 Stevigheid.

Is bij een concentratie van 0,7 mol sacharose per liter de concentratie van opgeloste deeltjes in de aardappelcellen lager dan, gelijk aan, of hoger dan die in de suikerbietcellen?

afbeeldingafbeelding

Osmose-diffusie

3/3 Stevigheid.

De aardappelstaafjes die in de sacharose-oplossingen van 0,45 mol en 0,6 mol per liter hebben gelegen, hebben water verloren. Over de cellen in deze staafjes worden drie uitspraken gedaan:

1. de aardappelcellen in oplossingen van 0,45 mol en 0,6 mol sacharose per liter hebben evenveel water afgegeven;
2. de aardappelcellen in een oplossing van 0,6 mol sacharose per liter hebben meer water afgegeven dan de aardappelcellen in een oplossing van 0,45 mol sacharose per liter;
3. het kan niet uit het diagram worden afgeleid of de aardappelcellen in het ene staafje meer of minder water hebben afgegeven dan de aardappelcellen in het andere staafje of dat de cellen in beide staafjes evenveel water hebben afgegeven.

Welke uitspraak is juist?

Osmose-diffusie

1/2 Stevigheid.
Zie figuur B 48 van de bijlage.

Verse aardappelstaafjes van gelijke lengte worden in sacharose-oplossingen van verschillende concentraties gelegd. Hetzelfde wordt gedaan met verse suikerbietstaafjes van gelijke lengte. Na 24 uur worden de lengten van alle staafjes opnieuw gemeten. Het diagram (zie de afbeelding) geeft het verband weer tussen de concentratie van de sacharose-oplossing en de lengteverandering na 24 uur.
De turgor van de aardappelcellen in de sacharose-oplossing van 0,5 mol per liter wordt vergeleken met de turgor van de suikerbietcellen in de sacharose-oplossing van 0,7 mol per liter.

Is de turgor van de aardappelcellen lager dan, gelijk aan of hoger dan die van de suikerbietcellen?

afbeeldingafbeelding

Osmose-diffusie

2/2 Stevigheid.

De concentratie van de opgeloste deeltjes in de aardappelcellen in de sacharose-oplossing van 0,7 mol per liter wordt vergeleken met die in de aardappelcellen in de sacharose-oplossing van 0,5 mol per liter.

Is de concentratie van de opgeloste deeltjes in de aardappelcellen in de sacharose-oplossing van 0,7 mol per liter lager dan, gelijk aan of hoger dan die in de sacharose-oplossing van 0,5 mol per liter?

Osmose-diffusie

1/2 Een weefsel.

Drie reageerbuizen worden gevuld met oplossingen van keukenzout (NaCl) van verschillende concentraties.
Buis 1 bevat een 0,1% NaCl-oplossing, buis 2 bevat een 0,9% NaCl-oplossing en buis 3 bevat een 1,5% NaCl-oplossing. In elk van deze buizen wordt een stukje van hetzelfde verse weefsel ondergedompeld. De stukjes weefsel zijn allemaal even groot en rood van kleur. Voordat ze in de buizen zijn gedaan, zijn ze eerst goed afgespoeld totdat ze geen kleurstof meer afgeven. Na een half uur wordt het experiment beëindigd. De oplossing in buis 1 is licht rood geworden. De oplossing in buis 2 is kleurloos gebleven.

Is dit weefsel afkomstig van een dierlijk of van een plantaardig organisme of is dat niet te bepalen?

Osmose-diffusie

2/2 Een weefsel.

Drie reageerbuizen worden gevuld met oplossingen van keukenzout (NaCl) van verschillende concentraties.
Buis 1 bevat een 0,1% NaCl-oplossing, buis 2 bevat een 0,9% NaCl-oplossing en buis 3 bevat een 1,5% NaCl-oplossing. In elk van deze buizen wordt een stukje van hetzelfde verse weefsel ondergedompeld. De stukjes weefsel zijn allemaal even groot en rood van kleur. Voordat ze in de buizen zijn gedaan, zijn ze eerst goed afgespoeld totdat ze geen kleurstof meer afgeven. Na een half uur wordt het experiment beëindigd. De oplossing in buis 1 is licht rood geworden. De oplossing in buis 2 is kleurloos gebleven.

Hoe ziet de oplossing in buis 3 er uit aan het eind van het experiment?

Osmose

Twee oplossingen & een semi-permeabel vlies.
Zie figuur B 91 van de bijlage.

Twee oplossingen worden gebracht in de ruimten P en Q die gescheiden zijn door een semi-permeabel vlies (zie schema).
Dit vlies is wrijvingsloos verplaatsbaar, zoals aangegeven door de pijltjes.

Welke verandering gaat nu optreden?
Waardoor wordt tenslotte een evenwichtstoestand bereikt?
afbeeldingafbeelding


-

afbeeldingafbeelding

Osmose

Plantaardig of dierlijk weefsel.
Zie figuur B 2503 van de bijlage.

Twee buizen bevatten elk een stukje van hetzelfde rood gekleurde weefsel.
Buis 1 bevat een NaCl-oplossing van 0,01 M en buis 2 van 0,50 M.
De vloeistof in buis 1 wordt na enige tijd roze; die in buis 2 blijft kleurloos.

Is het weefsel afkomstig van een plantaardig of van een dierlijk organisme?
Welk stukje weefsel is na enige tijd het donkerst gekleurd?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Osmose

Conservering van jam.

Jam kan worden geconserveerd door er veel suiker aan toe te voegen.

Waarop berust deze conserveringsmethode?

Osmose

Wadpieren & osmose.

Wadpieren, bodemdieren van het getijdengebied, kunnen in omvang toenemen door osmotische wateropname via de huid.

Door wateropname vergrote wadpieren, kunnen op het wad worden verwacht onder de volgende omstandigheden:

Osmose

Waterverlies van zeedieren.
Zie figuur C 13 van de bijlage.

Van drie in zee levende diersoorten: doornhaai, kabeljauw en soepschildpad, en van de aan zoet water gebonden groene kikker worden de concentraties van opgeloste deeltjes in het bloed gemeten. De resultaten zijn weergegeven in het diagram. In dit diagram zijn ook de concentraties van opgeloste deeltjes in zeewater en zoet water aangegeven.

Welk dier zal in zijn natuurlijk milieu onder water via de huid en de ademhalingsorganen in verhouding tot het lichaamsgewicht het grootste waterverlies hebben?

afbeeldingafbeelding

Osmose

Gewichtstoename van een brakwaterdier.
Zie figuur B 89 van de bijlage.

Het diagram geeft het verband aan tussen de gewichtstoename van een brakwaterdier en de tijd, nadat het is overgebracht van brak water in water met een ander zoutgehalte.

Is dit dier overgebracht in water met een hoger of lager zoutgehalte dan het brakke water?
Komt de aanpassing na ongeveer tien uur door stijging of door daling van de osmotische waarde van het lichaamsvocht?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Osmose

In een sloot levende pantoffeldiertjes.

In een sloot leven pantoffeldiertjes die in hun cytoplasma een hogere concentratie aan opgeloste stoffen hebben dan het slootwater. Door een kloppende vacuole wordt met een bepaalde frequentie overtollig water uit de pantoffeldiertjes verwijderd.
Op een bepaalde dag wordt een grote hoeveelheid water uit de sloot gepompt, zodat er nog maar een klein laagje water, met daarin pantoffeldiertjes, achterblijft. (situatie 1).
De volgende dag komt er kunstmest in de sloot terecht dat in het slootwater oplost (situatie 2); hierdoor verandert de frequentie van de kloppende vacuole van de pantoffeldiertjes.

Zal in situatie 1 de frequentie van de kloppende vacuole zijn veranderd of gelijk zijn gebleven?
Zal in situatie 2 de frequentie van de kloppende vacuole zijn toegenomen of zijn afgenomen?

afbeeldingafbeelding

Osmose

Twee soorten zeepieren in brakwater.
Zie figuur B 88 van de bijlage.

In het diagram zijn de veranderingen in het lichaamsgewicht aangegeven van twee soorten zeepieren (P en Q), die tijdens een experiment in brak water werden geplaatst.
Uit het diagram blijkt dat de twee soorten verschillend reageren op het overbrengen van zeewater naar brak water (op tijdstip 0).

Wat is een mogelijke verklaring voor het verloop van de grafieken tussen 10 en 30 uur?

afbeeldingafbeelding

Osmose

De kloppende vacuole.
Zie figuur B 131 van de bijlage.

De tekening stelt een pantoffeldiertje voor. Pantoffeldiertjes leven in zoet water. Bij deze eencellige dieren komen kloppende vacuolen voor, die overtollig water uit de cel verwijderen, waardoor de concentratie opgeloste stoffen in de cel constant blijft. Over de water- en zouthuishouding bij dit pantoffeldiertje worden vier uitspraken gedaan:

1. de hoeveelheid water in het pantoffeldiertje neemt door osmose af;
2. de concentratie van opgeloste stoffen in het cytoplasma is lager dan die in het milieu;
3. de concentratie van opgeloste stoffen in de kloppende vacuolen is lager dan die in het cytoplasma;
4. de hoeveelheid vloeistof die door de kloppende vacuolen wordt afgegeven, stijgt als de concentratie van opgeloste stoffen in het milieu toeneemt.

Welke uitspraak is juist?

afbeeldingafbeelding

Osmose

Amoeben in gedestilleerd water of zeewater.

Amoeben zijn eencellige diertjes die onder andere in slootwater leven. Bij deze diertjes komen 'kloppende vacuolen' voor. Hiermee wordt overtollig water naar buiten gepompt.
Er wordt een experiment uitgevoerd waarbij een aantal uit slootwater afkomstige amoeben in zeewater worden gelegd en een aantal in gedestilleerd water. Eén van beide groepen amoeben verliest door osmose water.

Welke groep is dat?
Bij welke groep amoeben zullen kloppende vacuolen aanwezig zijn die met hoge frequentie samentrekken?

afbeeldingafbeelding

Osmose

Een zalm die een rivier opzwemt.

Bij een zalm komt de concentratie van opgeloste stoffen in het bloed overeen met een oplossing van ongeveer 0,9% NaCl. Door veranderingen in het milieu kunnen bij de zalm de volgende verschijnselen optreden:

1. de nieren gaan minder urine produceren,
2. de buitenste laag van de huid wordt dikker, waardoor minder water wordt opgenomen,
3. de concentratie van opgeloste stoffen in de urine wordt lager.

Het milieu van een zalm verandert wanneer het dier in de voortplantingstijd van zeewater naar zoet water zwemt. De concentratie NaCl in zeewater is ongeveer 3%, in zoet water lager dan 0,01 %.

Welk van de genoemde verschijnselen kan of welke kunnen optreden wanneer een zalm uit zee een rivier op zwemt?