Bloed
Bloedsamenstelling.
Bij iemand wordt bloed afgenomen. Dit bloed wordt opgevangen in een glazen buisje. Na een tijdje stolt het bloed en vormt zich boven het stolsel een heldere, gelige vloeistof.
Hoe wordt deze vloeistof genoemd?
Deze oefentoets bevat 12 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
12
Biologie
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
HAVO 4, HAVO 5
NVON
cc-by-sa-40
Bloedsamenstelling.
Bij iemand wordt bloed afgenomen. Dit bloed wordt opgevangen in een glazen buisje. Na een tijdje stolt het bloed en vormt zich boven het stolsel een heldere, gelige vloeistof.
Hoe wordt deze vloeistof genoemd?
Bloedstremming.
Bij een zieke kon vrijwel geen bloedstremming (bloedstolling) meer optreden. Onderzoek wees uit dat aan het bloedplasma niets veranderd was.
De oorzaak van de afwijking kan dan gelegen zijn
Bloedplaatjes.
Een afwijking aan de bloedplaatjes, waardoor deze hun inhoud niet kunnen vrijgeven, zal tot gevolg kunnen hebben dat
Bloed.
Zie figuur B 1521 van de bijlage.
Voor een onderzoek wordt van iemand bloed afgenomen. Het bloed wordt opgevangen in twee buizen: 1 en 2.
De inhoud van buis 1 wordt direct na afname onderzocht op de aanwezigheid van fibrinogeen en fibrine.
Buis 2 laat men enige tijd staan, tot zich boven in deze buis een heldere, iets gelige vloeistof bevindt en onder in de buis een rood stolsel (zie de afbeelding). Dan onderzoekt men ook de inhoud van buis 2 op de aanwezigheid van fibrinogeen en fibrine.
Vindt men in buis 1 vooral fibrine of vooral fibrinogeen?
En in buis 2?
afbeelding
Bloed.
Zie figuur B 2304 van de bijlage.
In de afbeelding is een microscopisch beeld van bloed van de mens weergegeven. Een van de typen bloedlichaampjes is aangegeven met P.
Welke functie hebben de bloedlichaampjes van type P?
afbeelding
1/4 Trombose.
Jaarlijks belanden zo'n 50.000 Nederlanders bij een arts met gezwollen, rode en pijnlijke enkels of benen. Deze klachten zijn voor de arts voldoende aanleiding voor een voorzichtige diagnose 'beentrombose'. Een bloedpropje verstoort de bloeddoorstroming en veroorzaakt bovenstaande klachten. Als zo'n bloedstolsel los raakt en de longen bereikt, is er sprake van longembolie. Dit kan dodelijk zijn.
Het probleem voor de arts is dat de symptomen voor trombose a-specifiek zijn. In het geval van beentrombose wil dat zeggen dat dezelfde klachten ook veroorzaakt kunnen worden door een spierblessure, een ontsteking of een botbreuk. Gaat men een patiënt behandelen met antistollingsfactoren terwijl hij helemaal geen trombose heeft, dan kunnen inwendige bloedingen ontstaan. Het is dus belangrijk om snel en betrouwbaar de juiste diagnose te stellen.
Een arts vermoedt een trombose in het rechter onderbeen, met gevaar voor longembolie.
Welke bloedvaten en welke delen van het hart zal een bloedpropje via de kortste weg achtereenvolgens doorlopen, voordat dan longembolie ontstaat?
2/4 Trombose.
Het ontstaan van een bloedstolsel is het gevolg van een aantal opeenvolgende chemische reacties, waarbij uiteindelijk fibrinogeen omgezet wordt in fibrine.
Waar bevinden zich stoffen die noodzakelijk zijn om fibrine te laten ontstaan
3/4 Trombose.
Zie figuur B 3808 en figuur A 860 van de bijlage.
Een bloedstolsel verdwijnt na verloop van tijd. Dit wordt fibrinolyse genoemd. Bij dit langzaam 'oplossen' van het bloedstolsel komt een stof vrij, die D-dimeer heet. Deze stof kan ook gebruikt worden om bij patiënten waarbij men trombose vermoedt, vast te stellen of zij daadwerkelijk aan trombose lijden. Dit noemt men de D-dimeertest.
Men heeft antistoffen kunnen isoleren uit dieren voor wie D-dimeer een antigeen is. Deze antistoffen worden op latex bolletjes gebracht. Er is een immunologische reactie mogelijk tussen de D-dimeermoleculen uit het bloed van een mens en deze antistofmoleculen die aan de latex bolletjes gehecht zijn. Het gevolg is dat er een antigeen-antistof-complex ontstaat (zie de afbeelding B 3808). De vorming van dit complex toont de aanwezigheid van het D-dimeermolecuul aan.
Welk van de afgebeelde grafieken, zie figuur A 860, geeft de relatie tussen de hoeveelheid D-dimeermoleculen en de hoeveelheid moleculen van het antigeen-antistofcomplex (A-A-complex) bij een overmaat aan latexgebonden antistof, juist weer?
afbeelding
afbeelding
4/4 Trombose.
Als bij iemand suiker in de urine aangetroffen wordt, kan dit een aanwijzing zijn dat die persoon aan suikerziekte lijdt. We zeggen dan dat de aanwezigheid van suiker in de urine een positief voorspellende waarde heeft.
De D-dimeertest werkt volgens het omgekeerde principe. D-dimeer is een stof die namelijk altijd in het bloed voorkomt. Een verhoging van het D-dimeergehalte hoeft echter niet alleen veroorzaakt te worden door trombose. Ook bij zwangerschap en kanker is het D-dimeergehalte verhoogd.
De D-dimeertest heeft dus een negatief voorspellende waarde. Volgens de huidige gegevens ligt die waarde met betrekking tot trombose tussen de 95% en de 100%.
Wat wordt met een negatief voorspellende waarde van de D-dimeertest bedoeld?
1/2 Vampiers en bloedzuigers.
Vampiers zijn kleine, in kolonies levende vleermuizen die alleen voorkomen in Midden- en Zuid-Amerika. 's Nachts voeden zij zich met het bloed van zoogdieren. Ze snijden met hun tandjes een stukje huid weg, waarna ze het uitstromende bloed oplikken. Hun speeksel bevat o.a. een stof die het tromboplastine remt.
Bloedzuigers zijn wormen die in het water leven. Zij leven o.a. van het bloed van vissen en andere waterdieren.
Het speeksel van deze bloedzuigers bevat hirudine dat het enzym trombine remt.
Is de vampier een consument van de eerste, tweede of een hogere orde? En de bloedzuiger?
2/2 Vampiers en bloedzuigers.
Zie figuur B 3749 van de bijlage.
Trombose is een ziekte bij mensen, waarbij ongewenste stolling in de bloedvaten optreedt.
Het probleem bij de bestrijding van trombose is dat men bloedingen moet zien te voorkomen.
Een middel dat hierbij gebruikt wordt, is aspirine. Dit remt de klontering van bloedplaatjes.
Stoffen uit het speeksel van vampiers en bloedzuigers zouden wel eens beter kunnen werken dan aspirine.
In de afbeelding is een vereenvoudigd schema van de bloedstolling gegeven. In het schema zijn met een - remming en met een + stimulering van omzettingen of werking aangegeven. Hetzelfde schema, figuur B 3749, is opgenomen in een uitwerkbijlage.
Geef op de uitwerkbijlage met behulp van pijlen aan, zoals in de afbeelding gedaan is voor antitrombine, op welke plaats in het schema de stoffen aspirine en hirudine aangrijpen en geef voor beide met behulp van een + of aan op welke wijze.
afbeelding