Oefentoets Biologie: Osmose_diffusie - Osmose_diffusie | HAVO 4/HAVO 5

Deze oefentoets bevat 19 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

19

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Osmose-diffusie

1/2 Aardappelstaafjes.

Uit een verse aardappel wordt een aantal staafjes gesneden. De lengte van ieder staafje wordt gemeten. Daarna wordt elk staafje in een NaCl-oplossing gelegd. De oplossingen hebben alle een verschillende concentratie. Na 24 uur worden de lengten opnieuw gemeten. De meeste staafjes blijken van lengte te zijn veranderd, alleen staafje P dat in een 0,5 % NaCl-oplossing heeft gelegen, is even lang gebleven.

Is de turgor van de cellen van staafje P aan het eind van de proef kleiner dan, gelijk aan of groter dan aan het begin van de proef?

Osmose-diffusie

2/2 Aardappelstaafjes.

Staafje Q heeft in een 0,1% NaCl-oplossing gelegen.

Is in staafje Q aan het eind van de proef de concentratie opgeloste deeltjes in het vacuolevocht van de cellen kleiner dan, gelijk aan of groter dan die in staafje P aan het eind van de proef?

Osmose-diffusie

1/2 Aardappelreepjes.
Zie figuur B 414 van de bijlage.

Reepjes aardappel, gesneden uit dezelfde verse aardappel, werden in glucose-oplossingen van verschillende concentraties gelegd. De reepjes hadden een gelijke lengte en dikte.
Na een uur werd de lengteverandering van de reepjes gemeten.

Van de verkregen resultaten werd het afgebeelde diagram gemaakt.
Aan het eind van de proef worden drie aardappelreepjes met elkaar vergeleken:

- de aardappelreepjes die respectievelijk in de 1%, de 2% en de 5% glucose-oplossing hebben gelegen.

Welke van deze reepjes is het slapst?

afbeeldingafbeelding

Osmose-diffusie

2/2 Aardappelreepjes.

Een vers gesneden reepje aardappel werd een uur in een glucose-oplossing van 3% gelegd. Het reepje werd daarna in een ruime hoeveelheid van een bepaalde vloeistof gelegd waardoor het zijn oorspronkelijke gewicht terugkreeg en behield.

In welke vloeistof werd het aardappelreepje gelegd?

Osmose-diffusie

1/4 Zilte schijnspurrie en Stomp kweldergras.

Tekst:
Op verschillende plaatsen langs wegen worden de laatste jaren plantensoorten aangetroffen die vroeger alleen langs de zeekust voorkwamen. De oorzaak daarvan is het overvloedig strooien van pekel in de winter.
Pekelzout is voornamelijk NaCl. Het gaat in dit geval om de plantensoorten Zilte schijnspurrie (Spergularia salina) en Stomp kweldergras (Puccinellia distans).
Planten van beide soorten groeien op kale plaatsen in zilte terreinen. Kale plaatsen zijn vaak het gevolg van betreding, waardoor de grond wordt verdicht.

bewerkt naar: Nederlandse Oecologische Flora, deel 1, E. J. Weeda e.a., Hilversum, 1985, 202

Zilte schijnspurrie en Stomp kweldergras zijn geen nauw verwante soorten.

Geef aan waaruit dat blijkt.

Osmose-diffusie

2/4 Zilte schijnspurrie en Stomp kweldergras.

Kweldergras blijkt in laboratoriumomstandigheden ook goed te groeien in een bodem zonder zout. In de vrije natuur komt kweldergras op niet zoute bodems nauwelijks voor.
Els denkt dat kweldergras op niet-zoute bodems concurrentie ondervindt van andere grassen, bijvoorbeeld van raaigras. Els wil deze veronderstelling onderzoeken en voert daartoe een experiment uit.
Zij heeft de beschikking over de volgende materialen:

- zaden van raaigras,
- zaden van kweldergras,
- potten,
- potgrond,
- water.

Beschrijf een werkplan dat Els voor dit experiment kan gebruiken.

Osmose-diffusie

3/4 Zilte schijnspurrie en Stomp kweldergras.

Beschrijf een mogelijk resultaat van dit experiment dat de veronderstelling van Els bevestigt.

Osmose-diffusie

4/4 Zilte schijnspurrie en Stomp kweldergras.

Door het strooien van pekel komen zoutminnende planten, zoals Zilte schijnspurrie, meer voor.
Toch worden de meeste bermplanten nadelig beïnvloed door deze pekel.

Leg met behulp van het begrip osmotische waarde uit wat de invloed van de pekel is op de meeste bermplanten.

Osmose-diffusie

1/2 Osmose in plantencellen.
Zie figuur B 2620 van de bijlage.

Een onderzoeker beschikt over twee plantencellen. De osmotische waarde van het vacuolevocht is bij deze cellen gelijk. Hij onderzoekt de volumeverandering van deze cellen, die optreedt als de cellen in bepaalde oplossingen worden gelegd.
Hij legt deze cellen eerst in een oplossing die een iets lagere osmotische waarde heeft dan het vacuolevocht.
Vervolgens brengt hij op tijdstip t = 0 de cellen over in gedestilleerd water. Beide cellen hebben op tijdstip t = 0 hetzelfde volume. Hij meet de volumeverandering van de cellen 1 en 2 vanaf t = 0 en zet zijn resultaten uit in twee grafieken (zie de afbeelding).

Kan het verschil in volumeverandering tussen cel 1 en cel 2 worden verklaard door een verschil in elasticiteit van de celwanden?
Zo ja, is de wand van cel 1 meer of minder elastisch dan die van cel 2?


-

afbeeldingafbeelding

Osmose-diffusie

2/2 Osmose in plantencellen.

Is de stevigheid van cel 1 op tijdstip P kleiner dan, gelijk aan of groter dan die op tijdstip t = 0?

afbeeldingafbeelding

Osmose-diffusie

1/2 Een plantencel.
Zie figuur B 1444 van de bijlage.

De afbeelding geeft een plantencel weer waarbij het celmembraan heeft losgelaten van de celwand.
Drie plaatsen zijn aangegeven met X, Y en Z. Op de plaatsen Y en Z bevindt zich de zoutoplossing die deze toestand veroorzaakt. In de getekende toestand neemt het volume van de cel nog af.
Zoutdeeltjes zijn van plaats Z naar plaats Y gegaan.

Is deze verplaatsing gebeurd door actief transport, door diffusie of door osmose?

afbeeldingafbeelding

Osmose-diffusie

2/2 Een plantencel.
Zie figuur B 1444 van de bijlage.

Is in de getekende toestand de concentratie van opgeloste deeltjes op plaats X lager dan, gelijk aan of hoger dan die op plaats Z?

afbeeldingafbeelding

Osmose-diffusie

1/4 Een practicum met aardappel- en bietenstaafjes.
Zie figuur B 7113 van de bijlage.

Een leerling snijdt uit één aardappel zes staafjes. De staafjes zijn allemaal even lang. Hij doet de aardappel staafjes in reageerbuizen met gelijke hoeveelheden suikeroplossing van verschillende concentratie. Daarna snijdt hij zes staafjes uit één rode biet. De bietenstaafjes worden eveneens in reageerbuizen gedaan, die dezelfde hoeveelheden van dezelfde suikeroplossingen hebben als in het experiment met de aardappelstaafjes.
In de tabel wordt aangegeven welke suikerconcentraties gebruikt worden, hoe lang de aardappel- en bietenstaafjes zijn vóór het experiment en hoe lang de aardappelen bietenstaafjes zijn nadat zij 24 uur in de verschillende suikeroplossingen hebben gelegen.

Noteer in de tabel (zie hiernaast) op de uitwerkbijlage de berekende procentuele toe- en afnames.

afbeeldingafbeelding

Osmose-diffusie

2/4 Een practicum met aardappel- en bietenstaafjes.
Zie figuur A 866 van de bijlage.

Teken in het assenstelsel op de uitwerkbijlage een grafiek waarin je de procentuele lengteverandering van de aardappelstaafjes en van de bietenstaafjes, ten gevolge van hun verblijf in oplossingen van verschillende concentraties, weergeeft. Geef nauwkeurig aan welke grootheden je op de X-as uitzet.

afbeeldingafbeelding

Osmose-diffusie

3/4 Een practicum met aardappel- en bietenstaafjes.

Voordat de staafjes in de verschillende oplossingen worden gelegd, hebben de cellen van de aardappel en de rode biet een bepaalde osmotische waarde.

Van welk van beide hebben de cellen, voordat de staafjes in de suikeroplossingen worden gelegd, de hoogste osmotische waarde?

Osmose-diffusie

4/4 Een practicum met aardappel- en bietenstaafjes.

In de getekende grafieken kun je argumenten vinden waarmee je kunt uitleggen welk weefsel bij het begin van het experiment de hoogste osmotische waarde had.

Geef één van deze argumenten.

Osmose-diffusie

1/3 Zoutplanten.
Zie figuur B 2523 van de bijlage.

Er zijn landplanten die in een zout milieu leven. Zulke planten kunnen op verschillende wijzen aan het zoute milieu zijn aangepast. Een voorbeeld van een zoutplant (Zeekraal) is weergegeven in de afbeelding.
Bij deze zoutplanten is de zoutconcentratie in de omgeving van de wortels erg hoog. Alle planten vertonen een selectieve opname van zouten in de wortels. Selectieve opname betekent dat zouten in verschillende verhoudingen in de plant worden opgenomen. Door de hoge concentratie zouten rondom de wortels van zoutplanten dringt echter toch veel zout de cellen van de plant binnen. De zoutplant kan dan zouten opslaan in de vacuolen van cellen. Wanneer de concentratie van zouten in de vacuolen echter zeer hoog wordt, gaan zulke cellen dood.

Drie gebeurtenissen die in zeekraalplanten plaatsvinden, zijn:

1. zouten komen het cytoplasma van cellen binnen,
2. zouten gaan het cytoplasma van cellen uit,
3. zouten gaan de vacuolen van cellen binnen.

Bij welke van deze gebeurtenissen kan actief transport een rol spelen?

afbeeldingafbeelding

Osmose-diffusie

2/3 Zoutplanten.

Van een stukje van een zeekraalplant met levende cellen die zouten in de vacuolen hebben opgeslagen, wordt een microscopisch preparaat gemaakt in gedestilleerd water.

Zal daardoor de turgor van deze cellen kleiner worden, gelijk blijven of groter worden?

Osmose-diffusie

3/3 Zoutplanten.

Sommige soorten zoutplanten hebben een dichte beharing op de bladeren. In deze haren worden ook zouten opgeslagen.

Welke functie kan deze beharing nog meer hebben?