Oefentoets Biologie: Plantenanatomie - Plantenanatomie | HAVO 4/HAVO 5

Deze oefentoets bevat 31 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

31

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Plantenfysiologie

Bladluizen.

Bladluizen leven dikwijls op bladeren waar zij hun voedsel vinden.

Zij zitten bij voorkeur

Plantenfysiologie

Bremraap.
Zie figuur B 1451 van de bijlage.

In de natuur komen parasitair levende planten voor. In de afbeelding is een dergelijke parasiet getekend: bremraap.
Bremraap heeft geen bladgroen en groeit met zijn wortels in de wortels van de gastheerplant, bijvoorbeeld klaver, zoals in de afbeelding is weergegeven.
Vier stoffen zijn: glucose, water, zetmeel en zouten.

Welke van deze stoffen kunnen onveranderd uit de gastheerplant in een bremraap worden opgenomen?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Schimmels en bomen.

In de natuur bestaat tussen schimmels en bomen vaak een samenleving met wederzijds voordeel.
De schimmel bevindt zich dan in en om de wortels van de boom.

Hieronder staat een aantal mogelijkheden vermeld over de bron waaruit schimmel en boom organische en anorganische voedingsstoffen voor hun stofwisseling kunnen betrekken.

1. organische stoffen zijn uit de boom afkomstig.
2. organische stoffen zijn uit de schimmel afkomstig.
3. anorganische stoffen zijn uit de boom afkomstig.
4. anorganische stoffen zijn uit de schimmel afkomstig.
5. anorganische stoffen zijn uit de grond afkomstig.

Welke van de onderstaande combinaties kan men verwachten bij bovenstaande samenleving?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Bremraap en ratelaar.
Zie figuur B 1995 van de bijlage.

Bremraap is een parasiet die aan de wortels van een gastheerplant organische en anorganische stoffen onttrekt. Ratelaar is een halfparasiet die aan de wortels van een gastheerplant vrijwel alleen anorganische stoffen onttrekt.
Bij één van de planten komt bladgroen voor.

Bij bremraap of bij ratelaar?
Zal bij bremraap of bij ratelaar het merendeel van de wortels in hout van de gastheerplant groeien?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Brandnetel en warkruid.
Zie figuur B 1114 van de bijlage.

Tekening 1 van de afbeelding geeft een deel van een Brandnetel (een zaadplant) weer. Om de stengel van deze Brandnetel windt zich warkruid. Warkruid is een zaadplant met een parasitaire leefwijze. Het heeft geen wortels in de bodem. Het heeft geen bladgroen en dringt met speciale structuren (haustoria) de stengel van de brandnetel binnen. Daar onttrekt warkruid stoffen aan de gastheer.
In tekening 2 van de afbeelding is een dwarsdoorsnede van de stengel van de brandnetel en van het warkruid getekend. Een weefsel is met P aangegeven.

Onttrekt de parasiet alleen anorganische, alleen organische of beide typen stoffen aan de Brandnetel?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Maretak.
Zie figuur B 1619 van de bijlage.

Maretak is een halfparasitaire plant die op loofbomen groeit. De zuigwortels van de maretak onttrekken stoffen aan de boom. In de groene delen van deze halfparasiet vindt fotosynthese plaats.

Welke stoffen onttrekt maretak vooral aan de boom?
En uit welke vaten?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

1/2 Een plantaardige parasiet.
Zie figuur B 1114 van de bijlage.

Tekening 1 van de afbeelding geeft een deel van een brandnetel (een zaadplant) weer. Om de stengel van deze brandnetel windt zich warkruid. Warkruid is een zaadplant met een parasitaire leefwijze. Het heeft geen wortels in de bodem. Het heeft geen bladgroen en dringt met speciale structuren (haustoria) de stengel van de brandnetel binnen. Daar onttrekt warkruid stoffen aan de gastheer.
In tekening 2 van de afbeelding is een dwarsdoorsnede van de stengel van de brandnetel en van het warkruid getekend. Een weefsel is met P aangegeven.

Is met P in tekening 2 bastweefsel, cambium of houtweefsel aangegeven?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

2/2 Een plantaardige parasiet.
Zie figuur B 1114 van de bijlage.

Onttrekt de parasiet alleen anorganische, alleen organische of beide typen stoffen aan de brandnetel?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

1/4 Zonnebloemen.

Op enkele akkers in Flevoland zijn proefvelden met zonnebloemen aangelegd.
In zuidelijke landen worden zonnebloemen veel geteeld vanwege de olie die uit de zaden kan worden gewonnen. In Nederland wil men zonnebloemen, net als snijmaïs, gebruiken als veevoer. Uit proeven moet nu blijken of zonnebloemen beter veevoer opleveren dan snijmaïs.

Welke stoffen komen in de zaden van zonnebloemen voor?

Plantenanatomie en -fysiologie

2/4 Zonnebloemen.

Welke weefsels komen in de stengel van een zonnebloem voor?

Plantenanatomie en -fysiologie

3/4 Zonnebloemen.

De olie in de zaden wordt gevormd uit stoffen die door de zonnebloemplant zijn opgenomen.

Hoe heet het proces waarbij deze olie wordt gevormd?

Plantenanatomie en -fysiologie

4/4 Zonnebloemen.

De olie in zaden van zonnebloemen bevat veel energie.

Waarvan is deze energie afkomstig?

Plantenanatomie en -fysiologie

1/3 Meeldauw.

Meeldauw is een verzamelnaam voor een groep schimmels die op planten parasiteert. Er wordt onderscheid gemaakt tussen valse meeldauw en echte meeldauw. Beide typen kunnen op bladeren van de druif voorkomen.
Tot de valse meeldauw behoren soorten die met myceliumdraden de plant via de huidmondjes binnendringen en zich tussen de cellen uitbreiden. Voor de voortplanting en verspreiding vormen ze sporenkapsels, die via de huidmondjes naar buiten steken.
De meeste echte meeldauwsoorten dringen met myceliumdraden op verschillende plaatsen alleen de opperhuid van een plant binnen. Daar onttrekken ze stoffen aan de cellen.

Nemen de myceliumdraden van de echte meeldauw organische stoffen op uit het druivenblad?
En water en zouten?

Plantenanatomie en -fysiologie

2/3 Meeldauw.

Kunnen de beschreven echte meeldauwsoorten alleen maar voorkomen op de bovenkant, alleen maar op de onderkant of op beide kanten van een druivenblad?

Plantenanatomie en -fysiologie

3/3 Meeldauw.

Waar dringt valse meeldauw een druivenblad vooral binnen?

Plantenanatomie en -fysiologie

1/4 Parasitaire planten.
Zie figuur C 481 van de bijlage.

Maretak en duivelsnaaigaren zijn plantensoorten die, om te kunnen leven, aangewezen zijn op andere planten. Ze leven op een andere plant en onttrekken daaraan stoffen.
De maretak leeft onder andere op populieren en appelbomen en onttrekt daaraan water en zouten. De maretak bezit bladgroen en heeft houtige stengels. De plant kan jaren oud worden.
Duivelsnaaigaren is een éénjarige plant die geen bladgroen bevat en die onder andere leeft op en van brandnetels en heideplanten. Hieraan worden water, zouten en assimilatieproducten onttrokken.

Kan de maretak zelf organische stoffen produceren of is dat niet uit de gegevens af te leiden?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

2/4 Parasitaire planten.

Uit welke vaten van de brandnetel haalt het duivelsnaaigaren de noodzakelijke stoffen?

Plantenanatomie en -fysiologie

3/4 Parasitaire planten.

Is duivelsnaaigaren autotroof of heterotroof of is dit niet te zeggen?

Plantenanatomie en -fysiologie

4/4 Parasitaire planten.

Komt bij duivelsnaaigaren alleen verbranding voor, alleen fotosynthese of komen beide voor?

Plantenanatomie en -fysiologie

1/3 Rafflesia arnoldii.
Zie figuur B 448 van de bijlage.

Voor zover bekend is Rafflesia arnoldii de plantensoort met de grootste bloemen ter wereld.
De plant bestaat uit kleine, dunne draden in de wortels van een gastheerplant. Op de wortels van de gastheerplant vormt Rafflesia jaarlijks één bloemknop. Na het uitkomen bloeit de bloem slechts één dag. De rode bloem heeft een diameter van ongeveer 1 meter en verspreidt een doordringende geur van rottend vlees. In een bloem worden óf stuifmeelkorrels óf eicellen gevormd.

Is Rafflesia arnoldii in staat om zelf eiwitten op te bouwen?
Zo ja, welke stoffen neemt de plant daarvoor op?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

2/3 Rafflesia arnoldii.

De plantensoort Rafflesia arnoldii bestaat uit kleine, dunne draden in de wortels van een gastheerplant.
Voor de groei van de bloemknop heeft een Rafflesia onder andere water nodig.

Op welke wijze kan de plant water verkrijgen?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

1/5 Senecio jacobaea.

Veel planten maken stoffen die hen beschermen tegen vraat door insecten. Plantenalkaloïden zijn zulke stoffen. Bij het Jacobskruiskruid (Senecio jacobaea) blijkt het gehalte aan alkaloïden te variëren van 0% tot 1% van het drooggewicht. Deze verscheidenheid berust op verschillen in genotype. Een leerling verwachtte dat alle jacobskruiskruidplanten een hoog gehalte aan alkaloïden zouden hebben. Hij baseerde zijn verwachting op zijn kennis van erfelijkheid.

Noem de naam van het proces dat kan leiden tot uitsluitend jacobskruiskruidplanten met een hoog alkaloïdgehalte.

Plantenfysiologie

2/5 Senecio jacobaea.
Zie figuur B 2773 van de bijlage.

Tekst:
De rupsen van de St. Jacobsvlinder (Tyria jacobaeae), de zogenoemde zebrarupsen, zijn niet gevoelig voor de alkaloïden in Jacobskruiskruid. In een gebied waren op een bepaald moment bijna alle jacobskruiskruidplanten door zebrarupsen kaal gevreten. Er waren geen bloeiende planten meer aanwezig. Hier en daar stonden kleine groepjes planten die aan de vraat door zebrarupsen waren ontkomen. Deze planten zaten allemaal vol met bladluizen van de soort Aphis jacobaeae. Deze bladluizen leven van plantensappen. Ze staan onder bescherming van mieren die de badhuizen verdedigen tegen allerlei belagers. Ook zebrarupsen die door onderzoekers op de plant geplaatst werden, werden heftig aangevallen door de mieren als ze probeerden in de plant te klimmen. Planten zonder bladluizen worden niet of nauwelijks door mieren bezocht. De mieren leven van de suikers die de bladluizen afscheiden.
bewerkt naar: Meijendel mededelingen afl. 27, mei 1994

Hoe noemen we de relatie tussen bladluizen en mieren?
En de relatie tussen bladluizen en zebrarupsen?
afbeeldingafbeelding




-

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

3/5 Senecio jacobaea.

Behoren Tyria jacobaeae en Aphis jacobaeae tot hetzelfde genus (geslacht)?
En tot dezelfde soort? Leg de beide antwoorden uit.

Plantenfysiologie

4/5 Senecio jacobaea.

Om de relatie tussen het alkaloïdgehalte van Jacobskruiskruid en de aanwezigheid van bladluizen en mieren na te gaan, werden in een ander gebied dertien bloeiende jacobskruiskruidplanten onderzocht met zeer veel bladluizen en mieren. De hoogte van iedere plant werd gemeten en er werden bladeren geoogst voor een bepaling van het alkaloïdgehalte. Ter vergelijking werd bij elk van deze dertien planten de dichtstbijzijnde plant zonder bladluizen en mieren gezocht. Ook van deze buurplanten werd de hoogte gemeten en werden bladeren geoogst. Er mag van worden uitgegaan dat mieren en bladluizen tussen de planten konden kiezen en dat zij op grond van voor hen aantrekkelijke factoren op een bepaalde plant zijn gaan zitten. De resultaten van de metingen van het alkaloïdgehalte en de hoogte van de planten staan in de tabel hieronder.
afbeeldingafbeelding

Welke conclusie over de relatie tussen het alkaloïdgehalte van Jacobskruiskruid en de aanwezigheid van bladluizen en mieren kun je uit de gegevens in de tabel trekken?




-

Plantenfysiologie

5/5 Senecio jacobaea.

Bij een tweede experiment werden tien paren planten gezocht. Elk paar bestond uit een plant met bladluizen en mieren én een plant zonder bladluizen en mieren. Op elke plant werd één zebrarups geplaatst. Na 15 minuten werd gecontroleerd of de rupsen nog aanwezig waren. De resultaten van dit experiment staan in de tabel hieronder.
afbeeldingafbeelding

Op grond van deze gegevens werd de conclusie getrokken dat de mieren zebrarupsen van de planten verdrijven. Deze conclusie werd te snel getrokken. Er was geen controle-experiment gedaan.

Beschrijf dit controle-experiment.

Ecologie

2/3 De iep.

De abiotische factoren in de stad en aan de kust zijn zodanig, dat iepen op die plekken wel goed kunnen groeien en veel andere boomsoorten niet.

Noem twee van zulke in de tekst genoemde abiotische factoren.

Ecologie

3/3 De iep.

De schimmel die de iepenziekte veroorzaakt, verspreidt zich via de houtvaten steeds verder in de boom. De houtvaten raken verstopt en binnen een jaar sterft de boom.

Wordt door het verstoppen van de houtvaten het transport van water geremd?
En wordt het transport van mineralen geremd?

Plantenanatomie

Rafflesia arnoldii.
Zie figuur B 448 van de bijlage.

Voor zover bekend is Rafflesia arnoldii de plantensoort met de grootste bloemen ter wereld. De plant bestaat uit kleine, dunne draden in de wortels van een gastheerplant. Op de wortels van de gastheerplant vormt Rafflesia jaarlijks één bloemknop. Na het uitkomen bloeit de bloem slechts één dag. De rode bloem heeft een diameter van ongeveer 1 meter en verspreidt een doordringende geur van rottend vlees. In een bloem worden òf stuifmeelkorrels òf eicellen gevormd.

Voor de groei van de bloemknop heeft een Rafflesia onder andere water nodig.

Op welke wijze kan de plant water verkrijgen?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

De Kardinaalsmuts.
Zie figuur B 2710 van de bijlage.

In de vaatbundels bestaat een sapstroom met water en vooral voedingszouten en een sapstroom met water en vooral organische stoffen. In de afbeelding is een doorsnede van een blad schematisch weergegeven. In de vaatbundel zijn twee delen met vaten aangegeven.

Welke van de getekende vaten 1 en 2 worden door de luizen aangeboord? Verklaar je antwoord.

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Korstmossen.
Zie de figuren B 1429 en B 1430 van de bijlage.

Korstmossen zijn geen mossen, maar 'dubbelorganismen' opgebouwd uit een schimmel en een wier. De afbeelding geeft een doorsnede van een deel van een korstmos weer. De draden van de schimmel nemen stoffen op uit de ondergrond, in de wieren vindt fotosynthese plaats. De wieren planten zich voort door deling. De schimmels planten zich voort door vorming van sporen. Na samenkomst van een schimmelspore met een bijpassende wiercel kan het geheel uitgroeien tot een korstmos. Er kunnen ook broedkorrels worden gevormd. Dit zijn wiercellen omgeven door enkele schimmeldraden.

In de afbeelding B 1430 zijn drie schema's getekend.

Welk van deze schema's geeft de uitwisseling van anorganische en organische stoffen tussen schimmel en wier in een korstmos het beste weer?

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding