Oefentoets Biologie: Genetica - algemeen | VWO 4/VWO 5/VWO 6 | variant 1

Deze oefentoets bevat 18 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

18

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Genetica

Karyogrammen.
Zie figuur A 1196 van de bijlage.
Zie figuur B 5463 van de bijlage.

In figuur 1 is een karyogram van een gezonde persoon A weergegeven.
- Karyogram B in figuur 2 is van een kind met het 'Cri du chat'-syndroom.
Dit syndroom wordt gekenmerkt door ernstige mentale achterstand (IQ < 50), groeiachterstand, kleine schedel, aangeboren hartafwijkingen en door de typische manier van huilen, die sterk lijkt op het geluid van een kat. Dit verdwijnt op latere leeftijd.
Karyogram C in figuur 2 is van een kind met op het eerste gezicht eenzelfde chromosoomafwijking als patiënt B, maar dit kind is geen lijder aan het “Cri du chat” syndroom.

Geef hiervoor een verklaring aan de hand van de karyogrammen B en C.

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Genetica

Erfelijkheid bij slakken.
Zie figuur A 1197 van de bijlage.

Bij een bepaalde slakkensoort (Limnaea peregra) is erfelijk bepaald of de schelp rechtsdraaiend is (D) of linksdraaiend is (S).
Bij het tot stand komen van het fenotype blijkt naast de informatie in de kern ook een cytoplasmatische factor van invloed te zijn. Deze is wel aanwezig in de eicel maar niet in de zaadcel. Daardoor wordt ook verklaard dat in de F1 twee fenotypen voorkomen. Dit wordt geïllustreerd in het volgende schema.
Let wel: in het schema komt maar één kruising tussen twee individuen voor (de P-generatie) de andere generaties planten zich voort door zelfbevruchting (deze slak is hermafrodiet).
Uit de F3 ontstaat - ook weer door zelfbevruchting - een F4 .

Komen er in deze generatie slakken met linksdraaiende schelp voor?
Zo ja, welk deel van de F4 zal naar verwachting een linksdraaiende schelp hebben?
Noteer het antwoord als breuk of percentage.

afbeeldingafbeelding

Genetica

Muizenstam.

Een bepaalde muizenstam bleek onvruchtbaar te zijn. Om een aantal van deze dwergen te verkrijgen, moet men paringen regelen tussen dieren die heterozygoot zijn voor het betreffende gen.

Welke van de volgende procedures zou gebruikt moeten worden om de vereiste heterozygoten op te sporen?

Genetica

Genetici.

Zet de namen van de genetici in de rechter kolom bij hun eigen ontdekking in de linker kolom.

  • Gregor Mendel

  • Thomas Hunt Morgan

  • Oswald Avery, Colin McLeod & Maclyn McCarthy

  • Barbara McClintock

  • James Watson & Francis Crick

  • Hermann Joseph Muller

  • Erffactoren komen in paren voor en zijn dominant of recessief.

  • Bij Drosophila komen geslachtschromosoomgebonden eigenschappen voor.

  • Genen bestaan uit DNA.

  • Transposons zijn mobiele elementen in het genoom.

  • DNA heeft een dubbele helix-structuur.

  • Röntgenstraling kan mutaties veroorzaken.

Genetica

2/2 Li-Fraumenis syndroom.

Het Li-Fraumenis syndroom kenmerkt zich o.a. door een verhoogd risico op kanker. Dit risico neemt met de leeftijd toe. Voor iemand onder de 45 jaar met het syndroom is het risico 40%, voor mensen boven de 45 jaar is het risico 65%. Een van de risico's betreft kanker aan de bijnierschors en leidt tot sterk verhoogde productie van bijnierschorshormoon.

Noem een effect van teveel bijnierschorshormoon.

Genetica

Verwantschapscoëfficiënt.
Zie figuur B 5474 van de bijlage.

De 'verwantschapscoëfficiënt' verwijst naar de waarschijnlijkheid dat twee verwante individuen een specifiek allel van een enkelvoudig gen overerven van hun gemeenschappelijke voorouder.

Welke van de volgende genetische verwantschappen in de stamboom hierboven van diploide individuen, is niet waar?
De 'verwantschapscoëfficiënt' bij

afbeeldingafbeelding

Genetica

Cellen en structuren.
Zie figuur A 124 van de bijlage.

De persoon van wie de luchtpijp afkomstig is, heeft de homozygoot recessieve bloedgroep O.
Aangenomen wordt dat bij deze persoon geen mutaties zijn opgetreden.

Hoeveel chromosomen met een recessief allel voor de bloedgroep bevinden zich in de kern van cel R?

afbeeldingafbeelding

Genetica

1/2 Onderzoek naar veroudering bij muizen.

Al sinds de oudheid zijn mensen geïnteresseerd in veroudering, en dan vooral het tegengaan daarvan. Het onderzoek hiernaar verloopt met vallen en opstaan: voortdurend veranderen de inzichten over de oorzaken van veroudering.
Bij één van de onderzoeken naar de oorzaak van verouderingsprocessen werden muizen gebruikt met een mutatie in het gen voor DNA-polymerase-g.
Jonge muizen die homozygoot zijn voor dit mutantgen worden vroeg oud. De dieren verliezen gewicht, krijgen kale plekken en soms een bochel. Ze lijden aan botontkalking, bloedarmoede en hartstoornissen en ze gaan voortijdig dood.
Veranderingen in het mitochondriale DNA (mtDNA) zijn mogelijk de oorzaak van deze snelle veroudering. Het mtDNA kan gemakkelijk worden beschadigd door vrije radicalen. Deze zuurstofradicalen ontstaan tijdens de oxidatieve fosforylering in de mitochondriën. Er wordt ook onderzoek gedaan naar stoffen die deze vrije radicalen wegvangen of de effectiviteit van in de cel voorkomende antioxidanten verhogen.
Het mitochondriale DNA codeert voor enzymen die bij de productie van ATP betrokken zijn.

Zie volgende scherm

Genetica

2/2 Onderzoek naar veroudering bij muizen.

Het snelle verouderen gaat bij muizen met het mutantgen gepaard met het krijgen van kale plekken in de vacht.

Leg uit waardoor deze muizen sneller dan normaal kale plekken krijgen.

Genetica

Bladsnijdermieren.

In het kader van onderzoek naar de evolutie van het paargedrag van mieren heeft een onderzoeksteam twee verwante soorten mieren vergeleken. Het onderzoek leverde aanwijzingen voor de veronderstelling, dat het paren met meer partners energetisch gezien kostbaar is en verdwijnt zodra het kan.
Een koningin van een van de soorten bladsnijdermieren, Acromyrmex echinatior, wordt tijdens haar bruidsvlucht door gemiddeld meer dan tien mannetjes bevrucht en slaat al het sperma dat ze nodig heeft voor de rest van haar leven in haar lichaam op. Mannetjes worden gewoonlijk slechts één keer per jaar geproduceerd en gaan na de paring dood.
De bevruchte jonge koningin vormt een ondergronds nest.

Eén van de voordelen van het paren met meer partners is de grote genetische diversiteit bij het nageslacht.

Noem een gunstig effect van een grote genetische diversiteit bij de jonge koninginnen die uitvliegen.
Noem een gunstig effect van een grote genetische diversiteit bij werksters van de soort A. echinatior voor de instandhouding van het nest.

Genetica

Scrapie.

Scrapie is een prionziekte, die schapen treft. Het ziekteverloop lijkt op dat van gekke koeienziekte bij vee. Enkele schapenrassen hebben meer weerstand tegen scrapie dan andere. De weerstand is gerelateerd aan het prioneiwit (PrP ) van het schaap. Van dit eiwit varieert de aminozuursamenstelling van ras tot ras, afhankelijk van de aanwezige allelen (zie afbeelding hieronder).

afbeeldingafbeelding

Welke genotypen vind je in de F2 als je een A1 A1 -ram paart met een A6 A6 -ooi?
Maak het kruisingsschema.

Genetica

Galápagoseilanden.
Zie figuur A 889 van de bijlage.

Onderzoekers menen dat de eigenschap snavellengte een criterium is voor natuurlijke selectie, mits de snavellengte een erfelijke eigenschap is. Onderzoek naar het al dan niet erfelijk zijn van de snavellengte bij Geospiza fortis leverde de resultaten op zoals die zijn weergegeven in het diagram van de afbeelding.

Over deze twee grafieken worden de volgende beweringen gedaan:

1. De resultaten van dit onderzoek ondersteunen de hypothese dat de snavellengte een erfelijke eigenschap is, omdat er een verband is tussen de lengte van de snavels bij de jongen en de ouders;
2. Uit de resultaten van dit onderzoek kan men niet afleiden dat de snavellengte een erfelijke eigenschap is, omdat er slechts gegevens van twee jaren bekend zijn.

Welke van deze beweringen is juist?

afbeeldingafbeelding

Genetica

Eiwitten in voeding.

Er zijn essentiële en niet-essentiële aminozuren.
Essentiële aminozuren moeten in de voeding voorkomen; niet-essentiële aminozuren kunnen in het lichaam worden gesynthetiseerd.
De eiwitkwaliteit van de voeding wordt vooral bepaald door de aanwezigheid van essentiële aminozuren.
Een eiwit waarin alle essentiële en niet-essentiële aminozuren in voldoende mate voorkomen en in een onderlinge verhouding die weinig afwijkt van de aminozuursamenstelling van het lichaamseiwit, noemt men een eiwit met een hoge biologische waarde (BW).
Onder de tienduizenden erfelijke afwijkingen die bij de mens kunnen voorkomen, bevinden zich eiwitstofwisselingsziekten.
Bij één van deze ziekten ontbreekt de synthese van een niet-essentieel aminozuur.

Deze afwijking komt bij één op de 40.000 mensen voor Zij zijn homozygoot (gg) voor het gen dat de ziekte veroorzaakt.

Hoe groot is dan de frequentie van het gen g?