Oefentoets Biologie: Plantenanatomie | VWO 5/VWO 6 | variant 9

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Plantenfysiologie

Druppelen van blad.
Zie figuur B 143 van de bijlage.

De tekeningen geven bladeren weer van twee gelijke planten P en Q die in verschillende milieus zijn geplaatst.
Plant P geeft via de bladeren waterdruppels af, plant Q niet.

Is de zuigkracht van de bladeren het grootst bij plant P of bij plant Q?
Is de waterdruk in de houtvaten van de stengels het grootst bij plant P of bij plant Q?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

De ringwondproef.
Zie figuur B 141 van de bijlage.

Rondom de stam van een boompje wordt een ring weggesneden tot op het hout (zie tekening). De hoeveelheid water die op de hoogte P per minuut door de stam omhoog gaat, wordt na het maken van de ringwond voortdurend gemeten. Er worden na elkaar twee proeven gedaan:

- bij proef 1 wordt er alleen langs tak 1 warme, droge lucht geblazen;
- bij proef 2 wordt er alleen langs tak 2 warme, droge lucht geblazen.

De proeven worden zo uitgevoerd dat ze elkaar niet beïnvloeden.

Wat gebeurt er bij elk van beide proeven met de hoeveelheid water die per minuut bij P door de stam omhoog gaat, vergeleken met vóór die twee proeven?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Transport door houtvat.

In een houtvat van een boom vindt transport van water plaats. De druk in dit houtvat als het donker is, wordt vergeleken met de druk als de sterkte van het zonlicht voor de fotosynthese optimaal is. Ook wordt de druk in dit houtvat als het waait, vergeleken met de druk als het windstil is. Bij deze boom mag transport ten gevolge van worteldruk verwaarloosd worden. De boom beschikt steeds over voldoende water.

Onder welke van de genoemde omstandigheden zal de druk in het houtvat het laagst zijn?

Plantenfysiologie

Huidmondjes en turgor.

Water dat uit een blad van een plant verdampt, is afkomstig uit de houtvaten en heeft zich voornamelijk via de celwanden van de parenchymcellen (vulweefselcellen) van dit blad verplaatst naar de intercellulaire holten achter de huidmondjes. Door milieufactoren verandert op een gegeven moment de openingstoestand van de huidmondjes van een plant. Als gevolg van deze verandering neemt de druk in de houtvaten van deze plant af.

Zijn de openingen van de huidmondjes groter of kleiner geworden?
Neemt de turgor van de parenchymcellen die in de bladeren tegen de houtvaten aanliggen dan toe of af?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Druk in houtvaten.

Bij een meting van de druk van de vloeistof in de houtvaten in de stengel van een zaadplant blijkt dat deze druk lager is dan de luchtdruk. De plant staat in het licht en beschikt over voldoende water. Vervolgens wordt de invloed van de volgende veranderingen in het milieu op de druk in de houtvaten in de stengel van deze plant onderzocht:

1. het in het donker zetten van de plant,
2. het vergroten van de luchtstroom langs de plant,
3. het verhogen van de luchttemperatuur, terwijl de bodemtemperatuur constant blijft,
4. het verlagen van de concentratie waterdamp in de lucht.

Welke verandering in het milieu zal de druk in de houtvaten in de stengel doen stijgen?

Plantenfysiologie

Groei van kiemplantjes in zoutoplossingen.

In een experiment laat een leerling kiemplantjes van een bepaald maïsras groeien in zoutoplossingen van verschillende concentraties. Bij het begin van het experiment zijn deze kiemplantjes even oud en even lang. Na 24 uur bepaalt hij de lengtetoename van de worteltjes. De resultaten zijn weergegeven in de tabel hieronder.
afbeeldingafbeelding

Hij formuleert op grond van deze resultaten de volgende veronderstellingen betreffende de netto-opname of -afgifte van water:

1. in zoutoplossing 1 nemen de wortelcellen het meeste water op;
2. in zoutoplossing 4 bestaat een netto-afgifte van water door de wortelcellen.

Welke van zijn veronderstellingen is of welke zijn juist?

Plantenfysiologie

Verdamping bij tomatenplant.
Zie figuur A 339 van de bijlage.

Op een warme zomerdag kan de verdamping vanuit de bladeren van een tomatenplant zó intensief zijn dat er door die bladeren, via de houtvaten, water wordt onttrokken aan de vruchten. In de afbeelding is een tomatenplant getekend. P is een blad dat water onttrekt aan vrucht Q. De verbinding van vrucht Q met de plant is schematisch uitvergroot. Drie plaatsen zijn aangegeven met cijfers. De zuigkracht in de houtvaten op de plaatsen 1, 2 en 3 wordt bepaald.

In welke van onderstaande reeksen is de zuigkracht in de houtvaten op de genoemde plaatsen in de beschreven situatie van klein naar groot weergegeven?

klein ----> groot

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Kers en blad van kersenboom.

Een rijpe, sappige kers aan een kersenboom wordt vergeleken met een blad aan dezelfde boom. De hoeveelheid water die deze kers door verdamping per volume-eenheid verliest, verschilt van de hoeveelheid water die dit blad per volume-eenheid verliest. Enkele verschilpunten in bouw tussen een kers en blad van een kersenboom zijn:

1. een kers heeft per oppervlakte-eenheid minder huidmondjes dan een blad;
2. een kers heeft een dikkere cuticula dan een blad;
3. de cellen in een kers bevatten gemiddeld per volume-eenheid meer water dan de cellen in een blad;
4. een kers is bolvormig, een blad is plat.

Zal het waterverlies door verdamping per volume-eenheid in de kers kleiner of groter zijn dan in het blad van die kersenboom?
Per volume-eenheid in een sappige kers zal

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Hydrostatische druk in houtvat.

Bij een struik wordt op een bepaalde plaats in een houtvat van een tak de hydrostatische druk gemeten op drie verschillende momenten.

Meting 1 werd gedaan toen er waterdruppels uit de bladeren van deze tak te voorschijn kwamen; de tak zat nog aan de struik.
Meting 2 werd gedaan direct nadat het druppelen uit de bladeren van deze tak was opgehouden; de bladcellen waren turgescent; ook nu zat de tak nog aan de struik.
Meting 3 werd gedaan nadat de tak was afgesneden; de tak stond in water, de bladcellen waren turgescent.

Bij welke meting zal de druk in het houtvat het hoogst zijn?
Bij welke meting zal de druk in het houtvat het laagst zijn?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Watertransport in houtvaten.

Het watertransport in de houtvaten wordt bij vier planten onder verschillende omstandigheden vergeleken:

1. bij een boterbloem gedurende een regenachtige voorjaarsnacht;
2. bij een aardbeiplant op een zonnige, droge zomermiddag;
3. bij een kastanjeboom met opgezwollen bladknoppen op een zonnige, vroege voorjaarsmiddag;
4. bij een waterlelie met drijvende bladeren op een mistige herfstmiddag.

In welke van deze planten wordt onder de genoemde omstandigheden het watertransport grotendeels door de worteldruk veroorzaakt?

Plantenfysiologie

Een plantaardig weefsel.
Zie figuur B 1673 van de bijlage.

Bij planten kunnen zich ruimten tussen de cellen bevinden. Een dergelijke ruimte is in de afbeelding aangegeven met P. Over deze ruimten worden de volgende beweringen gedaan:

1. deze ruimten zijn gevuld met weefselvloeistof;
2. in deze ruimten worden reservestoffen opgeslagen;
3. via deze ruimten diffunderen gassen van en naar cellen;
4. via deze ruimten worden water en zouten als gevolg van de worteldruk naar de bladeren getransporteerd.

Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Zonne- en schaduwbladeren.
Zie figuur C 122 van de bijlage.

Bij de beuk is de bouw van de bladeren die zich in de zon bevinden, anders dan die van de bladeren die zich in de schaduw bevinden (zie afbeelding). Wanneer de hoeveelheid licht die op een blad valt groter is dan 4 mW/cm2 is de fotosynthese-activiteit (mL CO2 /cm2 bladoppervlak) in zonnebladeren groter dan in schaduwbladeren.
Drie kenmerken van zonnebladeren in vergelijking met schaduwbladeren zijn:

1. dikkere waslaag,
2. groter aantal huidmondjes per cm2 bladoppervlak,
3. grotere hoeveelheid assimilerend weefsel per cm2 bladoppervlak.

Elk van deze drie kenmerken draagt bij tot de grotere fotosynthese-activiteit.

Leg bij elk van deze drie kenmerken uit op welke wijze dit kenmerk een bijdrage levert aan de grotere fotosynthese-activiteit van de zonnebladeren wanneer de hoeveelheid licht die op een blad valt groter is dan 4 mW/cm2 .





-

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Tropisch regenwoud.
Zie figuur A 409 van de bijlage.

Uit onderzoek is gebleken dat de kieming van zaden van Urera caracasana, een in tropische regenwouden voorkomende boomsoort, afhankelijk is van de verhouding tussen de intensiteit van licht met een golflengte van 660 nm (R) en de intensiteit van licht met een golflengte van 730 nm (IR). In het diagram van de afbeelding is het percentage kiemende zaden van Urera caracasana uitgezet tegen deze verhouding van de lichtintensiteiten (R/IR).

Bij hevige stormen of aardbevingen ontstaan in een tropisch regenwoud grote open plekken doordat bomen omvallen. De lichtintensiteit op zo'n grote open plek in een regenwoud verschilt sterk van die onder het gesloten bladerdak van het omringende woud. In de diagrammen 1 en 2 van de afbeelding is de intensiteit van licht van variërende golflengten weergegeven op een grote open plek en onder het gesloten bladerdak. Voor de lichtintensiteit is in beide diagrammen dezelfde grootheid gebruikt (dichtheid van de fotonenstroom per m2
per seconde).

Kiemen de meeste zaden van Urera caracasana op de open plek of onder het gesloten bladerdak? Geef een verklaring voor je antwoord.




-

afbeeldingafbeelding

Dierfysiologie

Stevigheid in planten- en dierenrijk.

Zowel in het plantenrijk als in het dierenrijk wordt in de stevigste organen de stevigheid ontleend aan

Plantenfysiologie

Transport van auxine.
Zie de figuren B 3868 en B 3869 van de bijlage.

Planten groeien mede onder invloed van het groeihormoon auxine. Auxine bevordert de celstrekking en wordt onder andere in de stengeltop van een plant geproduceerd. In een onderzoek naar het transport van auxine worden vier experimenten gedaan.

In experiment 1 wordt een stukje stengel van een plant in drie delen verdeeld: de stengeltop, het middelste deel en het onderste deel. Vervolgens worden de delen weer in dezelfde positie op elkaar gezet. Hierna groeit de stengel door (zie de afbeelding B 3868-links).
In experiment 2 wordt een stukje stengel op dezelfde manier in drie delen verdeeld. Vervolgens wordt het middelste deel omgekeerd teruggeplaatst. Hierna groeit de stengel niet door (zie de afbeelding B 3868-rechts).

Op grond van de resultaten van de experimenten 1 en 2 worden twee vervolgonderzoeken opgezet, de experimenten 3 en 4. In deze experimenten wordt het middelste deel van een overeenkomstig stukje stengel tussen twee blokjes agar geplaatst. Agar is een stof die auxine doorlaat. Aan het bovenste blokje is auxine toegevoegd, aan het onderste blokje niet (zie de afbeelding B 3869-links).
In experiment 3 wordt het stengeldeel rechtop geplaatst. Na enkele uren blijkt auxine in het onderste blokje agar te zijn gekomen.
In experiment 4 wordt het stengeldeel omgekeerd geplaatst. Nu komt geen auxine in het onderste blokje terecht (zie de afbeelding B 3869-rechts).

Formuleer een onderzoeksvraag die met de resultaten van de experimenten 3 en 4 kan worden beantwoord.




-

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Transport van auxine.
Zie de figuren B 3868 en B 3869 van de bijlage.

Planten groeien mede onder invloed van het groeihormoon auxine. Auxine bevordert de celstrekking en wordt onder andere in de stengeltop van een plant geproduceerd. In een onderzoek naar het transport van auxine worden vier experimenten gedaan.

In experiment 1 wordt een stukje stengel van een plant in drie delen verdeeld: de stengeltop, het middelste deel en het onderste deel. Vervolgens worden de delen weer in dezelfde positie op elkaar gezet. Hierna groeit de stengel door (zie de afbeelding B 3868-links).
In experiment 2 wordt een stukje stengel op dezelfde manier in drie delen verdeeld. Vervolgens wordt het middelste deel omgekeerd teruggeplaatst. Hierna groeit de stengel niet door (zie de afbeelding B 3868-rechts).

Op grond van de resultaten van de experimenten 1 en 2 worden twee vervolgonderzoeken opgezet, de experimenten 3 en 4. In deze experimenten wordt het middelste deel van een overeenkomstig stukje stengel tussen twee blokjes agar geplaatst. Agar is een stof die auxine doorlaat. Aan het bovenste blokje is auxine toegevoegd, aan het onderste blokje niet (zie de afbeelding B 3869-links).
In experiment 3 wordt het stengeldeel rechtop geplaatst. Na enkele uren blijkt auxine in het onderste blokje agar te zijn gekomen.
In experiment 4 wordt het stengeldeel omgekeerd geplaatst. Nu komt geen auxine in het onderste blokje terecht (zie de afbeelding B 3869-rechts).

Drie leerlingen trekken op grond van de resultaten van de experimenten 1, 2, 3 en 4 de volgende conclusies:

leerling 1: het transport van auxine vindt plaats door de bastvaten;
leerling 2: het transport van auxine vindt plaats van de top van de stengel naar het onderste deel van de stengel;
leerling 3: het transport van auxine vindt plaats van de top van de stengel naar het onderste deel van de stengel door diffusie.

Welke van deze leerlingen trekt een juiste conclusie uit de experimenten 1, 2, 3 en 4?

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

Groeistof en celstrekking.

In een experiment wordt de invloed van groeistof onderzocht op de celstrekking van een stengel en een wortel van een bepaalde plant. Het blijkt dat bij P mg/l groeistof de celstrekking in de stengel even snel plaats vindt als die in de wortel.
Wordt er minder dan P mg/l groeistof gegeven, dan is de celstrekking in de stengel geringer, maar die in de wortel groter.
De volgende beweringen worden hierover gedaan:

1. P mg/l groeistof ligt voor de stengel tussen optimum en maximum.
2. P mg/l groeistof ligt voor de wortel tussen minimum en optimum.
3. De hoeveelheid groeistof die een optimale groei veroorzaakt, is voor de stengel anders dan die voor de wortel.

Welke bewering is of welke beweringen zijn juist?

Plantenanatomie en -fysiologie

Processen in een aardappel.
Zie figuur A 3 van de bijlage.

Vier processen zijn:

- celstrekking,
- differentiatie,
- plasmagroei,
- specialisatie.

Welk van deze processen heeft vooral de grote lengtegroei van de stengel van de afgebeelde aardappelplant P veroorzaakt?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

1/2 Een boom.
Zie figuur B 1513 van de bijlage.

In de afbeelding is een deel van een boom met takken getekend naar de situatie in december 1988. Twee delen zijn aangegeven met de letters Q en R. De boom groeit in 1989 verder zonder dat er takken afvallen. In december 1989 wordt de boom omgezaagd.

Zal één van de delen Q en R in 1989 in lengte zijn toegenomen?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

2/2 Een boom.
Zie figuur B 1514 van de bijlage.

De afbeelding stelt een stuk voor van deel R na het omzagen van de boom in 1989.

Welke van de delen E, F en G zijn geheel in 1989 gevormd?

afbeeldingafbeelding