Oefentoets Biologie: Ademhaling | Gaswisseling | HAVO 4/HAVO 5

Deze oefentoets bevat 19 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

19

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Ademhaling

1/2 Opname via de longen.
Zie figuur A 396 van de bijlage.

In de longen stroomt het bloed door de haarvaten langs het longweefsel, zodat diffusie van gassen kan plaatsvinden. De afbeelding geeft schematisch de barrière weer tussen de lucht in een longblaasje en een rode bloedcel in een longhaarvat.
Uit de afbeelding is af te leiden hoeveel keer een zuurstofmolecuul tenminste een membraan moet passeren om vanuit de lucht in een longblaasje terecht te komen een rode bloedcel in een longbloedvat.

Hoeveel keer is dit ten minste?

afbeeldingafbeelding

Ademhaling

2/2 Opname via de longen.

Sommige geneesmiddelen worden door middel van een inhalator ingeademd.

Door welke eigenschap of eigenschappen van de longen wordt zo'n geneesmiddel na het inademen snel in het bloed opgenomen?

Ademhaling

Ademfrequentie.

Een proefpersoon wordt in een afgesloten ruimte gebracht, waarin het zuurstofgehalte is verhoogd tot 24% en het koolstofdioxidegehalte is verhoogd tot 3%. De lucht bevat 6% minder stikstof dan normaal.

Welke invloed heeft het inademen van dit luchtmengsel op zijn ademfrequentie en wat is daarvoor de verklaring?

Ademhaling

Longblaasjes en bloed.
Zie figuur B 2489 van de bijlage.

De tekening stelt enkele longblaasjes met haarvaten van een zoogdier voor. De pijlen geven de richting van de bloedstroom weer.
Drie beweringen over het bloed bij plaats P en plaats Q zijn:

1. Bij P bevat het bloed meer zuurstof dan bij Q.
2. Bij P bevat het bloed minder zuurstof dan bij Q.
3. Bij P bevat het bloed minder koolstofdioxide dan bij Q.

Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?

afbeeldingafbeelding

Ademhaling

Stikstof en ademhaling.

Door het dekweefsel van de longblaasjes van zoogdieren diffunderen behalve O2 onder andere ook CO2 , N2 en waterdamp.

De hoeveelheid stikstof die vanuit de longblaasjes naar het bloed diffundeert is

Ademhaling

Zuurstof.

Over de zuurstofmoleculen die bij een mens bij een rustige inademing in de luchtwegen terechtkomen, worden vier uitspraken gedaan:

1. Alle ingeademde zuurstofmoleculen bereiken de longblaasjes, deels door diffusie, deels door stroming.
2. Alle ingeademde zuurstofmoleculen komen uiteindelijk in het bloed terecht.
3. Een gedeelte van de ingeademde zuurstofmoleculen verlaat het lichaam weer bij de eerstvolgende uitademing, zonder in de longblaasjes geweest te zijn.
4. Een gedeelte van de ingeademde zuurstofmoleculen komt in de cellen van de wand van de luchtwegen terecht, de rest komt via de longblaasjes in het bloed terecht.

Welke uitspraak is juist?

Ademhaling

Gasgehaltes.

Iemand houdt gedurende enige tijd de adem in.

Wat gebeurt er als gevolg hiervan met het O2 -, het CO2 - en het stikstofgehalte van de lucht in de longblaasjes?

Ademhaling

Zuurstof door cellen.

Door welke cellen moeten de zuurstofdeeltjes uit de longlucht gaan voordat ze in het bloed worden opgenomen?

Ademhaling

Koolmonoxide.

Koolmonoxide vormt een hechtere binding met hemoglobine dan zuurstof.

Wanneer een persoon lucht met koolmonoxide inademt, zal de gaswisseling tussen bloed en weefselcellen

Ademhaling

Diffusie van zuurstof.

De snelheid waarmee een organisme zuurstof in het bloed opneemt, is onder meer afhankelijk van de grootte van het oppervlak waar de zuurstof doorheen diffundeert.

Bij gewervelde dieren is dit oppervlak groot door de aanwezigheid van

Ademhaling

Gaswisseling.
Zie figuur B 3052 van de bijlage.

De afbeelding geeft schematisch een longblaasje met een longhaarvat van de mens weer. Vier plaatsen in het longhaarvat zijn aangegeven met P, Q, R en S. De pijlen geven de stroomrichting van het bloed aan.

Op welke van deze plaatsen bevindt zich zuurstof?

afbeeldingafbeelding

Ademhaling

Meet je longen.
Zie figuur A 13 van de bijlage.

In de getekende proefopstelling bevindt zich aanvankelijk in de klok 6 liter water. Nadat een proefpersoon zo diep mogelijk heeft ingeademd en daarna via het slangetje zo diep mogelijk heeft uitgeademd, daalt de waterstand tot er nog 1 liter water in de klok aanwezig is.

Met deze demonstratie wordt aangetoond dat bij de proefpersoon

afbeeldingafbeelding

Ademhaling

Longvolume.
Zie figuur B 19 van de bijlage.

In het diagram is het longvolume van een persoon weergegeven gedurende een bepaalde tijd.

Zijn op tijdstip T de spieren van het middenrif samengetrokken?
Zijn op tijdstip T de tussenribspieren die de ribben omlaag bewegen samengetrokken?

afbeeldingafbeelding

Ademhaling

Borstademhaling.
Zie figuur B 2490 van de bijlage.

De tekeningen stellen de borstkas van een mens voor na een diepe uitademing en na een diepe inademing.

Welke van de spieren, die een rol spelen bij de ademhaling, worden gewoonlijk samengetrokken bij de overgang van 1 naar 2?

afbeeldingafbeelding

Ademhaling

Sportkeuring.

Bij sportkeuringen bepaalt men vaak de zogenaamde longinhoud, door na maximale inademing maximaal uit te ademen.

Welke van de volgende beweringen daarover is juist?

Ademhaling

Vitale capaciteit.

Wat verstaat men onder de vitale capaciteit van de longen?

Ademhaling

Hardlopen.

Iemand die hardloopt heeft een snellere ademhaling dan iemand die stil zit.

Welk van de onderstaande beweringen over de snelle ademhaling bij de hardloper is juist?

Ademhaling

Warming-up.

Voor sportmensen is het belangrijk dat er voor een wedstrijd of training een goede 'warming up' plaatsvindt.
Deze 'warming up' heeft onder andere de volgende doelen. Ten eerste stijgt de temperatuur in de skeletspieren, waardoor ze beter kunnen functioneren. Ten tweede heeft de 'warming up' tot gevolg dat het orthosympatisch zenuwstelsel wordt geactiveerd en de bijnieren worden aangezet tot afgifte van adrenaline.

De ademfrequentie neemt toe door afgifte van adrenaline, maar ook door andere veranderingen in de samenstelling van het bloed.

Door welke verandering in het bloed wordt de ademfrequentie tijdens de 'warming-up' het sterkst beïnvloed?

Ademhaling

Ademtest bij het bepalen van lactose-intolerantie.
Zie figuur B 4360 van de bijlage.

Een voorbeeld van een ademtest is de lactose-ademtest. Hierbij is de teststof met 2 H gelabelde lactose (= melksuiker).
Sommige mensen maken geen lactase. Hierdoor wordt lactose niet verteerd en komt het in de dikke darm. De daar aanwezige bacteriën kunnen de lactose wel verteren en de verteringsproducten gebruiken voor hun eigen dissimilatie.
Hierbij komt onder andere 2 H2 vrij. Dit wordt in het bloed opgenomen en via de longen uitgescheiden, waardoor je het via de ademtest kunt meten.

Het totale longvolume van de mens wordt in een aantal fracties (1 tot en met 5) opgesplitst, zie de afbeelding.
Gedurende dertig seconden wordt van de patiënt een respirogram opgenomen (zie afbeelding).

In welke fase van deze opname meet men in de uitgeademde lucht het hoogst mogelijk gehalte aan 2 H2 ?

afbeeldingafbeelding