Enzymen
Zymogenen.
Waarom worden sommige eiwitten gemaakt als ineffectieve voorstadia, de zogenaamde zymogenen of pro-enzymen?
Deze oefentoets bevat 11 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
11
Biologie
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
VWO 4, VWO 5, VWO 6
NVON
cc-by-sa-40
Zymogenen.
Waarom worden sommige eiwitten gemaakt als ineffectieve voorstadia, de zogenaamde zymogenen of pro-enzymen?
Biotechnologie en enzymen.
Welke eigenschap maakt enzymen erg waardevol voor biotechnologie?
1/4 De bekerplant.
Zie figuur B 4847 van de bijlage.
afbeelding
Planten met bladgroen zijn in staat om uit tussenproducten van de fotosynthese aminozuren te vormen. Bekerplanten kunnen deze producten ook op een spectaculair andere wijze verkrijgen.
Bekerplanten van het genus Nepenthes zijn vleesetend. Deze planten hebben bekers ontwikkeld die werken als insectenval, zie de afbeelding hiernaast. In de beker zit water met daarin door de plant en door bacteriën aangemaakte enzymen.
Zie volgende scherm
2/4 De bekerplant.
Zie figuur B 4848 van de bijlage.
Van twee van de enzymen in het bekervocht heeft men de relatieve activiteit bepaald bij verschillende temperaturen. De resultaten staan in de afbeelding links (afb. 1).
Ook heeft men dit onderzocht na 2 uur incubatie bij 30, 40, 50, 60, en 70°C. Die resultaten staan in de afbeelding rechts (afb. 2).
Hans en Maarten bekijken afbeelding 1 en 2 en concluderen het volgende:
Hans: Uit deze resultaten blijkt dat na twee uur bij beide enzymen uur het optimum voor de relatieve activiteit bij een lagere temperatuur ligt
Maarten: Uit deze resultaten blijkt dat de temperaturen waarbij beide enzymen hun optimum hebben na twee uur verder uit elkaar liggen.
Wie heeft of wie hebben gelijk?
afbeelding
3/4 De bekerplant.
Analyse van beide enzymen heeft uitgewezen dat er veel zwavelbruggen aanwezig zijn.
Welke gevolgen heeft dat voor de ruimtelijke structuur?
4/4 De bekerplant.
In jonge, ongeopende bekers is het enzym-bevattende verteringsvocht vrij van bacteriën, maar bij volwassen bekers bevindt zich in dit vocht een rijke bacterieflora. Deze bacteriën geven ook enzymen af. Men vraagt zich af of deze enzymen ook een rol spelen bij het verteringsproces in de beker.
Hoe kan men vaststellen of de bacteriële enzymen ook een rol spelen?
Bier brouwen.
In een folder staat de volgende tekst:
Tekst:
Om bier te brouwen is het onder andere nodig suiker om te zetten in alcohol en koolstofdioxide. Gistcellen zorgen dat deze omzetting ook werkelijk plaatsvindt. Als er niet genoeg suiker in het water zit, gaat het niet. Met een bepaalde hoeveelheid suiker lukt het wel en hoe meer suiker er is, hoe sneller dit proces verloopt. Ook geldt: hoe warmer hoe meer er wordt omgezet. Maar al te warm is weer niet goed, want dan sterven de gistcellen. Ook de hoeveelheid zuurstof is belangrijk. Maar daarvoor geldt juist: hoe minder zuurstof hoe beter.
Noem twee oorzaken, die niet in de tekst zijn genoemd, waardoor de uitspraak "hoe meer suiker er is, hoe sneller dit proces verloopt" niet altijd juist is.
Allosterische enzymen.
Zie figuur B 3943 van de bijlage.
Welke stofwisselingsprocessen in een cel plaatsvinden, hangt af van de aanwezigheid en de activiteit van enzymen. De activiteit van een enzym kan gereguleerd worden door binding met een activator of een inhibitor (remstof).
Allosterische enzymen bestaan uit twee of meer polypeptiden, de subunits. Deze enzymen bezitten ‘allosterische' plaatsen, waar een activator of een inhibitor kan binden. Elke subunit heeft één bepaalde plaats waar binding met het substraat plaatsvindt.
Zie figuur B 3943 van de bijlage.
In de afbeelding is een allosterisch enzym, bestaande uit vier subunits, schematisch weergegeven in de twee vormen die voortdurend spontaan in elkaar overgaan: de actieve en de inactieve vorm. Door binding met een activator of met een inhibitor op één of meer van de vier allosterische plaatsen, wordt één van de twee vormen stabiel (zolang de binding met activator of inhibitor blijft bestaan).
In de afbeelding zijn drie plaatsen met een nummer aangegeven.
Met welk nummer is een plaats aangegeven waar binding mogelijk is met het substraat?
En waar is binding mogelijk met de activator?
afbeelding
afbeelding
Plantencellen.
Zie figuur B 1464 van de bijlage.
De cel in de afbeelding is losgemaakt uit het omringende weefsel.
Door inwerking van welk van de enzymen amylase, cellulase of pectinase is deze cel losgemaakt uit het omringende weefsel?
afbeelding
Een parasiet.
Zie figuur C 129 van de bijlage.
afbeelding
Enkele enzymen zijn: lipase, pectinase en proteïnase.
Welk van deze enzymen speelt zeker geen rol bij het binnendringen van een cercarie in het lichaam van de mens (zie tekst)?
afbeelding