Oefentoets Biologie: Ecologie - relaties | HAVO 4/HAVO 5

Deze oefentoets bevat 24 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

24

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Ecologie

Kevers.
Zie figuur A 392 van de bijlage.

Twee bepaalde, nauw verwante soorten kevers kunnen in gevangenschap lang in leven worden gehouden mits zij van elkaar gescheiden zijn. Uit een experiment blijkt dat na verloop van korte tijd, één van beide soorten uitsterft wanneer deze twee soorten samen in één ruimte moeten leven. Welke soort uitsterft, hangt af van de relatieve vochtigheid en de temperatuur in de ruimte.
In de diagrammen van de afbeelding zijn de resultaten van dit experiment weergegeven.
Naar aanleiding van de resultaten van dit experiment worden de volgende beweringen gedaan:

1. Het uitsterven van één van de twee soorten kevers is in beide onderzochte situaties het gevolg van competitie.
2. Het uitsterven van één van de twee soorten kevers wordt in beide onderzochte situaties veroorzaakt doordat de tolerantiegebieden van beide soorten elkaar niet overlappen.
3. De competitie tussen de twee soorten kevers wordt beïnvloed door abiotische factoren.

Welke van deze beweringen kan of welke kunnen juist zijn op grond van de uitkomsten van dit experiment?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

Biologische reiniging.
Zie figuur C 14 van de bijlage.

Op een aantal plaatsen in een rivier werd op een bepaalde dag de chemische en biologische samenstelling van het water onderzocht. De resultaten van het onderzoek zijn in drie diagrammen in de afbeelding weergegeven. Op plaats L bevindt zich een uitmonding van een riool in deze rivier, het lozingspunt. Langs de X-as is een traject van deze rivier afgezet voor en na de uitmonding van het riool. Langs de Y-as staat de concentratie van de desbetreffende stof of het aantal organismen per liter water aangegeven.

Naar aanleiding van deze diagrammen worden drie uitspraken gedaan:

1. De daling van de zuurstofconcentratie direct stroomafwaarts van plaats L is te verklaren doordat er veel zuurstof wordt verbruikt door bacteriën.
2. De stijging van de zuurstofconcentratie verder stroomafwaarts is onder andere te verklaren doordat algen zuurstof produceren.
3. De stijging van de nitraatconcentratie is te verklaren doordat ammonium in nitraat wordt omgezet.

Welke van deze uitspraken is of zijn juist?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

Biologische reiniging.

Op een aantal plaatsen in een rivier werd op een bepaalde dag de chemische en biologische samenstelling van het water onderzocht. De resultaten van het onderzoek zijn in drie diagrammen in de afbeelding weergegeven. Op plaats L bevindt zich een uitmonding van een riool in deze rivier, het lozingspunt. Langs de X-as is een traject van deze rivier afgezet voor en na de uitmonding van het riool. Langs de Y-as staat de concentratie van de desbetreffende stof of het aantal organismen per liter water aangegeven.

Zal de stijging van de ammoniumconcentratie na punt L vooral worden veroorzaakt door omzetting van eiwitten, van koolhydraten of van vetten?

Ecologie

Zelfreinigend vermogen.

Wat wordt bedoeld met het zelfreinigend vermogen van water?

Ecologie

1/5 Japanse oesters.

De Japanse oester is bewust geïntroduceerd in de Oosterschelde. In de strenge winter van 1963 stierf de platte Zeeuwse oester bijna uit. Op advies van het RIVO (Rijks Instituut voor Visserij Onderzoek) werd de Japanse oester als alternatief binnengehaald. Aanvankelijk dacht men dat de Japanse oester zich niet in de koude wateren zou voortplanten. Toch werden in 1976 de eerste broedjes, larven van de oester, aangetroffen. Na die tijd is het aantal Japanse oesters alleen maar toegenomen. Met behulp van luchtfoto's is bepaald hoe groot het oppervlak is dat door de Japanse oester wordt bedekt (zie onderstaande tabel).

afbeeldingafbeelding

In de Oosterschelde heerste een evenwicht tussen algen en mosselen. Sinds 1998 is dit aan het veranderen.
Misschien speelt de nieuwkomer daarin een kwalijke rol. De Japanse oester is groot en eet ongeveer een derde van de algenpopulatie in de Oosterschelde op. De vrees is verder dat de Japanse oesters de larven van mosselen opeten.
In bovenstaande tabel staan de oppervlaktes die bedekt zijn door Japanse oesters. Voldoende voedsel is één van de factoren die deze groei mogelijk maakt.

Zie volgende scherm

Ecologie

2/5 Japanse oesters.

Noem nog twee biotische factoren die invloed kunnen hebben op deze toename van de Japanse oester.

Ecologie

3/5 Japanse oesters.

Welke twee relaties tussen de mossel en de Japanse oester worden in de tekst beschreven?

Ecologie

4/5 Japanse oesters.

Andere organismen in de Oosterschelde die gevaar lopen zijn onder andere de scholekster en de eidereend. Deze vogels leven van mosselen, die mogelijk het veld moeten ruimen voor de Japanse oester. De scholekster en de eidereend hebben nog geen truc gevonden om de Japanse oester open te krijgen. Dit in tegenstelling tot de zilvermeeuw. Die laat oesters van grote hoogte op een dijk vallen zodat de oesterschelp breekt.
Een tweetal waarnemingen met betrekking tot dit gedrag zijn:

1. Niet alle meeuwen in een populatie vertonen het gedrag;
2. In sommige populaties meeuwen komt dit gedrag helemaal niet voor.

Welke van de volgende verklaringen over het ontstaan en de verspreiding van dit gedrag is juist?

Ecologie

5/5 Japanse oesters.

Niet iedereen is pessimistisch over de gevolgen van de groei van de populatie Japanse oesters in de Oosterschelde. Het kan ook zo zijn dat de schelpen van verwilderde Japanse oesters een ondergrond vormen waarop nieuwe soorten zich kunnen vestigen.
Desondanks zijn er veel mensen die de introductie van een exotische soort niet steunen.

Geef een biologisch argument dat deze mensen kunnen gebruiken om hun standpunt te onderbouwen.

Ecologie

1/2 Biologische reiniging.
Zie figuur C 14 van de bijlage.

Op een aantal plaatsen in een rivier werd op een bepaalde dag de chemische en biologische samenstelling van het water onderzocht. De resultaten van het onderzoek zijn in drie diagrammen in figuur C 14 van de bijlage weergegeven. Op plaats L bevindt zich een uitmonding van een riool in deze rivier, het lozingspunt. Langs de X-as is een traject van deze rivier afgezet voor en na de uitmonding van het riool. Langs de Y-as staat de concentratie van de desbetreffende stof of het aantal organismen per liter water aangegeven.
Naar aanleiding van deze diagrammen worden drie uitspraken gedaan:

1. De daling van de zuurstofconcentratie direct stroomafwaarts van plaats L is te verklaren doordat er veel zuurstof wordt verbruikt door bacteriën.
2. De stijging van de zuurstofconcentratie verder stroomafwaarts is onder andere te verklaren doordat algen zuurstof produceren.
3. De stijging van de nitraatconcentratie is te verklaren doordat ammonium in nitraat wordt omgezet.

Welke van deze uitspraken is of zijn juist?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/2 Biologische reiniging.
Zie figuur C 14 van de bijlage.

Zal de stijging van de ammoniumconcentratie na punt L vooral worden veroorzaakt door omzetting van eiwitten, van koolhydraten of van vetten?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

Parasiet en gastheer.

Wat geldt meestal bij de relatie parasiet-gastheer?

Ecologie

Proef in een jampot.

Jane zet in een gesloten jampot, gevuld met water, een consument van de 1e orde en een producent. Nu belicht zij de jampot en schrijft er met een viltstift op: pot A.
Ze zet eenzelfde jampot met dezelfde inhoud in het donker en schrijft daarop: pot B.

Wat zal Jane na enkele weken waarnemen?

Ecologie

1/13 De leuke tegen de leukste.

Op IJsland gaat het om de leuke tegen de leukste, nu konijnen de woongebieden van de papegaaiduiker ruïneren.

Lees de onderstaande tekst, bewerkt naar een artikel van Lauren Etter in 'The Wallstreet Journal' van 4 augustus 2006. Maak daarna de bijbehorende vragen.

VESTMANNAEYJAR, IJsland -- Asmundur Palsson stond gebogen als een sluipschutter tegen de klif, terwijl hij zijn .22-kaliber geweer richtte. "Ahhhh, ja," fluisterde hij, met zijn vinger aan de trekker. "Een zwart konijn." Maar net toen hij wilde schieten op het dier dat uit het hol kwam, - whoosh -kwam er een zwart, wit en oranje gekleurde vogel tevoorschijn. "Nee, het is een papegaaiduiker," bromde hij.
Hier op dit vulkanische eiland aan de zuidkust van IJsland, jaagt Palsson op konijnen om de daar geliefde papegaaiduikers te redden. Meer dan 10 miljoen broeden daar, waarmee IJsland 's werelds grootste broedgebied is voor deze vogels. Maar deze nationale schat wordt bedreigd door konijnen. Beide soorten leven in holen in de grond: papegaaiduikers 4 maanden per jaar, konijnen het hele jaar door. En er is geen ruimte voor beide, uit onderzoek blijkt dat konijnen de papegaaiduikers verstoren en zorgen voor minder broedsucces: een strijd om het bestaan tussen beide soorten. Dat levert ook een discussie op tussen mensen die de clowneske vogels willen beschermen en degenen die tegen afschot van konijnen zijn.
Om de papegaaiduikers te beschermen, heeft de IJslandse regering een klein groepje jagers aangesteld zoals Palsson, om konijnen af te schieten. "Ze planten zich snel voort", zegt Ingvar Sigurdsson, directeur van het Zuid IJslandse Natuur Centrum. "Als de jagers niet elk jaar 600 tot 700 zouden schieten, wordt het een ramp."
Maar nu roept een groep mensen de jagers op, de konijnen met rust te laten. "Ze proberen die dieren uit te roeien," beweert Sigridur Asgeirdottir, een rechter die lid is van de IJslandse Vereniging tot Preventie van Geweld tegen Dieren. "De konijnen doen geen kwaad," benadrukt ze. Volgens haar is de grootste vijand van de vogels niet het konijn, maar de mens. Die jaagt op de vogels en doodt elk jaar zo'n 200.000 dieren om ze te verkopen als delicatesse op de lokale markten. Volgens de vogeljagers zelf zijn ze gek op de zeevogels, maar houden ze een eeuwenoude traditie in stand.
Konijnen kwamen oorspronkelijk niet voor op IJsland, het zijn waarschijnlijk ontsnapte huisdieren. Hoe het ook zij, Vestmannaeyjar is een hemel voor konijnen- er zijn maar weinig predatoren, veel holen en veel voedsel.
In 2001 financierde de afdeling Biologie van de Universiteit Reykjavik onderzoek naar het papegaaiduiker- konijn conflict. Freydis Vigfusdottir, het hoofd van het onderzoek, legde de leefgebieden en het gedrag van de konijnen gedurende vier jaar vast. Ze tekende alle leefgebieden in en gebruikte een ondergrondse camera om in de holen van beide soorten dieren te kijken. Ze stelde vast dat de holen van beide dieren er op het oog vrijwel hetzelfde uitzien. Maar er zijn verschillen. Papegaaiduikers maken met hun snavel een hol met een nauwe ronde gang. Konijnen trekken daarin als de vogels hun acht maanden op zee doorbrengen. Ze verbouwen de holen: de ingang wordt breder en gangen worden onderling verbonden om ontsnappingsroute te maken.
Papegaaiduikers willen het liefst elk jaar hetzelfde hol gebruiken. En ze zijn erg op zichzelf en willen hun hol niet verbinden met dat van anderen, zoals konijnen doen. In een direct conflict zouden de vogels waarschijnlijk winnen, maar in de praktijk trekken ze zich liever terug als ze hun hol ingepikt vinden en maken een nieuw hol of slaan een jaar het broeden over.
Vigfusdottir vond dat ongeveer 64% van de papegaaiduikerholen in een 'konijnvrij' gebied werd gebruikt. In een gebied met konijnen werd 10% van de papegaaiduikerholen door konijnen gebruikt en 64% werd helemaal niet gebruikt.
Volgens haar is het konijn bedreigend voor de populatie papegaaiduikers, maar zijn mensen tegen schieten door de 'aaibaarheidsfactor'. 'Als het geen konijnen maar ratten waren geweest, zou iedereen voor afschieten zijn.'

Zie volgende scherm

Ecologie

2/13 De leuke tegen de leukste.
Zie figuur B 5274 van de bijlage.

- Leg uit dat de papegaaiduiker en het konijn niet naast elkaar in hetzelfde ecosysteem kunnen voortbestaan.
- Leg uit dat zonder ingrijpen het konijn de winnaar zal zijn van de strijd om het bestaan.
- Is de eigenschap 'holen graven' een kenmerk van organisme, populatie of ecosysteem?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

3/13 De leuke tegen de leukste.

Noem een mogelijke verklaring, anders dan jacht, voor het gegeven dat er vroeger veel meer papegaaiduikers waren op IJsland.