Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
Dankzij betere teelttechnieken is de opbrengst van wintertarwe steeds groter geworden. Zo is bijvoorbeeld niet alleen de hoeveelheid voedingszouten in de bodem van belang, maar ook het aantal tarweplanten per m2
. Door een proef wordt de opbrengst van wintertarwe onderzocht bij verschillende aantallen tarweplanten per m2
. De resultaten zijn weergegeven in onderstaande tabel. afbeelding
Maak op de uitwerkbijlage een lijndiagram van de gegevens uit de tabel.
Plantenanatomie en -fysiologie
2/4 Wintertarwe.
Zijn voor de opbrengst van wintertarwe abiotische factoren van belang? En zijn biotische factoren van belang?
Plantenanatomie en -fysiologie
3/4 Wintertarwe.
Bij een groter aantal planten dan 200 per m2
, neemt de opbrengst niet meer toe.
Leg uit waardoor de opbrengst niet meer toeneemt, als de planten zo dicht op elkaar staan.
Plantenanatomie en -fysiologie
4/4 Wintertarwe.
Men probeert ook de opbrengst te vergroten door nieuwe rassen te ontwikkelen. Twee tarwerassen zijn: Drifter en Ritmo.
Maak een werkplan waarmee je kunt onderzoeken welk van deze twee rassen een grotere opbrengst oplevert.
Plantenanatomie en -fysiologie
1/3 Een worteltje. Zie figuur B 2039 van de bijlage.
De afbeelding geeft een doorsnede van het onderste stuk van een wortel van een plant weer. Processen die in dit stuk wortel plaatsvinden, zijn onder andere celstrekking, specialisatie van cellen en wateropname.
Door welk deel wordt het meeste water vanuit de bodem opgenomen: door deel R, door deel S of door deel T?
afbeelding
Plantenanatomie en -fysiologie
2/3 Een worteltje. Zie figuur B 2039 van de bijlage.
In welk deel vooral vindt celstrekking plaats? In welk deel zijn de cellen het meest gespecialiseerd?
afbeelding
afbeelding
Plantenanatomie en -fysiologie
3/3 Een worteltje. Zie figuur B 2039 van de bijlage.
Waar treedt mitose vooral op: in deel R, in deel S of in deel T?
afbeelding
Plantenanatomie en -fysiologie
1/2 Gaswisseling bij planten.
Landplanten hebben een opperhuid die moeilijk gassen doorlaat. Gaswisseling vindt vooral plaats via huidmondjes.
Welke van de volgende uitspraken over het voorkomen van huidmondjes bij een beukenboom is juist?
Plantenanatomie en -fysiologie
2/2 Gaswisseling bij planten.
Veel landplanten hebben een opperhuid met een vrij dikke waslaag.
Wat is de functie van zo'n waslaag?
Zo'n waslaag beschermt de plant tegen
Plantenanatomie en -fysiologie
1/2 Gaswisseling bij planten.
Landplanten hebben een opperhuid die moeilijk gassen doorlaat. Gaswisseling vindt vooral plaats via huidmondjes. Veel cellen in een blad grenzen niet direct aan een huidmondje.
Langs welke weg vindt transport van gassen tussen deze cellen en de huidmondjes vooral plaats?
Plantenanatomie en -fysiologie
2/2 Gaswisseling bij planten.
Bij welke van de volgende weersomstandigheden zal het aantal huidmondjes dat overdag is gesloten, het grootst zijn?
Plantenanatomie en -fysiologie
1/3 Albino.
Sommige planten zijn niet in staat bladgroenkorrels te vormen. Deze albinoplanten ontkiemen wel uit het zaad, maar ze sterven na korte tijd. Onderzoek heeft aangetoond dat dit zogenoemde albinisme veroorzaakt wordt door een recessief gen. Een tabaksplant wordt bestoven met stuifmeel van een andere tabaksplant. Beide planten zijn heterozygoot voor albinisme.
Hoe groot is de kans dat uit een zaad een albinokiemplant ontstaat?
Plantenanatomie en -fysiologie
2/3 Albino.
Waar haalt een albinokiemplantje tijdens het kiemen voedingsstoffen vandaan?
Plantenanatomie en -fysiologie
3/3 Albino.
Leg uit waardoor albinokiemplanten zullen sterven als gevolg van het ontbreken van bladgroen.
Plantenanatomie en -fysiologie
1/4 Hoe je aardappelen kunt kweken. Zie figuur B 2147 van de bijlage.
In de afbeelding en de tekst hieronder is weergegeven hoe je aardappelen kunt kweken. De tuin wordt omgespit, waarbij stalmest door de grond wordt gewerkt. Vervolgens worden gaten van ongeveer 10 cm diep in de grond gestoken. In ieder gat wordt een aardappel gelegd. Ook kan een stuk van een grote aardappel worden gebruikt (tekening 1). Grote aardappelen worden dan zó gedeeld dat op elk deel één of meer "ogen" voorkomen. Na het poten worden de gaten dichtgemaakt. De aardappelplanten komen na enkele weken boven de grond (tekening 2). Ze vormen wortels, stengels, bladeren en bloemen en er ontstaan nieuwe aardappelen (tekening 3). De aardappelen worden gerooid als de bladeren helemaal geel zijn geworden. Uit elke gerooide aardappel kan weer een nieuwe aardappelplant worden gekweekt.
Kunnen aardappelplanten zich geslachtelijk vermeerderen? En ongeslachtelijk?
afbeelding
Plantenanatomie en -fysiologie
2/4 Hoe je aardappelen kunt kweken.
Stalmest bevat onder andere cellulose, eiwitten en zouten.
Welke van deze stoffen neemt een aardappelplant uit de stalmest op?
Plantenanatomie en -fysiologie
3/4 Hoe je aardappelen kunt kweken.
Wanneer grote aardappelen worden gedeeld, zal uit elk deel een jonge plant groeien.
Wat is bekend over het fenotype en over het genotype van de planten die zo uit de delen van één aardappel groeien?
Plantenanatomie en -fysiologie
4/4 Hoe je aardappelen kunt kweken.
Een aardappelplant staat nog in de grond, maar de bovengrondse delen zijn al helemaal geel en verdord.
Vindt in deze plant nog fotosynthese plaats? En verbranding?
afbeelding
Plantenanatomie en -fysiologie
1/7 Een aardappelplant. Zie figuur B 2120 van de bijlage.
In de afbeelding is schematisch een aardappelplant weergegeven. Er zijn drie pijlen 1, 2 en 3 getekend, die opname en/of afgifte van stoffen aanduiden.
Welke van deze pijlen kan of welke kunnen betrekking hebben op het transport van zuurstof bij een aardappelplant?
afbeelding
Plantenanatomie en -fysiologie
2/7 Een aardappelplant.
Bij een aardappelplant wordt het transport in de bastvaten vergeleken met het transport in de houtvaten. Er wordt gekeken naar het transport van koolhydraten en van zouten.
Welke van deze stoffen worden vooral door de bastvaten vervoerd? In welke richting vindt het transport van deze stoffen vooral plaats?