Oefentoets Biologie: Immuniteit - antigenen | VWO 4/VWO 5/VWO 6

Deze oefentoets bevat 6 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

6

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Immuniteit

Organen als antigeen.
Zie figuur A 33 van de bijlage.

In het lichaam van zoogdieren komen bepaalde typen witte bloedcellen voor die nauw betrokken zijn bij de afstoting van getransplanteerde organen. Bij de afstoting werkt het getransplanteerde orgaan als antigeen. In een experiment worden pasgeboren muizen van stam P uit dezelfde worp in twee groepen verdeeld:

1. groep 1 krijgt geen inspuiting;
2. groep 2 wordt ingespoten met levercellen van volwassen muizen van stam Q.

Zodra de muizen uit groep 1 en groep 2 volwassen zijn, wordt er bij alle muizen een stukje huid van de muizen van stam Q getransplanteerd. Het experiment en de resultaten zijn weergegeven in de afbeelding.

Uit deze resultaten worden drie conclusies getrokken:

1. door de inspuiting met levercellen van stam Q vlak na de geboorte werken de eiwitten van stam Q niet als antigenen bij stam P;
2. de inspuiting met levercellen van stam Q vlak na de geboorte heeft tot gevolg dat er bij de ingespoten muizen van groep 2 van stam P geen antistofproductie meer kan plaatsvinden bij infectieziekten;
3. door de inspuiting met levercellen van stam Q vlak na de geboorte verkrijgen muizen van stam P dezelfde immuniteit tegen antigenen als de muizen van stam Q hebben.

Welke conclusie is of welke conclusies zijn juist op grond van deze resultaten?



-

afbeeldingafbeelding

Immuniteit

Antistoffen.

In een experiment worden muizen geïnfecteerd met de bacteriesoort X. Uit deze muizen worden vervolgens de antistoffen geïsoleerd die gevormd zijn tegen antigenen van bacterie X.
Aan de geïsoleerde antistoffen wordt een stof gekoppeld die in ultraviolet licht groen oplicht.
Deze stof heeft geen invloed op de antistof-antigeen-reactie, maar bij deze reactie ontstaat wel een groen-oplichtende neerslag.
Vervolgens wordt van drie onbekende muizen P, Q en R bloed afgenomen waaruit bloedserum wordt gewonnen. Aan een bepaalde hoeveelheid bloedserum van elk van deze muizen wordt evenveel van hetzelfde mengsel van verschillende antistoffen toegevoegd. In dit mengsel bevinden zich ook de antistoffen tegen bacteriesoort X waaraan de groen-oplichtende stof is gekoppeld.

Na verloop van tijd wordt het volgende resultaat verkregen:

- bloedserum van muis P + mengsel: groen-oplichtende neerslag;
- bloedserum van muis Q + mengsel: geen neerslag;
- bloedserum van muis R + neerslag: neerslag dan niet groen oplicht.

Uit deze resultaten worden de volgende conclusies getrokken:

1. in het bloedserum van muis P bevinden zich alleen antigenen van bacteriesoort X;
2. in het bloedserum van muis Q bevinden zich geen antigenen van bacteriën;
3. in het bloedserum van muis R bevinden zich andere antigenen dan die van bacteriesoort X.

Welke van deze conclusies is of welke zijn zeker juist?

Immuniteit

1/2 Antigenen.
Zie figuur B 2232 van de bijlage.

Bescherming tegen vreemde antigenen die het lichaam van de mens binnendringen, vindt onder andere plaats door de productie van vele verschillende typen antistoffen. Aan één antigeenmolecuul kunnen zich tegelijkertijd moleculen van verschillende antistoffen binden. In de afbeelding zijn schematisch twee verschillende antistofmoleculen (p en q) weergegeven en twee antigeenmoleculen met ieder twee bindingsplaatsen voor deze antistofmoleculen.

Teken de situatie waarin de twee verschillende antistofmoleculen (p en q) twee antigeenmoleculen aan elkaar binden.

afbeeldingafbeelding

Immuniteit

2/2 Antigenen.

Iedere binding tussen een antistofmolecuul en een antigeenmolecuul kan weer worden losgemaakt.
De volgende situatie wordt gegeven: twee verschillende antistofmoleculen (p en q) hebben twee antigeenmoleculen aan elkaar gebonden.

Teken de situatie waarbij één van deze bindingen is verbroken.
Leg uit dat de band tussen antigeenmoleculen die door twee antistoffen aan elkaar worden gebonden, meer dan twee maal zo sterk is als de band tussen antigeenmoleculen die door één antistof aan elkaar worden gebonden.

Immuniteit

1/3 MHC.

Een door een virus geïnfecteerde cel wordt herkend door het afweersysteem doordat de cel kleine stukjes van alle eiwitten die in de cel zijn gemaakt aan de buitenkant laat zien. Een geïnfecteerde cel is dan te herkennen aan virale eiwitten (antigenen). Sommige virussen zijn echter in staat zich na een periode van actieve infectie (de actieve fase) in het lichaam te verbergen, waardoor ze niet kunnen worden opgeruimd door afweersysteem (de latente fase). De virussen doen dit waarschijnlijk door hun DNA in een cel te brengen en ervoor te zorgen dat er weinig of geen virale eiwitten worden gemaakt. Als het afweersysteem verzwakt is kunnen nieuwe virusdeeltjes heel snel aangemaakt worden en nieuwe cellen infecteren (de reactivatiefase).
Joanne doet onderzoek naar het cytomegalovirus, een virus dat zich levenslang in het lichaam van de gastheer kan verbergen. Ze wil graag weten in welke organen het virus zich verstopt. Zij gebruikt hiervoor drie technieken waarmee ze verschillende onderdelen van een virus kan aantonen:

1. Een kleuring met antistoffen om virale eiwitten aan te tonen;
2. De plaque test om actieve virusdeeltjes aan te tonen;
3. PCR (polymerase kettingreactie) om viraal DNA aan te tonen.

Joanne infecteert drie ratten met het virus en bekijkt na 4 weken en na 20 weken in welke organen zij het virus kan aantonen. Haar resultaten, het aantal organen dat positief was in de desbetreffende test, zijn weergegeven in onderstaande tabel.

afbeeldingafbeelding

In welk orgaan of in welke organen is het virus na 20 weken nog in de latente fase aanwezig?




-

Immuniteit

Antigeeninspuiting.
Zie figuur B 5511 van de bijlage.

In een medisch onderzoek gaf men een proefpersoon twee keer een inspuiting met hetzelfde antigeen in dezelfde dosis. In de afbeelding hiernaast zie je de reactie in beide gevallen.

Verklaar het verloop van beide grafieken.

afbeeldingafbeelding