Oefentoets Biologie: Gedrag - Algemeen | VMBO theoretische leerweg, 3/VMBO theoretische leerweg, 4 - variant 8

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VMBO theoretische leerweg, 3, VMBO theoretische leerweg, 4

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Gedrag

1/3 De zang van roodborstjes.
Zie figuur A 785 van de bijlage.

Roodborstjes zingen om hun territorium aan te geven en om een partner te lokken. Er wordt van april tot juli gebroed. Zodra het vrouwtje de eieren heeft gelegd, blijft ze elf tot veertien dagen op het nest zitten. In die tijd wordt ze door het mannetje gevoerd.
In de afbeelding is de zang van roodborstjes gedurende het jaar weergegeven.

In een bepaalde periode van het jaar hebben mannetjes en vrouwtjes elk hun eigen territorium.

In welke maanden hebben de roodborstjes elk hun eigen territorium? Leg je antwoord uit met behulp van de bovenstaande informatie.

afbeeldingafbeelding

Gedrag

2/3 De zang van roodborstjes.

Wat is de functie van de zang van het mannetje in februari?

Gedrag

3/3 De zang van roodborstjes.
Zie figuur A 785 van de bijlage.

Vooral de vrouwtjes bebroeden de eieren.

Waaraan kun je dat zien? Leg je antwoord uit met behulp van de afgebeelde grafiek.

afbeeldingafbeelding

Gedrag

1/3 Zebravissen.
Zie figuur B 4358 van de bijlage.

Zebravissen zijn tropische zoetwatervissen. Als er voldoende ruimte is, hebben mannetjes een territorium. In de voortplantingstijd vormt een mannetje dat een territorium heeft, een paartje met een vrouwtje. Daarna verdedigen ze allebei het territorium.
Tussen twee vissen die een paartje vormen, is de afstand kleiner dan tussen zebravissen die geen paartje vormen. Wanneer een paartje eieren of jongen heeft, worden die bewaakt en verzorgd door beide ouders.

Er wordt een onderzoek gedaan naar paarvorming.
De onderzoeker maakt voor zijn waarnemingen gebruik van:
- een aquariumbak van 1 meter lang met op het glas aan de voorkant een verdeling in gelijke vakken (zie de afbeelding B 4358)
- gemerkte mannetjesvissen,
- gemerkte vrouwtjesvissen,
- vellen papier waarop de verdeling nagetekend is, zoals die op het glas zijn aangebracht.

De onderzoeker brengt de vissen in het aquarium. Gedurende twee weken wordt elke dag bepaald, welke vissen een paartje hebben gevormd.

Wat zal de onderzoeker tijdens die twee weken noteren op de vellen papier om te kunnen bepalen of twee vissen een paartje hebben gevormd?

afbeeldingafbeelding

Gedrag

2/3 Zebravissen.
Zie figuur C 383 van de bijlage.

Na twee weken worden de vissen weer uit het aquarium verwijderd. Vier andere zebravissen worden in het aquarium losgelaten: twee vrouwtjes en twee mannetjes. In de twee weken hierna wordt genoteerd welke paren er worden gevormd. Ook worden de territoriumgrenzen bepaald. De resultaten worden weergegeven in de de afbeelding.

Geef een verklaring voor het verschil in territoriumgrootte van paartje 1 in situatie 3 en in situatie 4.

afbeeldingafbeelding

Gedrag

3/3 Zebravissen.

Wanneer er in een aquarium veel zebravissen worden gehouden, planten ze zich niet voort.

Geef een verklaring voor het ontbreken van voortplanting in een aquarium met veel zebravissen.

Gedrag

1/2 Bavianen.
Zie figuur B 2955 van de bijlage.

Bavianen zijn apen die in groepen leven, voornamelijk in Afrika. Ze voeden zich met plantaardig materiaal zoals vruchten, bladeren en wortels, maar ook met insecten en soms met vlees. Door deze variatie in menu kunnen bavianen in verschillende gebieden leven.
Er is een onderzoek gedaan naar de grootte van het leefgebied van ongeveer even grote groepen bavianen (zie het diagram).

Leg met behulp van de tekst uit, waarvoor een groep bavianen in een open vlakte een veel groter leefgebied nodig heeft dan een groep die in een dicht oerwoud leeft.

afbeeldingafbeelding

Gedrag

2/2 Bavianen.
Zie figuur B 2956 van de bijlage.

In een bavianengroep bestaat een rangorde onder de vrouwtjes. Wanneer er weinig voedsel is, lopen de spanningen op en ontstaan er conflicten. Er treedt dan onder andere dreiggedrag op tussen de vrouwtjes van een groep. Het diagram geeft de resultaten weer van een onderzoek naar dit dreiggedrag.

Naar aanleiding van het diagram worden twee uitspraken gedaan:

1. Ondergeschikte vrouwtjes worden vaker bedreigd dan vrouwtjes met een hogere rang.
2. Het eerste vrouwtje in de rangorde van een bavianengroep wordt nooit bedreigd.

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Gedrag

1/2 Melk uit een koe.

Als een kalf honger krijgt gaat het zuigen aan de tepels van de uier van een koe. Zodra het kalf gaat zuigen worden zintuigen in de tepels geprikkeld. Deze zintuigen geven impulsen door naar het ruggenmerg. Onder invloed van deze impulsen wordt in de kop van de koe een hormoon gevormd.

Gaan de impulsen die ontstaan door het zuigen naar het ruggenmerg via bewegingszenuwcellen?
En via gevoelszenuwcellen?

Gedrag

2/2 Melk uit een koe.

Bij een bepaald gedrag is er altijd sprake van een prikkel en van een respons. Als een kalf honger heeft, gaat het zuigen.

Is honger voor het kalf hier een prikkel of een respons?
Is het zuigen voor het kalf hier een prikkel of een respons?

Gedrag

1/3 Panter en antilope.

In een natuurfilm is te zien hoe een panter een groep antilopen besluipt, die aan het grazen zijn. Wanneer de panter op enkele meters afstand van de antilopen is, neemt hij een aanloop om één van de antilopen te bespringen. De antilopen zien de panter op het allerlaatste moment en sprinten weg.

Wat is de motiverende factor voor het sluipgedrag van de panter? dit is [invulveld]

Gedrag

2/3 Panter en antilope.

Wat is de prikkel voor het sluipgedrag van de panter?

Gedrag

3/3 Panter en antilope.

Wat is de prikkel voor het vluchtgedrag van de antilopen?

Gedrag

1/2 Spreeuwengedrag.

Spreeuwenjongen die pas uit het ei gekomen zijn, hebben hun ogen nog dicht.
Wanneer een ouder op het nest landt, sperren ze onmiddellijk hun bek open.

Wat is de uitwendige prikkel voor dit gedrag van de spreeuwenjongen?

Gedrag

2/2 Spreeuwengedrag.
Zie figuur A 797 van de bijlage.

Spreeuwen voeren hun jongen voornamelijk met twee prooisoorten: rupsen en emelten (zie de afbeelding).
Er wordt een onderzoek gedaan naar de voorkeur voor één van de twee prooisoorten.
Spreeuwen krijgen twee verschillende voedertafels met prooien aangeboden: één met rupsen en één met emelten. Op elke tafel bevinden zich evenveel prooien.
Vervolgens wordt een tweede onderzoek gedaan. Er worden hierbij minder rupsen dan emelten op de voedertafels aangeboden.
In de afbeelding worden de resultaten van deze onderzoeken weergegeven.

Schrijf een conclusie op uit de resultaten van dit onderzoek.

afbeeldingafbeelding

Gedrag

1/2 Varkens.

In een boek staat het volgende:
Elk varken heeft in zijn snuit een zogenaamde wroetschijf. Met deze schijf, die veel zintuigen bevat, onderzoekt het dier in een natuurlijke omgeving de grond. Hij zoekt naar voedsel, maar in een hok met een roostervloer valt niet veel te onderzoeken. Een varken begint dan bij een soortgenoot te wroeten en te knabbelen. Het knabbelen gaat over in bijten in de staart. Proeft een varken eenmaal bloed, dan ontstaat jachtgedrag dat typisch is voor varkens, want varkens eten ook vlees. Een aangevreten varken wordt nagejaagd en nog verder aangevreten.

Tot welk soort gedrag behoort het wroeten?

Gedrag

2/2 Varkens.

Een boer kan verschillende maatregelen nemen, om tegen te gaan dat varkens elkaar aanvreten.

Welke maatregel houdt het meest rekening met het welzijn van een varken?

Gedrag

1/2 Futen.
Zie figuur B 3303 van de bijlage.

In de vorige eeuw beschreef een Engelse onderzoeker het gedrag van futen. Bij deze watervogels zag hij onder andere de zogenaamde pinguïndans. Hierbij zwemmen een mannetje en een vrouwtje, vóór het leggen van de eieren, op een bepaalde manier naar elkaar toe. Ze hebben waterplanten in hun snavel en komen borst-aan-borst omhoog uit het water.

Wat is de inwendige prikkel voor de pinguïndans?

afbeeldingafbeelding

Gedrag

2/2 Futen.
Zie figuur B 3304 van de bijlage.

De onderzoeker beschreef ook het borst-aan-borstgevecht. Daarbij slaan twee mannetjes met de vleugels naar elkaar en pikken ze met geopende snavels. Ze hebben geen waterplanten of ander nestmateriaal bij zich.

Tot welk type gedrag behoort het borst-aan-borstgevecht?

afbeeldingafbeelding

Gedrag

1/3 Parende kluten.
Zie figuur B 3648 van de bijlage.

De foto's in de afbeelding geven kluten weer voor en tijdens de paring.
Het vrouwtje nodigt het mannetje uit tot paring door plotseling stil te blijven staan in het water en de hals vlak over het water uit te strekken (foto 1).
Het mannetje gaat dan enige tijd zijn veren opstrijken en met de snavel door het water spatten. Daarna volgt de paring zoals op foto 2 is te zien.

Wordt het paringsgedrag van de mannetjeskluut door inwendige prikkels beïnvloed?
En door uitwendige prikkels?

afbeeldingafbeelding