Oefentoets Biologie: Ziekten | HAVO 4/HAVO 5 | variant 2

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

choiceInteraction

1/6 Infectieziekten.

Bepaalde ziekten worden veroorzaakt door bacteriën, andere door virussen.
afbeeldingafbeelding
afbeeldingafbeelding
Zie volgende scherm

Ziekten

Sulfapreparaten.

Sulfapreparaten zijn geneesmiddelen die kunnen worden gebruikt bij een bacteriële infectie. Een sulfapreparaat bevat een stof die sterk lijkt op een stof die wordt gebruikt voor de synthese van foliumzuur. Deze stof uit het sulfapreparaat hecht zich in bacteriën aan enzymen die betrokken zijn bij de synthese van foliumzuur.
Foliumzuur is onmisbaar voor de synthese van DNA.

Leg uit waardoor de vermeerdering van bacteriën kan worden geremd bij gebruik van een sulfapreparaat.

Ziekten

Kanker.

Welke drie kankersoorten geven nog steeds een somber beeld wat de genezingskansen betreft?

Ziekten

Kanker.

Welke kankersoorten nemen vanwege vergrijzing de komende jaren toe?

Ziekten

Kanker.

Leg uit welke op dit moment de ideeën zijn omtrent het ontstaan en verspreiden van kanker. Betrek in je antwoord zaken als oncogenen, supressorgenen, regelgenen, reparatiegenen, leefgewoonten, geboorte, metastasen etc.

Ziekten

Kanker.

Geef minstens vier adviezen uit de Europese Code tegen Kanker.

Ziekten

Kanker.

Leg uit wat de taak is van chirurgie, radiotherapie en chemotherapie bij het genezen van kanker.

Ziekten

Kanker.

Welke rol kan gentherapie gaan spelen bij de genezing van kanker?

Ziekten

1/4 Hepatitis-A.
Zie figuur B 3619 van de bijlage.

Tekst:
Hepatitis-A is een infectieziekte van de lever, veroorzaakt door het hepatitis-A-virus. Opvallende symptomen van hepatitis-A zijn onder andere: koorts, hoofdpijn, vermoeidheid en diarree, gevolgd door donkere urine en lichtgekleurde ontlasting. Hepatitis-A is erg besmettelijk. Het virus bevindt zich in de ontlasting. Overal waar de hygiëne en de sanitaire voorzieningen te wensen overlaten, bestaat een risico op hepatitis-A infectie. Water waarin riolen uitkomen en waarin gezwommen wordt, is niet alleen een directe infectiebron voor zwemmers, maar ook een indirecte wanneer schaal- en schelpdieren zoals garnalen, oesters en mosselen gegeten worden.
Deze dieren voeden zich onder andere met materiaal uit ontlasting. Mensen uit welvarende landen, zoals Nederland, hebben meestal geen weerstand tegen hepatitis-A. Daarom wordt iedere Nederlander die naar een risicogebied gaat en als kind geen hepatitis-A heeft gehad, geadviseerd zich te laten inenten. Voor een reiziger die een enkele keer voor korte tijd en onder goede hygiënische omstandigheden in een risicoland verblijft, kan passieve immunisatie afdoende zijn. Actieve immunisatie wordt geadviseerd aan degenen die geregeld of langdurig reizen naar risicolanden.

Leg uit waardoor als gevolg van diarree de urine donkerder van kleur kan worden.

afbeeldingafbeelding

Ziekten

2/4 Hepatitis-A.

Garnalen, oesters en mosselen voeden zich o.a. met materiaal uit ontlasting.
In de afbeelding hieronder zijn schema's weergegeven die omzettingen van stoffen door organismen weergeven.

afbeeldingafbeelding

Zijn garnalen te beschouwen als consumenten of als reducenten?
Welke schema's zijn daarvan de beste weergave?

Ziekten

3/4 Hepatitis-A.

Leg uit waardoor mensen uit welvarende landen meestal geen weerstand hebben tegen hepatitis-A.

Ziekten

4/4 Hepatitis-A.

Waarom is passieve immunisatie niet geschikt voor reizigers die vaak of lang verblijven in risicolanden? Leg je antwoord uit.

Ziekten

1/2 Bacteriën en virussen.

Mensen die besmet zijn met het aidsvirus (HIV) maar nog geen verschijnselen van aids vertonen, noemt men HIV-seropositief. Men kan met een test onderzoeken of iemand HIV-seropositief is. Er wordt dan wat bloedserum van de te testen persoon bij delen van het aidsvirus gebracht. Als de persoon HIV-seropositief is, vindt er een reactie plaats.

Tussen welke delen van het aidsvirus en welke delen van het bloedserum vindt dan een reactie plaats?

Ziekten

2/2 Bacteriën en virussen.

Mensen met aids zijn zeer gevoelig voor infecties met bacteriën. Zowel deze bacteriën als het aidsvirus vermeerderen zich in het lichaam van de patiënt. Hierbij wordt erfelijk materiaal verdubbeld.

Vindt de verdubbeling van erfelijk materiaal van de bacterie plaats in de bacterie zelf?
En vindt verdubbeling van erfelijk materiaal van het virus plaats in het virus zelf?

Ziekten

1/5 Verstijfd van schrik.

M. de Koning-Tijssen promoveerde in 1997 op hyperekplexia. Deze aandoening berust op een niet X-chromosomaal dominant gen (P). Iemand met deze aandoening verstijft bij schrik enige ogenblikken volkomen. De spieren van armen en/of benen blijven bij schrik te lang gespannen.

Een man met hyperekplexia en een vrouw zonder die aandoening krijgen een gezond kind.

Wat is het genotype van de moeder en wat is het genotype van de vader?

Ziekten

2/5 Verstijfd van schrik.

Bij hyperekplexia wordt een afwijkend eiwit gevormd dat deel uitmaakt van het celmembraan van zenuwcellen.

Waar wordt dit eiwit gesynthetiseerd?

Ziekten

4/5 Verstijfd van schrik.

De Koning-Tijssen ontdekte dat er onder patiënten die gerekend worden tot de groep met hyperekplexia, mensen zijn die het 'verkeerde' gen niet hebben. Bij nader onderzoek bleek dat er onder de patiënten twee typen aandoeningen voorkomen: echte hyperekplexia en superschrik'. Mensen met superschrik zijn mensen die wel extreem schrikken, maar niet stijf worden. Als patiënten om de twintig seconden een harde knal te horen krijgen, kunnen ze onderscheiden worden. Patiënten met echte hyperekplexia reageren na drie knallen al niet meer, patiënten met superschrik veren ook na twaalf knallen nog even hard overeind.

Geef de naam van het type leerproces dat bij echte hyperekplexia wel en bij superschrik niet optreedt.

Ziekten

5/5 Verstijfd van schrik.

Het aminozuur glycine blijkt een belangrijke rol te spelen bij hyperekplexia.

Welk van de volgende voedingsmiddelen bevat, per 100 gram, waarschijnlijk de grootste hoeveelheid glycine?

Ziekten

1/3 Geneesmiddel per pleister.
Zie figuur B 1592 van de bijlage.

In de afbeelding zijn delen weergegeven van de bijsluiter bij een pleister die wordt gebruikt voor de toediening van oestradiol (ook wel estradiol genoemd). Deze pleister kan door een arts worden voorgeschreven ter voorkoming of vermindering van klachten die kunnen optreden bij de menopauze. De menopauze is het ophouden van de maandelijkse ovulaties doordat er geen follikels meer in de eierstok aanwezig zijn. In de afbeelding in deze bijsluiter is de gelaagde opbouw van de pleister schematisch weergegeven.

De werkzame stof:
Estradiol is het natuurlijke vrouwelijke geslachtshormoon, dat door de eierstokken geproduceerd wordt tot het ogenblik waarop de menopauze intreedt. Bij veel vrouwen leidt het ophouden van de estradiolproductie na de menopauze tot de welbekende verschijnselen, die aan deze verandering van levensfase verbonden zijn, bijvoorbeeld plotselinge roodheid van gezicht en hals, gepaard gaande met warmtestuwing, of slaapstoornissen, of schede- en blaasklachten. Deze verschijnselen kunnen worden opgeheven door een behandeling waarbij het niet langer door het lichaam geproduceerde hormoon wordt toegediend. Door de pleister wordt het estradiol zeer gelijkmatig en nauwkeurig gecontroleerd afgegeven; het komt door de huid heen in het bloed. Als u het estradiol in de vorm van een pil zou moeten innemen, zou het grootste deel van de werkzame stof in de lever worden afgebroken vóór het bloed bereikt zou worden.

De zinsnede "vóór het bloed bereikt zou worden" (regel 10) in deze bijsluiter is biologisch onjuist.

Geef aan waarom deze zinsnede onjuist is.



-

afbeeldingafbeelding