Oefentoets Biologie: Gedrag - Algemeen | HAVO 3/HAVO 4/HAVO 5 - variant 2

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 3, HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Gedrag

Superei.
Zie figuur B 1407 van de bijlage.

Zilvermeeuwen rollen eieren die uit het nest zijn gerold, terug in het nest. Bij onderzoek is gebleken dat zij namaakeieren, die wel twintig maal zo groot zijn als de eigen eieren eerder in het nest rollen dan de eigen eieren. De namaakeieren hadden hetzelfde kleurpatroon als de eigen eieren.
Naar aanleiding van deze gegevens worden de volgende beweringen gedaan:

1. Het grote namaakei is een sleutelprikkel voor het inrolgedrag, het normale eigen ei niet.
2. Het grote namaakei is een motiverende factor voor het inrolgedrag, het eigen niet.
3. Bij het inrolgedrag is sprake van een leerproces door inprenting.

Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?

afbeeldingafbeelding

Gedrag

Wilde eenden.
Zie figuur B 2124 van de bijlage.

Wanneer een woerd (mannetjeseend) een vrouwtjeseend tegenkomt, kan hij een speciaal soort poetsgedrag gaan vertonen (zie de afbeelding). Dit gedrag heeft vooral een functie in het voorjaar.
Bij het poetsen strijkt hij zijn snavel krachtig langs de slagpennen, waarbij een ratelend geluid ontstaat. Dit is een voorbeeld van geritualiseerd gedrag. Dat is gedrag waarbij kenmerkende elementen worden overdreven of versneld, waardoor een opvallend patroon ontstaat.

Welke functie heeft het beschreven, geritualiseerde gedrag van de woerd?

afbeeldingafbeelding

Gedrag

Bijen-experiment.

Karl von Frisch onderzocht door middel van de volgende proefopstelling of bijen kleuren kunnen zien:
Een aantal glazen schaaltjes werd op grijze stukjes papier geplaatst. Slechts één van de schaaltjes werd gevuld met suikerwater. Dit schaaltje werd op een gekleurd stukje papier gezet met dezelfde helderheid als de grijze stukjes papier. Na verloop van tijd kwamen de bijen alleen nog maar op het schaaltje af dat op een gekleurd papiertje was geplaatst, zelfs als dit schaaltje niet meer gevuld werd met suikerwater.
Met behulp van deze proefopstelling werd bewezen dat bijen onder andere blauw en geel kunnen onderscheiden, maar dat ze geen rood kunnen zien. Toch kiezen ze in een bloementuin ook de rode papavers uit.
Het is mogelijk dat bijen de rode papavers uitkiezen op grond van de geur die deze bloemen verspreiden.
Iemand wil met behulp van een variant op de proef van Karl von Frisch onderzoeken of dit zo is. Hij heeft de beschikking over

- glazen schaaltjes,
- suikerwater,
- gekleurde en grijze stukjes papier,
- verschillende bloemengeuren, waaronder die van de papaver, in druppelflesjes,
- verschillende verse bloemen, waaronder de rode papaver.

Deze persoon hoeft voor zijn proef niet alle materialen te gebruiken.

Beschrijf de proefopstelling die hij het beste kan gebruiken om te onderzoeken of bijen papavers uitkiezen op grond van hun geur.

Gedrag

Goudvinken.

Bij goudvinken zingen alleen de mannetjes. De jongen worden door beide ouders verzorgd tot ze uitvliegen.
Een onderzoeker heeft twee mannetjes goudvinken gekregen. De ene (G) zingt op een manier zoals we dat van een goudvink gewend zijn, de andere (K) op een manier die doet denken aan de zang van een kanarie. Hij laat beide mannetjes paren met normale goudvinkvrouwtjes. De jongen worden op normale wijze door de ouders grootgebracht. De mannelijke nakomelingen van G blijken alle de normale goudvinkenzang te ontwikkelen, terwijl de mannelijke nakomelingen van K alle op een kanarie-achtige manier gaan zingen. De onderzoeker veronderstelt dat de aard van de zang bij jonge goudvinken door inprenting wordt geleerd en niet een gevolg is van erfelijke factoren.

Beschrijf een proefopzet waarmee je na nieuwe paringen van de goudvinken G en K met normale vrouwtjes kunt controleren of deze veronderstelling wel of niet juist is.
Geef aan bij welk resultaat je concludeert dat er sprake is van inprenting en bij welk resultaat niet.

Gedrag

2/2 Leeuwengedrag.

Samenhangende handelingen van een dier worden ondergebracht in gedragssystemen, bijvoorbeeld baltsgedrag, conflictgedrag, sociaal gedrag of territoriumgedrag.

Tot welk van de genoemde gedragssystemen behoort dit speelgedrag?

Gedrag

1/2 Vlaamse gaai.
Zie figuur B 1587 en figuur B 1588 van de bijlage.

Tussen twee Vlaamse gaaien in gevangenschap ontstaat een vaste dominantie-verhouding: de dominante gaai zal altijd het eerst gaan eten en door middel van dreighoudingen de ondergeschikte gaai van de voerbak weghouden (zie de afbeelding B 1587). Onderdeel van de dreighoudingen is het dreigend aankijken van de ander. Bij dit dreigend aankijken worden onderscheiden: dreigen met één oog (E) en dreigen met twee ogen (T). Dit kan gebeuren op kleine afstand (K) van de ander en op grotere afstand (G).

In de afbeelding B 1588 is weergegeven in gemiddeld hoeveel procent van de gevallen een ondergeschikte gaai weghipt als gevolg van de verschillende manieren van dreigen door een dominante gaai. Naar aanleiding van deze gegevens worden twee beweringen gedaan over het succes van het dreiggedrag:

1. Dreigen met twee ogen heeft bij een bepaalde afstand tussen de twee gaaien meer invloed dan dreigen met één oog.
2. Het aantal ogen waarmee wordt gedreigd heeft meer invloed dan de afstand tussen de twee gaaien.

Welke van deze beweringen is of zijn juist?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Gedrag

2/2 Vlaamse gaai.
Zie figuur A 320 van de bijlage.

Soms valt de dominante gaai aan, nadat hij een tijdje heeft gedreigd. De kans dat de dominante gaai aanvalt, hangt onder meer af van het gedrag van de ondergeschikte gaai. In de afbeelding A 320 is weergegeven in welk percentage van de gevallen de dominante gaai aanvalt als reactie op een bepaalde gedraging van de ondergeschikte gaai, na op een bepaalde manier te hebben gedreigd.
Uit het diagram van de afbeelding worden twee conclusies getrokken:

1. Het gaan eten door de ondergeschikte gaai veroorzaakt altijd een sterkere aanvalsneiging bij de dominante gaai dan het wegdraaien van de kop door de ondergeschikte gaai.
2. Een dominante gaai die op een bepaalde afstand met twee ogen dreigt, heeft een grotere motivatie om aan te vallen dan een gaai die met slechts één oog op die afstand dreigt.

Welke conclusie is of welke conclusies zijn in overeenstemming met de gegevens?

afbeeldingafbeelding



-

afbeeldingafbeelding

Gedrag

1/2 Vliegen maakt krekel agressief.

Chinese vechtkrekels die een duel hebben verloren, kunnen weer agressief worden gemaakt door ze een paar keer in de lucht te gooien of eventjes te laten vliegen. Deze oude Chinese wijsheid is onderzocht door twee biologen.
Een krekelgevecht begint ermee dat twee mannetjes een partijtje schermen met hun voelsprieten. Vervolgens worden de kaken ontbloot, tegen elkaar aan gezet en dan begint er een worstelwedstrijd. Die eindigt zodra een van beide partijen zich terugtrekt.
Een verslagen krekel is normaal gesproken een etmaal lang niet te porren voor een nieuw gevecht. In China wordt veel geld ingezet op krekelgevechten. Om de dieren snel weer klaar te stomen voor een nieuwe confrontatie, worden verliezers geschud en een paar maal in de lucht gegooid. Dan hebben de dieren in ruim de helft van de gevallen (56 procent) hernieuwde vechtbereidheid. Het is nog effectiever, de dieren even te laten vliegen. Tachtig procent wil dan wel weer de arena in voor een nieuw robbertje.
Iemand stelt een protocol (een lijst met gedragselementen) op om een analyse te kunnen maken van het vechtgedrag van deze Chinese vechtkrekel.

Noem drie gedragselementen die in zo'n protocol kunnen voorkomen op grond van de gegevens in de inleiding.

Gedrag

2/2 Vliegen maakt krekel agressief.

Chinese vechtkrekels vechten altijd op dezelfde manier. Een onderzoeker formuleert de hypothese dat dit vechtgedrag erfelijk bepaald is en niet aangeleerd wordt.

Beschrijf een werkplan voor een experiment waarmee je dat kunt onderzoeken en geef aan bij welk resultaat deze hypothese wordt bevestigd.

Gedrag

1/5 Magnetisme en gedrag.

Hoewel proeven veel duidelijkheid hebben verschaft over de bestemming van de trek van verschillende vogelsoorten, tasten wetenschappers nog in het duister over intrigerende vragen als: 'welke factoren bepalen precies het startschot voor de trek?' en 'hoeveel eten ze van tevoren?'
Een Zweedse onderzoeksgroep voerde een spectaculaire proef uit met Noordse nachtegalen. Zij wisten dat de uit Zweden vertrokken nachtegalen pauzeren in Noord-Egypte. Sterker nog: de vogels eten zich daar helemaal 'klem'. Dit 'opvetten' is broodnodig omdat ze nadien 1500 km over de Sahara vliegen om hun definitieve overwinteringplaats in Midden-Afrika te bereiken.
De Zweden vingen nachtegalen die op het punt stonden hun eerste trek naar het zuiden te ondernemen. De eerstejaars vogels werden in een kooi binnen vier magnetische spoelen geplaatst, waarmee zowel sterkte als richting van het magneetveld kon worden ingesteld. De controlegroep stond bloot aan het magneetveld van Zweden, terwijl de onderzoeksgroep geleidelijk werd blootgesteld aan de sterkte en de richting van het magneetveld zoals dat in Egypte heerst.
Het resultaat was opzienbarend. De vogels in het nagebootste Egyptische veld begonnen als bezeten te eten.
De onderzoekers noteerden binnen vier dagen een gemiddelde gewichtstoename van 3,5 gram per vogel. De controlegroep nam gemiddeld 1,1 gram per vogel in gewicht toe.

bewerkt naar: Ren Didde, 'Magnetisch veld geeft vogels trek ', de Volkskrant, 3 november 2001

Gedrag

2/5 Magnetisme en gedrag.

Uit welk gegeven in de tekst blijkt dat de gevoeligheid voor een magneetveld bij de vogels een erfelijke eigenschap is?

Gedrag

3/5 Magnetisme en gedrag.

Over het algemeen eten trekvogels niet al te grote hoeveelheden en vullen ze bij voorkeur na korte vliegafstanden de voorraad aan. Het aanleggen van grote vetreserves heeft voordelen maar de vogels worden er wel dik van.

Noem twee nadelen voor een trekvogel van het dik worden.

Gedrag

4/5 Magnetisme en gedrag.

Het artikel vermeldt dat de controlegroep werd blootgesteld aan het magneetveld van Zweden. Niet vermeld wordt of deze dieren daarbij tevens tussen magneetspoelen geplaatst werden.

Leg uit dat het voor een juiste proefuitvoering nodig is, de controlegroep tussen (niet werkende) magneetspoelen te plaatsen.

Gedrag

5/5 Magnetisme en gedrag.

De Nederlandse bioloog Wim Nuboer merkt op: "Het zou aardig zijn de proef te herhalen met magneetvelden die bij totaal andere plekken op aarde horen."

Geef een mogelijke hypothese die Nuboer in zijn hoofd had toen hij deze opmerking maakte.

Gedrag

1/4 Steltlopers hebben niet altijd dezelfde geur.
Zie figuur B 4377 en figuur B 4378 van de bijlage.

Alle vogels poetsen hun veren. Zij gebruiken hiervoor een wasachtige stof, die door de stuitklier afgescheiden wordt. Dit poetsgedrag leidt ertoe, dat het verenkleed waterafstotend wordt. Onderzoek aan steltlopers, zoals de Kanoetstrandloper, heeft echter aangetoond, dat de wasachtige stof verschillende functies kan hebben. Jeroen Reneerkens van het NIOZ toonde in 2002 aan, dat de samenstelling van de ‘stuitwas' niet het hele jaar dezelfde is.
Kanoetstrandlopers (zie de afbeelding B 4377) zijn steltlopers die in het Waddengebied overwinteren. In mei vliegen ze naar Groenland om daar een geschikte partner te vinden, te broeden en hun jongen groot te brengen.
Gedurende een groot deel van het jaar is de stuitwas olieachtig, vloeibaar, maar gedurende een korte periode kaarsvetachtig en dus stugger van structuur. Het kost meer energie om het kaarsvetachtige stuitvet te maken dan het olieachtige stuitvet en het kost ook meer energie om het kaarsvetachtige vet over het verenkleed te verdelen. Er is geen verschil in het vermogen om water af te stoten tussen de twee soorten stuitvet. Dan ligt de conclusie voor de hand, dat de vogels de kaarsvetachtige stuitwas alleen maar maken als ze die hard nodig hebben.

In het diagram in figuur B 4378 is weergegeven in welke perioden van het jaar deze twee vormen van stuitwas gemaakt worden.

Wat kan een verklaring zijn voor het feit dat de Kanoetstrandloper twee soorten stuitvet maakt? Baseer je antwoord op de afbeelding B 4378.




-

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Gedrag

2/4 Steltlopers hebben niet altijd dezelfde geur.
Zie figuur B 4379 van de bijlage.

Behalve bij de Kanoetstrandloper heeft men van een aantal andere steltlopers de samenstelling van het stuitvet gedurende het jaar onderzocht. De resultaten zijn weergegeven in het diagram van de afbeelding.
De periode dat de steltlopers het kaarsvetachtige stuitvet maken, wordt door de onderbroken lijn weergegeven.

Welke relatie is er gezien de afbeelding en de vermelde informatie tussen het begintijdstip waarop de verschillende vogels het kaarsvetachtige stuitvet produceren en het zomer(broed)gebied van de verschillende vogels?

afbeeldingafbeelding

Gedrag

3/4 Steltlopers hebben niet altijd dezelfde geur.

In 2005 deden de onderzoekers nog een onderzoek aan het stuitvet en ontdekten ze dat Kanoetstrandlopers stoffen met een verschillende geur produceren. In het experiment maakte men gebruik van een herdershond, die wattenstaafjes kreeg aangeboden. Sommige wattenstaafjes waren ingesmeerd met stuitwas, andere niet.
Iedere keer als de hond de ingesmeerde wattenstaafjes aanwees, kreeg hij een beloning.

Van welke vorm van leergedrag van de herdershond wordt hier gebruik gemaakt?

Gedrag

4/4 Steltlopers hebben niet altijd dezelfde geur.

Vervolgens kreeg de hond de twee vormen van stuitvet aangeboden. Na de training kon de hond een dosis van 1 mg strandloperwas probleemloos aanwijzen. Vervolgens experimenteerde men vier dagen met veel lagere doses, variërend van 0,24 tot 15,6 µgram (1 µg = 1/1000 mg). De hond kon bij deze lagere doses het olieachtige stuitvet altijd aanwijzen, het kaarsvetachtige stuitvet vrijwel nooit. Hoewel de laboratoriumomstandigheden niet identiek zijn aan de natuurlijke omstandigheden van de Kanoetstrandloper, kon men over de biologische betekenis van het produceren van kaarsvetachtig stuitvet van de Kanoetstrandloper in de broedtijd wel een hypothese opstellen.

Welke hypothese is dat?

Gedrag

1/3 Helgoland.
Zie figuur B 3627 van de bijlage.

Ver van het vasteland, noordwestelijk van Duitsland, ligt het eiland Helgoland. Het is maar ongeveer 1 km2 groot (zie afbeelding B 3627). Het eiland bestaat voornamelijk uit een rots, die tot 40 meter hoogte uit zee oprijst. (zie afbeelding B 3628, foto 1).
Op de steile rotswanden broeden veel vogels, zoals drieteenmeeuwen, Jan-van-Genten en zeekoeten (zie afbeelding B 3628, foto 2).

Leg uit dat steile rotswanden voor een aantal vogelsoorten aantrekkelijk zijn als broedgebied.

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Gedrag

2/3 Helgoland.

Vooral in het beschermde natuurgebied Lummenfelsen (‘Zeekoetenrots') komen zeer dichte concentraties broedvogels voor, waaronder veel zeekoeten. Begin juli storten de jonge zeekoetjes zich van 40 meter hoogte in zee: de 'Lummensprung' (Lumme =zeekoet). Voor de 'Lummensprung' laten de volwassen zeekoeten vanuit zee een roep horen, waarop de jongen reageren met de sprong.

Geef de term die in de ethologie wordt gebruikt voor de roep van de volwassen zeekoeten, die leidt tot de 'Lummensprung' van de jongen.

In de ethologie heet dit een [invulveld]