1/3 Is intelligentie erfelijk?
Tekst:
In de twintigste eeuw zijn regelmatig uitspraken gedaan over de mogelijke erfelijkheid van eigenschappen als criminaliteit, verbeeldingskracht, muzikaliteit en intelligentie. Met behulp van tweelingonderzoek probeerde men bewijzen voor deze uitspraken te vinden. Het onderzoek dat in de jaren dertig de meeste indruk maakte was dat van Newman en medewerkers van de universiteit van Chicago bij eeneiige tweelingen die ter adoptie waren gegeven en in verschillende pleeggezinnen terecht waren gekomen. Dergelijke kinderen zijn een geliefkoosd object voor onderzoekers die zich met de verhouding 'nature-nurture' bezighouden. Dit soort onderzoek was al in de negentiende eeuw door Galton gepropageerd.
In de praktijk zitten er nogal wat haken en ogen aan. Zowel tweelingen als pleegouders horen per definitie tot geselecteerde groepen en zijn zeker niet representatief voor de doorsneebevolking.
Bovendien komen vanzelfsprekend alleen tweelingen in aanmerking waarvan het bestaan bekend is.
Het is duidelijk dat tot op het moment van het onderzoek volstrekt gescheiden opgevoede, geadopteerde eeneiige tweelingen zeer zeldzaam waren. Toch wisten Newman en zijn medewerkers er een kleine twintig te lokaliseren, onder andere door advertenties in kranten waarbij ze de tweelingen een gratis reis naar Chicago aanboden, waar in 1933 de Wereldtentoonstelling aan de gang was. Newman had een controlegroep van niet-gescheiden eeneiige tweelingen.
Ondanks het feit dat geen van de tweelingen volledig aan de voorwaarden voldeed en er veel factoren waren die de correlatie versterkten, werd er een correlatie van 0,67 gevonden tussen de intelligentiequotiënten van de gescheiden opgegroeide eeneiige tweelingen. Bij een volledige overeenkomst wordt een correlatie van 1,00 gevonden.
Bewerkt uit: H. Schellekens en R.P.W. Visser, De genetische manipulatie (Amsterdam 1987)
Zie volgende scherm