Oefentoets Biologie: Plantenanatomie - Plantenanatomie | HAVO 4/HAVO 5

Deze oefentoets bevat 29 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

29

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Plantenanatomie

Groenten.
Zie figuur C 88 van de bijlage.

In de winkels in Nederland worden steeds meer soorten groente aangetroffen. In de afbeelding is een aantal groenten getekend. Bij elke groente is het deel aangegeven dat wordt gegeten.
Op grond van de functie die de aangegeven delen voor de plant hebben, is een voorspelling te doen over het eiwitgehalte van deze groenten per 100 gram eetbaar gedeelte.

Welke van de afgebeelde groenten zal waarschijnlijk per 100 gram eetbaar gedeelte de grootste hoeveelheid eiwitten bevatten? Geef een verklaring voor je antwoord, uitgaande van de functie van de aangegeven delen voor de plant.

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Zonnedauw.
Zie figuur B 1617 van de bijlage.

Zonnedauw is een plant met bladgroen die in staat is om kleine insecten te vangen en te verteren.

Welke stoffen uit de gevangen insecten zijn vooral belangrijk voor deze plant?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Watercultuur.

Een maïsplant wordt vanuit een watercultuur met een complete voedingsoplossing geplaatst in een watercultuur, waarin het element koolstof ontbreekt.

Heeft het ontbreken van koolstof in de voedingsoplossing gevolgen voor de productie van vetten en/of eiwitten bij deze plant?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Eiwitgehalte van plant.

De hoeveelheid van een bepaald element kan als maat dienen voor het eiwitgehalte van een plant.

Welk element is hiervoor het meest geschikt?

Plantenfysiologie

Toedienen van radioactief CO2 aan plant.

Een groene plant wordt geplaatst in een verlichte ruimte waarin zich CO2 met radioactieve C-atomen bevindt. Enige dagen later blijkt de plant te zijn gegroeid.

In welke van de volgende stoffen in deze plant kunnen dan radioactieve C-atomen worden aangetroffen?

1. glucose,
2. cellulose,
3. vetten,
4. eiwitten.

Plantenfysiologie

Synthese van eiwitten door plant.

Planten vormen eiwitten.

Welke stoffen worden door een madeliefje uit het milieu opgenomen en gebruikt voor de vorming van eiwitten?

Plantenfysiologie

Vorming van aminozuren autotrofe plant.

Welke stof die noodzakelijk is of welke stoffen die noodzakelijk zijn voor de vorming van aminozuren neemt een autotrofe plant uit het milieu op?

Plantenfysiologie

Experiment met maïsplanten.
Zie figuur B 1116 van de bijlage.

Een onderzoeker wil de invloed van een bepaalde stof S op de groei van maïsplanten bestuderen. Hij maakt vijf voedingsoplossingen met de volgende samenstellingen:

1. alleen gedestilleerd water,
2. gedestilleerd water met alle benodigde voedingszouten,
3. gedestilleerd water met alle benodigde voedingszouten en y mg van de stof S,
4. gedestilleerd water met alle benodigde voedingszouten en 2y mg van de stof S,
5. gedestilleerd water met alle benodigde voedingszouten en 3y mg van de stof S.

In elke oplossing laat hij evenveel maïsplanten groeien. De maïsplanten zijn even oud. De resultaten zijn te zien in de afbeelding.

Welke resultaten moet hij met elkaar vergelijken om een betrouwbare conclusie te kunnen trekken over de invloed van stof S op de groei van maïsplanten?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Groeiplaats van brandnetels.

Brandnetels groeien dikwijls goed op plaatsen waar katten en honden plassen. De bodem wordt namelijk door de urine verrijkt met bepaalde verbindingen. In deze verbindingen komt een element voor dat de groei van brandnetels sterk bevordert.

Welk van de volgende elementen is dat?

Plantenfysiologie

Zouten in een plant.

Zaadplanten die op het land groeien, nemen met hun wortels zouten uit de bodem op.
Over de rol die deze zouten in de plant spelen, worden drie uitspraken gedaan:

1. door de aanwezigheid van voldoende zouten in de wortelcellen kunnen deze cellen door middel van osmose water opnemen;
2. sommige zouten worden gebruikt als grondstof voor het vormen van koolhydraten;
3. sommige zouten worden gebruikt als grondstof voor het vormen van aminozuren.

Welke uitspraak is of welke uitspraken zijn juist?

Plantenfysiologie

Zoutopname bij planten.

Bij een landplant met bladgroen nemen de totale hoeveelheden eiwitten, koolhydraten en vetten tijdens de groei toe.

Welke van de volgende deeltjes neemt de plant hiervoor uit zijn milieu op: koolstofdioxidemoleculen, watermoleculen, nitraationen?

Plantenfysiologie

Droge stof in aardappel.

Een aardappel bestaat uit water en droge stof.

Het grootste deel van deze droge stof is afkomstig van

Plantenfysiologie

Stikstof in plant.

Alle planten hebben een hoeveelheid stikstof nodig.

Deze stikstof wordt door de meeste planten verkregen

Plantenfysiologie

Voedingsexperiment met planten.

In een voedingsexperiment met groene planten wordt een oplossing gebruikt die alle noodzakelijke ionen bevat, behalve nitraationen.

De planten groeien slecht omdat

Plantenfysiologie

Experiment met planten.

Een aantal experimenten met planten levert de volgende resultaten op:

1. deze planten nemen uit een bodem zonder zuurstof nauwelijks zouten op, maar uit een bodem met zuurstof wel;
2. deze planten nemen bij een temperatuur van 30°C meer zouten op dan bij een temperatuur van 40°C en ook meer dan bij een temperatuur van 20°C.

Steunt resultaat 1 de veronderstelling dat zouten actief door planten worden opgenomen?
En resultaat 2?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Benodigde elementen voor plant.

Granen groeien slecht op pas ontgonnen heidegrond. Ze vormen weinig of geen korrels. De oorzaak hiervan berust op een gebrek aan een bepaald element in de grond. Dit element hoeft slechts in zeer geringe hoeveelheden voor te komen.

Welk van de onderstaande elementen kan dit zijn?

Plantenfysiologie

Bemesting.

Planten in een weide blijken na bemesting met anorganische stoffen meer organische stoffen te produceren dan vóór die bemesting.

Welke van onderstaande factoren zal vóór het moment dat bemesting werd toegediend zeker beperkend zijn geweest?

Plantenfysiologie

Voeding van planten.

In het begin van de 17e eeuw onderzocht de Vlaming Van Helmont de voeding van planten met bladgroen. Hij bracht in een vat 100 kg droge aarde en plantte hierin een jonge wilg die 2,5 kg woog. De aarde werd vervolgens geregeld met regenwater begoten.
Na vijf jaar woog de wilg, die zorgvuldig uit de aarde verwijderd was, 85 kg. De aarde werd gedroogd en gewogen. Van Helmont vond een gewicht van 99,8 kg.
Hij trok de volgende conclusies:

1. De plant kan al zijn bestanddelen uit water opbouwen.
2. Er is geen sprake van gewichtsverlies, omdat het geconstateerde gewichtsverschil van de aarde berust op een meetfout.

Is conclusie 1 op grond van sindsdien uitgevoerde experimenten juist of onjuist gebleken?
En conclusie 2?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Opname door wortel.

Door de wortels van een landplant met bladgroen worden water en zouten uit de bodem opgenomen.

Welke van de volgende stoffen wordt of welke worden gewoonlijk eveneens door de wortels uit de bodem opgenomen?

Plantenfysiologie

Watercultures.
Zie figuur A 311 van de bijlage.

Met behulp van watercultures wordt onderzocht welke betekenis de elementen ijzer, magnesium, stikstof en kalium voor de ontwikkeling van maïsplanten hebben.
Een onderzoeker vulde zes glazen potten volgens het volgende schema:

pot 1: volledige voedingsoplossing.
pot 2: voedingsoplossing waarin alleen het element ijzer ontbreekt.
pot 3: voedingsoplossing waarin alleen het element magnesium ontbreekt.
pot 4: voedingsoplossing waarin alleen het element stikstof ontbreekt.
pot 5: voedingsoplossing waarin alleen het element kalium ontbreekt.
pot 6: water.

In deze potten laat hij zes even grote maïsplantjes groeien.
Zie figuur A 311 van de bijlage.
Na enige tijd heeft hij het resultaat verkregen zoals in de afbeelding te zien is. Hij herhaalt de proef een aantal malen met steeds hetzelfde resultaat. Hij trekt hieruit de volgende drie conclusies:

1. Het effect van het magnesiumtekort is ongeveer even groot als dat van het stikstoftekort: een maïsplant heeft dus van beide elementen ongeveer evenveel nodig.
2. Een maïsplant heeft van het element kalium meer nodig dan van de andere drie onderzochte elementen.
3. Een maïsplant heeft alle onderzochte elementen nodig.

Welke van deze conclusies is of welke zijn op grond van bovengenoemde resultaten juist?




-

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

1/2 Aminozuren.

Planten maken, in tegenstelling tot dieren, zelf aminozuren uit anorganische stoffen. Voor de vorming van elk aminozuur neemt een plant minstens drie stoffen uit het milieu op. Voor sommige aminozuren worden ook nog andere (groepen van) stoffen opgenomen.

Neem het onderstaande schema over in je antwoordvak, vul de drie anorganische stoffen in die een plant tenminste als bouwstof nodig heeft voor de vorming van elk aminozuur.
Vul bij elke stof in of een plant, zoals bijvoorbeeld een eik, deze opneemt uit de bodem of uit de lucht.

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

2/2 Aminozuren.

Noem het organel in de cel waar de vorming van eiwitten uit aminozuren plaatsvindt.

Plantenanatomie en -fysiologie

1/3 Maïs.
Zie figuur B 1369 van de bijlage.

In een experiment wordt bij maïsplanten de behoefte aan zouten onderzocht.
De afbeelding geeft de proefopstelling weer.
Drie potten worden gevuld met verschillende vloeistoffen. In elke pot wordt een kiemplantje van maïs gezet. De kiemplantjes zijn bij het begin van het experiment even oud en even groot.
De potten worden in een kist geplaatst, zodat geen licht op de potten kan vallen, maar wel op de planten.
De vloeistoffen in de potten zijn:

in pot 1 - een complete voedingsoplossing,
in pot 2 - dezelfde voedingsoplossing als in pot 1, maar dan zonder stikstofzouten,
in pot 3 - gedestilleerd water.

Na enige tijd zijn de planten gegroeid zoals in de afbeelding is weergegeven.

Met welke bedoeling worden de potten in de donkere kist gezet?





-

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

2/3 Maïs.
Zie figuur B 1369 van de bijlage.

In een experiment wordt bij maïsplanten de behoefte aan zouten onderzocht.
De afbeelding geeft de proefopstelling weer.
Drie potten worden gevuld met verschillende vloeistoffen. In elke pot wordt een kiemplantje van maïs gezet. De kiemplantjes zijn bij het begin van het experiment even oud en even groot.
De potten worden in een kist geplaatst, zodat geen licht op de potten kan vallen, maar wel op de planten.

De vloeistoffen in de potten zijn:

in pot 1 - een complete voedingsoplossing,
in pot 2 - dezelfde voedingsoplossing als in pot 1, maar dan zonder stikstofzouten,
in pot 3 - gedestilleerd water.

Na enige tijd zijn de planten gegroeid zoals in de afbeelding is weergegeven.

Uit dit experiment worden drie conclusies getrokken:

1. Maïsplanten kunnen alle voor de groei benodigde stoffen opnemen uit een voedingsoplossing.
2. Stikstofzouten kunnen een beperkende factor zijn voor de groei van maïsplanten.
3. Zonder voedingszouten kunnen maïsplanten niet groeien.

Welke van deze conclusies is juist?




-

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

3/3 Maïs.
Zie figuur B 1369 van de bijlage.

In een experiment wordt bij maïsplanten de behoefte aan zouten onderzocht.
De afbeelding geeft de proefopstelling weer.
Drie potten worden gevuld met verschillende vloeistoffen. In elke pot wordt een kiemplantje van maïs gezet. De kiemplantjes zijn bij het begin van het experiment even oud en even groot.
De potten worden in een kist geplaatst, zodat geen licht op de potten kan vallen, maar wel op de planten.

De vloeistoffen in de potten zijn:

in pot 1 - een complete voedingsoplossing,
in pot 2 - dezelfde voedingsoplossing als in pot 1, maar dan zonder stikstofzouten,
in pot 3 - gedestilleerd water.

Na enige tijd zijn de planten gegroeid zoals in de afbeelding is weergegeven.

In pot 1 ontwikkelt zich een schimmel op de wortels van de maïsplanten.

Neemt deze schimmel zouten op uit de voedingsoplossing?
En organische stoffen afkomstig van de maïswortels?




-

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

1/2 Voedingsoplossingen.
Zie figuur B 1116 van de bijlage.

Een onderzoeker wil de invloed van een bepaalde stof S op de groei van maïsplanten bestuderen. Hij maakt vijf voedingsoplossingen met de volgende samenstellingen:

1. alleen gedestilleerd water.
2. gedestilleerd water met alle benodigde voedingszouten.
3. gedestilleerd water met alle benodigde voedingszouten en y mg van de stof S.
4. gedestilleerd water met alle benodigde voedingszouten en 2y mg van de stof S.
5. gedestilleerd water met alle benodigde voedingszouten en 3y mg van de stof S.

In elke oplossing laat hij evenveel maïsplanten groeien. De maïsplanten zijn even oud. De resultaten zijn te zien in de afbeelding.

Welke resultaten moet hij met elkaar vergelijken om een betrouwbare conclusie te kunnen trekken over de invloed van stof S op de groei van maïsplanten?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

2/2 Voedingsoplossingen.
Zie figuur B 1116 van de bijlage.

Een onderzoeker wil de invloed van een bepaalde stof S op de groei van maïsplanten bestuderen. Hij maakt vijf voedingsoplossingen met de volgende samenstellingen:

1. alleen gedestilleerd water.
2. gedestilleerd water met alle benodigde voedingszouten.
3. gedestilleerd water met alle benodigde voedingszouten en y mg van de stof S.
4. gedestilleerd water met alle benodigde voedingszouten en 2y mg van de stof S.
5. gedestilleerd water met alle benodigde voedingszouten en 3y mg van de stof S.

Hij overweegt de volgende conclusies op grond van zijn resultaten:

1. Deze stof S heeft geen invloed op de bladontwikkeling.
2. Deze stof S heeft alleen invloed op de lengtegroei van de wortels.
3. Hoe hoger de concentratie van deze stof S, des te slechter zijn de groei en de ontwikkeling van de wortels.

Welke van deze conclusies is juist?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

1/2 Een bekerplant.
Zie figuur B 461 van de bijlage.

Een bepaalde bekerplant vangt insecten in bekervormige bladeren.
De wandcellen van de beker produceren een vloeistof met enzymen. De gevangen insecten worden verteerd door deze enzymen en door rottingsbacteriën, die in de vloeistof van de beker leven. De produkten van deze vertering worden door de plant en door de rottingsbacteriën opgenomen. De bekerplant en de rottingsbacteriën hebben beide voordeel van dit samenlevingsverband. Door deze voedingswijze kunnen bekerplanten leven op een bodem die weinig van een bepaalde stof bevat. Deze stof wordt door de meeste planten met de wortels uit de bodem opgenomen.

Zullen door de bekerplant uit de bekers vooral moleculen aminozuur, moleculen chitine of moleculen eiwit worden opgenomen?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

2/2 Een bekerplant.

Welke stof wordt bedoeld in de laatste twee zinnen van de inleiding?