Oefentoets Biologie: Osmose_diffusie | VWO 4/VWO 5/VWO 6 | variant 7

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Osmose

Concentratie van KNO3 -oplossing.

Een bepaalde oplossing KNO3 heeft dezelfde osmotische waarde als een glucose-oplossing van 180 gr/l.

Welke concentratie heeft de KNO3 -oplossing?

Osmose

Molair van mengoplossing.

We maken 1 liter mengoplossing van glucose (C6 H12 O6 ) en sacharose (C12 H22 O11 ). We gebruiken 90 g glucose en 171 g sacharose.

Hoeveel molair heeft de mengoplossing?

Osmose

De osmotische waarde van bloedplasma.

Zoek in BINAS de osmotische waarde van bloedplasma op.
Men wil nu een zoutoplossing maken om bloedplasma te vervangen die een zo laag mogelijke concentratie heeft.

Welke stof kan men het beste gebruiken voor deze oplossing en in welke concentratie?

Osmose

Osmose.
Zie figuur D 2 van de bijlage.

Een leerlinge doet een onderzoek naar osmoseverschijnselen bij plantencellen. Zij gebruikt hiervoor een aantal verse rode bieten. Zij schilt de bieten, holt ze uit en spoelt ze goed af. Met deze uitgeholde bieten doet zij haar onderzoek. Daarbij kan zij gebruikmaken van een weegschaal, een gasbrander, bekerglazen, bakjes, water en suiker. Haar onderzoek duurt vier uur. Uit de resultaten van haar onderzoek concludeert zij dat alleen bij intacte celmembranen osmoseverschijnselen waar te nemen zijn.

Geef je antwoord op de bijlage. Geef de hypothese voor het onderzoek. Beschrijf de werkwijze, zoals deze leerlinge die kan hebben gevolgd.
Vul de tekeningen van de bieten in de bijlage aan, zodat de beginsituatie van het onderzoek en de situatie na vier uur zijn weergegeven.


-

afbeeldingafbeelding

Osmose

1/2 Osmose.

In een proef wordt een vers stukje plantaardig weefsel gewogen en in een suikeroplossing gelegd. Na een uur wordt het weefsel uit de oplossing gehaald, afgedroogd en opnieuw gewogen. Het gewicht is afgenomen.

Is de osmotische waarde van het vacuolevocht van de cellen van dit weefsel na de proef lager dan, gelijk aan of hoger dan die vóór de proef?

Osmose

2/2 Osmose.

In de wanden van de cellen van dit weefsel bevindt zich water met opgeloste stoffen.

Zijn bij de opgeloste stoffen suikermoleculen aanwezig die afkomstig zijn uit de omringende oplossing? Zo ja, door welke vorm van transport zijn die suikermoleculen in de celwanden terechtgekomen?

Stofwisseling

Pinguïns.
Zie figuur B 2498 van de bijlage.

In de tekening zijn twee pinguïns van verschillende soorten weergegeven. De gemiddelde lengten van dieren van deze soorten zijn onder de tekeningen vermeld. Eén van de soorten leeft in Antarctica, de andere in de buurt van de evenaar. In een dierentuin bevinden dieren van beide soorten zich in rust bij een temperatuur van 10°C.

Bij welke dieren zal de warmteproductie per gram lichaamsgewicht in deze omstandigheden het grootst zijn?
Welke soort is gezien de verhouding afbeeldingafbeelding het beste aangepast aan een koud klimaat?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Stofwisseling

Lichaamsgrootte en in grootte van de oorschelpen.

Er is een theorie die zegt, dat relatieve verschillen in lichaamsgrootten en in grootte van de oorschelpen bij verschillende rassen van een soort samenhangen met verschillen in temperatuur in hun leefgebieden. De samenhang wordt verklaard uit de invloed van deze lichaamskenmerken op het warmteverlies.
Als men een tijgerras uit Siberië vergelijkt met een tijgerras uit tropische bossen, blijkt deze theorie hier te gelden.

Hoe zijn de afmetingen van lichaam en oorschelpen bij het Siberische ras ten opzichte van het tropische ras?

afbeeldingafbeelding

Stofwisseling

Warmteverlies bij muizen.

In twee gelijke, goed geïsoleerde, bakken met een begintemperatuur van 10°C bevinden zich muizen. In de ene bak bevinden zich tien jonge muizen en in de andere bak vijf volwassen muizen van dezelfde soort.
De tien jonge muizen zijn samen even zwaar als de vijf volwassen muizen samen.
Alle muizen gedragen zich gemiddeld even actief.

In welke van de bakken zal de temperatuur het snelst oplopen en in welke zal het meeste voedsel worden verbruikt?

afbeeldingafbeelding

Stofwisseling

Temperatuur en ademhaling.
Zie figuur B 174 van de bijlage.

Van een klein de zoogdier werd de ademhalingsfrequentie bepaald bij verschillende omgevingstemperaturen. De resultaten zijn weergegeven in het diagram.

Welk voordeel heeft het dier van de toename van de ademhalingsfrequentie als de omgevingstemperatuur boven 35°C stijgt?

afbeeldingafbeelding

Stofwisseling

O2 bij pantoffeldiertjes.

Twee gelijkvormige pantoffeldiertjes verbruiken elk evenveel ml O2 per ml lichaamsvolume.
Dier 1 heeft een oppervlak dat twee maal zo groot is als dat van dier 2.

Hoeveel bedraagt per tijdseenheid de totale hoeveelheid O2 die dier 1 opneemt in vergelijking met de hoeveelheid O2 die dier 2 opneemt?

Osmose; Uitscheiding

1/5 Waterverlies en watervergiftiging.
Zie figuur B 4705 van de bijlage.

"Water is gif voor marathonlopers", met deze kop vroeg een artikel in de krant aandacht voor een onderschat en vaak ook niet goed gediagnosticeerd probleem bij duurlopers. In de inleiding wordt de kop genuanceerd: "Wie de marathon loopt, moet onderweg voldoende drinken maar pas op: te veel is ook niet goed. Dan hoopt het vocht zich op in het lichaam, wat fatale gevolgen kan hebben."
Problemen met de waterbalans liggen op de loer bij zware inspanningen die langer dan een uur duren. Iemand die een paar uur hardloopt, verliest al gauw een paar liter vocht door transpiratie.
Tijdens het lopen van een marathon is transpiratie niet de enige vorm van vochtverlies. Ook door ademhaling verliest de loper water, doordat de uitgeademde lucht meer waterdamp bevat dan de ingeademde lucht.

Leg uit waardoor de uitgeademde lucht meer waterdamp bevat.

afbeeldingafbeelding

Osmose; Uitscheiding

2/5 Waterverlies en watervergiftiging.

Tijdens het lopen van een marathon kun je het waterverlies compenseren door regelmatig te drinken. Bij Europese marathons zorgt de organisatie voor drinkposten om de vijf kilometer. Door tijdens de loop bij iedere drinkpost een bekertje water te drinken, kun je het waterverlies goed compenseren zolang de omstandigheden niet extreem zijn.
Als je teveel water drinkt, kan dat echter leiden tot ‘watervergiftiging'. Bij watervergiftiging zijn hoofdpijn en misselijkheid symptomen die duiden op hersenoedeem.

Leg uit hoe watervergiftiging hersenoedeem kan veroorzaken.

Osmose; Uitscheiding

3/5 Waterverlies en watervergiftiging.
Zie figuur B 4706 & figuur C 418 van de bijlage.

In het menselijk lichaam worden twee vloeistofcompartimenten onderscheiden: de intracellulaire vloeistof (ICV) in de cellen, en de extracellulaire vloeistof (ECV) buiten de cellen. De ECV wordt onderverdeeld in weefselvloeistof en bloedplasma. Bij een volwassen man van 70 kg is het volume van de ICV gemiddeld 28 liter en van de ECV 14 liter (zie de afbeelding B 4706).

Zie figuur C 418 van de bijlage.

In de afbeelding c 418 is een model weergegeven waarin voor een aantal situaties de verhouding tussen de ECV en de ICV is weergegeven.
Situatie 1 is de normale situatie: de ECV en ICV hebben hun normale volume en in beide compartimenten heerst de normale osmotische waarde.
Bij bloedverlies verandert de verhouding ICV/ECV doordat het volume van de ECV verandert.
Een verandering van de verhouding ICV/ECV kan ook veroorzaakt zijn door verlies of opname van water of zout.
De situaties 2a, 3a, 4a en 5a laten elk een bepaalde verandering zien ten opzichte van de normale situatie. In respectievelijk 2b, 3b, 4b en 5b wordt de daardoor veroorzaakte vloeistofverplaatsing weergegeven.
Tijdens een marathon drinkt een atleet meer water dan nodig is ter compensatie van het waterverlies.

Door welke combinatie van situaties (zie de afbeelding C 418) wordt de hierdoor veroorzaakte verandering in de verhouding ICV/ECV en de osmotische waarde in zijn lichaam weergegeven?

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Osmose; Uitscheiding

4/5 Waterverlies en watervergiftiging.

De eerste verschijnselen van watervergiftiging zijn niet goed te onderscheiden van de eerste verschijnselen van uitdroging, terwijl de therapie juist tegengesteld is.

Welke vloeistof krijgt een atleet met watervergiftiging intraveneus toegediend?

Osmose; Uitscheiding

5/5 Waterverlies en watervergiftiging.

Eigenlijk is watervergiftiging een vorm van hyponatremie. Dat is een te laag Na+ -gehalte in de ECV. Homeostatische mechanismen die bij hyponatremie in actie komen, zullen dat ook bij watervergiftiging doen. Daarbij zal een bepaald hormoon minder worden afgegeven en van een reeks van vier andere hormonen de afgifte juist toenemen.

- Noteer de naam van het hormoon dat minder afgegeven wordt.
- Leg uit waarom de afgifte ervan bij watervergiftiging geremd wordt.
- Noteer de naam van het vierde hormoon van de bovengenoemde reeks.
- Leg uit waarom de afgifte daarvan bij watervergiftiging verhoogd wordt.

Osmose

Wortel.

Van een wortel worden schijfjes gesneden, die in een oplossing met K+ -ionen worden geplaatst. Na enige tijd blijkt de K+ -ionenconcentratie in de schijfjes hoger dan die in de oplossing.

Twee conclusies zijn:

I. De celmembranen van deze plant zijn permeabel voor K+ -ionen;
II. Er moet voor de opname van K+ -ionen door de wortelcellen ATP gebruikt zijn.

Welke conclusie is of welke zijn juist?

Osmose

Pantoffeldiertjes.

In een milieu waarin pantoffeldiertjes voorkomen, worden twee factoren gevarieerd.

De frequentie waarmee de kloppende vacuole van deze diertjes samentrekt zal het laagst zijn in een milieu met