Oefentoets Biologie: Plantenanatomie | HAVO 4/HAVO 5 | variant 12

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Plantenfysiologie

Druppelen van aardbeiblad.
Zie figuur B 1368 van de bijlage.

De afbeelding is een foto van enkele blaadjes van een aardbeiplant. Deze plant staat in een kasje in vochtige grond. Aan de bladranden zijn kleine vochtdruppeltjes te zien die uit de bladeren te voorschijn komen.
Met betrekking tot de kas zijn de volgende omstandigheden mogelijk:

1. De kas staat open en de temperatuur van de grond waarin de aardbeiplanten staan, is hoog.
2. De kas staat open en de temperatuur van de grond waarin de aardbeiplanten staan, is laag.
3. De kas is gesloten en de temperatuur van de grond waarin de aardbeiplanten staan, is hoog.
4. De kas is gesloten en de temperatuur van de grond waarin de aardbeiplanten staan, is laag.

In welke van deze omstandigheden is de kans het grootst dat aan de bladrand druppeltjes te voorschijn komen?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Vochtverlies berk.

Een berkenboom wordt te laat gesnoeid, namelijk op het moment dat de knoppen beginnen uit te lopen, maar er nog geen bladeren te zien zijn. Op de snijvlakken komt veel vocht naar buiten.

Door welk proces wordt dit naar buiten komen van vocht veroorzaakt?

Plantenfysiologie

Verdamping van bebladerde tak.
Zie figuur A 203 van de bijlage.

In een experiment wordt een tak van een boom in water gezet (zie tekening). In het licht en in het donker wordt de verdampingssnelheid bepaald. De relatieve luchtvochtigheid en de temperatuur zijn in beide situaties gelijk.

Zakt het waterpeil in het glas het snelst als de opstelling in het licht staat of als deze in het donker staat?
Zijn dan de huidmondjes van de bladeren open of gesloten?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Druppelen van blad.

Onder bepaalde omstandigheden verliezen bladeren aan een plant water in de vorm van druppels.

Wordt dit druppelen bevorderd door een in verhouding hoge of lage bodemtemperatuur?
En door een in verhouding hoge of lage luchtvochtigheid?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Doorsnede blad.
Zie figuur B 643 van de bijlage.

De tekening stelt een dwarsdoorsnede van een blad voor. Bij de verplaatsing van watermoleculen komen verdamping en diffusie voor.

Welke pijl geeft alleen diffusie aan?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Wateropname van stekje.
Zie figuur B 2488 van de bijlage.

Een potometer is een apparaat waarmee de wateropname van een stekje van een plant onder verschillende omstandigheden gemeten kan worden (zie tekening). Als het stekje water opneemt, schuift het water in het capillaire buisje op. Dit is te zien aan de verplaatsing van de luchtbel. Met deze opstelling worden drie series proeven gedaan. De opstelling staat steeds in het licht.
afbeeldingafbeelding

Een leerling verwacht van deze proeven de volgende resultaten:

serie 1: het water in het buisje schuift bij 100% luchtvochtigheid minder op dan bij een lagere luchtvochtigheid;
serie 2: het water in het buisje schuift, wanneer de lucht een temperatuur van 30°C heeft sneller op dan wanneer de lucht een temperatuur van 5°C heeft;
serie 3: het water in het buisje schuift nauwelijks op als het stekje door een plastic zakje van de lucht is afgesloten.

Welke verwachting is of welke verwachtingen zijn zeer waarschijnlijk juist?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Temperatuur van blad.

Op een hete, windstille zomerdag kan de temperatuur van de buitenlucht hoog oplopen. Onder deze omstandigheden blijkt de temperatuur in bladeren van loofbomen, die voldoende water kunnen opnemen, lager te zijn dan de temperatuur van de buitenlucht.
Ter verklaring van deze lagere temperatuur in de bladeren onder deze omstandigheden worden vier beweringen gedaan.

1. Onder deze omstandigheden is de dissimilatie in de bladeren laag, zodat weinig warmte wordt geproduceerd.
2. Onder deze omstandigheden is de verdamping vanuit de bladeren groot, zodat veel warmte wordt afgegeven.
3. Onder deze omstandigheden blijven de huidmondjes van de bladeren dicht, zodat weinig warmte in de bladeren kan binnendringen.
4. Onder deze omstandigheden is de assimilatie in de bladeren hoog, zodat alle energie wordt vastgelegd in organische stoffen.

Welke van deze beweringen geeft een juiste verklaring van het verschijnsel?

Plantenfysiologie

Doorsneden van verschillende bladeren.
Zie figuur B 1422 van de bijlage.

De tekeningen in de afbeelding tonen delen van doorsneden van drie verschillende typen bladeren. Deze typen bladeren zijn afkomstig van planten die in verschillende milieus leven.
Iemand heeft deze verschillende typen bladeren geplukt terwijl hij tijdens een wandeling van een kale duintop afdaalt naar een vochtige duinvallei.

In welke volgorde zal hij de getekende typen bladeren waarschijnlijk hebben geplukt?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Gewicht van potplant.
Zie figuur B 512 van de bijlage.

Een plant met bladgroen groeit in een pot met aarde. De aarde wordt zo vochtig gemaakt, dat de plant er voor minstens drie dagen voldoende aan heeft. Van het door de plant opgenomen water verdampt 90%.

De plant wordt op een weegschaal geplaatst en staat vervolgens drie dagen bij 20°C en 50% luchtvochtigheid, overdag in het zonlicht, 's nachts in het donker.

Geeft de weegschaal met de plant en de pot erop na drie dagen een hoger of een lager gewicht aan?
Is het gewicht van de plant zelf in deze drie dagen toe- of afgenomen?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Processen in een wortel.
Zie figuur B 504 van de bijlage.

In een plant vinden onder andere de volgende processen plaats:

1. dissimilatie,
2. transport van stoffen,
3. opslag van stoffen.

De tekening B 504 geeft een dwarsdoorsnede van een ondergrondse wortel van een zaadplant weer.

Welke van de genoemde processen kunnen plaatsvinden in het schorsparenchym van deze wortel?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Zetmeelvorming in bladeren.
Zie figuur B 321 van de bijlage.

Drie bladeren van dezelfde groene plant worden met een doorschijnende was ingesmeerd:

- Blad 1 aan de bovenzijde.
- Blad 2 alleen aan de onderzijde.
- Blad 3 aan boven- en onderzijde.

Elke dwarsdoorsnede van deze drie bladeren vertoont voor wat betreft de ligging van de cellen het in de figuur geschetste beeld. Bij het begin van de proef bevat geen van de bladeren zetmeel. Alle omstandigheden zijn optimaal.

In welke van de genoemde bladeren kan na 6 uur zetmeel duidelijk worden aangetoond?

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Zuurstofconcentratie in blad.
Zie figuur B 314 van de bijlage.

Men meet de zuurstofconcentratie in een volgroeid groen blad op de plaatsen P en Q (zie tekening doorsnede blad) op de volgende tijdstippen:

1. vlak voor zonsopgang,
2. een uur na zonsopgang,
3. om één uur 's middags,
4. vlak na zonsondergang.

Op welke tijdstippen zal men de grootste concentratieverschillen van zuurstof aantreffen tussen P en Q?

Op de tijdstippen

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Doorsnede vaatbundel.
Zie figuur A 191 van de bijlage.

De tekening stelt een dwarsdoorsnede voor van een vaatbundel in een stengel van een zaadplant. Een gedeelte is extra groot weergegeven.
Met de cijfers 1 en 2 zijn verschillende plaatsen aangegeven.
In de vaatbundel wordt door cellen zuurstof verbruikt.

Vindt het transport van deze zuurstof plaats via 1 of via 2?
Ligt het centrum van de stengel in de richting van pijl q of in de richting van pijl r?

afbeeldingafbeelding

afbeeldingafbeelding

Plantenfysiologie

Effect industriële revolutie.

Sinds de industriële revolutie van de vorige eeuw is het aantal motoren dat werkt op fossiele brandstof sterk toegenomen. Door bladeren uit verzamelingen gedroogde planten van vóór die revolutie te vergelijken met bladeren van nu heeft men een effect van de industriële revolutie
op de atmosfeer kunnen bepalen. Bij de wintereik bleek zowel het aantal huidmondjes per cm2 blad als de grootte van de huidmondjes na de industriële revolutie te zijn afgenomen.

Leg uit waardoor een wintereik van tegenwoordig met minder huidmondjes kan volstaan dan een wintereik van vóór de industriële revolutie.

Plantenanatomie en -fysiologie

Groeistof en groeisnelheid van stengel en wortel.
Zie figuur B 602 van de bijlage.

In het diagram is het verband weergegeven tussen de groeistofconcentratie en de groeisnelheid van stengel en wortel van een kiemplant. Onder natuurlijke omstandigheden is P de concentratie groeistof in de wortel en Q die in de stengel.
Over deze plant worden de volgende beweringen gedaan:

1. wortel en stengel hebben onder natuurlijke omstandigheden een verschillende groeisnelheid,
2. onder natuurlijke omstandigheden ligt de concentratie aan groeistof in de wortel boven, en in de stengel onder het optimum voor de groeisnelheid,
3. bij concentratie R groeien wortel en stengel even snel.

Welke bewering is of welke beweringen zijn juist?

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

Weefselkweek bij planten.

Uit klompjes weinig gespecialiseerde plantencellen kunnen nieuwe individuen ontstaan. Men kan hiervan gebruik maken en planten ongeslachtelijk vermenigvuldigen door middel van weefselkweek. Stukjes van de plant worden daartoe steriel gekweekt op een kunstmatige voedingsbodem.

Kan voor de ongeslachtelijke vermenigvuldiging door weefselkweek het best gebruik worden gemaakt van bastvaten, houtvaten, kurk of vulweefsel?

Plantenanatomie en -fysiologie

1/2 Aardappels.

Een leerling leest de volgende tekst in een boek over plantenfysiologie:
"Dat het licht een zeer sterke invloed heeft op de vorm van een plant, blijkt duidelijk uit het simpele voorbeeld van het uitlopen van aardappels. Zolang de stengel zich onder de grond bevindt, strekt deze zich zeer snel tot het aardoppervlak bereikt is. Daarna strekken de cellen zich veel minder en de stengels worden, vooral als het nog koud is, zeer gedrongen".

Aardappels lopen ook uit als ze gedurende de winter droog worden bewaard. Twee beweringen over dit uitlopen zijn:

1. tijdens het uitlopen neemt het versgewicht van de aardappel af,
2. tijdens het uitlopen neemt het drooggewicht van de aardappel af.

Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?

Plantenanatomie en -fysiologie

2/2 Aardappels.

De leerling vraagt zich af welke factoren invloed hebben op de mate van strekking van de bovengrondse delen van de uitlopende aardappel. Hij denkt aan:

1. de omgevingstemperatuur;
2. de verlichtingssterkte.

Welke van deze factoren heeft of welke hebben inderdaad invloed op de strekking van de bovengrondse delen?

Plantenanatomie en -fysiologie

1/5 Bonenplanten.
Zie figuur B 2582 van de bijlage.

\Bonen bevatten grote hoeveelheden verschillende voedingsstoffen en zijn zeer geschikt voor consumptie door de mens.
Daarom worden bonenplanten veel geteeld en wordt er ook onderzoek gedaan naar de omstandigheden waaronder de planten het beste groeien. De peulen bevatten meerdere bonen.

Een tuinder zaait bonen en dekt ze af met een laagje grond. Na enige tijd ontkiemen de bonen (zie de afbeelding).
Enkele abiotische factoren zijn:

- watergehalte van de bodem;
- CO2 -gehalte van de lucht;
- voedingszouten in de bodem;
- bodemtemperatuur.

Welke twee van deze abiotische factoren hebben de grootste invloed op de groei tijdens de eerste twee dagen van de ontkieming?\






-

afbeeldingafbeelding

Plantenanatomie en -fysiologie

2/5 Bonenplanten.
Zie figuur B 2583 van de bijlage.

Om na te gaan welke factoren invloed hebben op de toename van het drooggewicht bij planten, voert Hans een experiment met bonenplanten uit. Hij gebruikt planten van hetzelfde ras die zijn opgekweekt onder dezelfde omstandigheden.
Uit de eerste bladparen van deze planten worden 150 rondjes van gelijke grootte geponst uit het bladweefsel tussen de nerven.

- Van 50 rondjes wordt meteen het drooggewicht van elk rondje bepaald (groep 1).
- Vijftig andere rondjes (groep 2) worden met de onderzijde naar boven op een laagje water in petrischalen gelegd (zie de afbeelding). Deze petrischalen worden gedurende 24 uur belicht in een klimaatkamer met normale lucht.
- De resterende 50 rondjes (groep 3) worden op dezelfde manier behandeld, maar in een klimaatkamer met lucht zonder CO2 .

Na de 24 uur belichting wordt van de groepen 2 en 3 het drooggewicht van elk rondje bepaald.
De resultaten van dit experiment zijn weergegeven in de tabel hieronder.

afbeeldingafbeelding

Met dit experiment wordt aangetoond dat een of meer factoren invloed hebben op de toename van het drooggewicht van bonenplanten.

Welke factor is of welke factoren zijn dat?




-

afbeeldingafbeelding