Oefentoets Biologie: Sport - Sport | VO | variant 3

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VO

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Sport

3/17 Sporten en gewicht.
Zie figuur B 2252 van de bijlage.

7. Hartslagfrequentie.
De hartslagfrequentie (HF) is het aantal hartslagen per minuut. Als je conditie beter wordt, treden de volgende veranderingen in de hartslagfrequentie op:

- Je HF in rust wordt lager.
- Je HF wordt tijdens inspanning minder hoog.
- Na afloop van een inspanning daalt je HF sneller. Je herstelt dus sneller.

8. Conditietest.
Zie figuur B 2252 van de bijlage.
afbeeldingafbeelding
Neem je hartslagfrequentie op. Ren dan negen keer zo hard mogelijk een speelveld in de breedte op en neer. Direct hierna neem je de hartslagfrequentie op en de vier volgende minuten telkens weer. De resultaten van een conditietest van Mariet vóór het ongeval en van een test ná de rustperiode zijn in het diagram uitgezet.



-

Sport

4/17 Sporten en gewicht.
Zie figuur B 2253 van de bijlage.


9. Röntgenfoto van de geblesseerde rechter elleboog van Mariet.
Zie figuur B 2253 van de bijlage.
afbeeldingafbeelding

10. Energieverbruik bij sportinspanningen.
afbeeldingafbeelding

11. Invloed van verschillende sporten op onderdelen van de conditie.
afbeeldingafbeelding

Zie volgende scherm



-

Sport

5/17 Sporten en gewicht.

Mariet probeert zich te houden aan de adviezen van het Voorlichtingsbureau voor de Voeding. Eén van die adviezen is, dat de helft of meer van de energie uit haar voeding afkomstig moet zijn van koolhydraten.
Bij de informatie 4a is de samenstelling van de lunch van Mariet opgenomen.
De tabel vermeldt niet alle stoffen uit haar voeding.

Is meer dan de helft van de energie uit haar lunch afkomstig van koolhydraten? Schrijf in je uitleg je berekening op.

Sport

6/17 Sporten en gewicht.

Mariet probeert zich te houden aan de adviezen van het Voorlichtingsbureau voor de Voeding. Eén van die adviezen is, dat de helft of meer van de energie uit haar voeding afkomstig moet zijn van koolhydraten.
Bij de informatie 4b is de samenstelling van dagmenu van Mariet opgenomen.

Is meer dan de helft van de energie uit deze voeding afkomstig van koolhydraten? Schrijf in je uitleg de berekening op.

Sport

7/17 Sporten en gewicht.

Noem een stof die Mariet als sportster wel nodig heeft, maar die niet wordt gerekend tot een van de groepen stoffen in de tabel.

Sport

8/17 Sporten en gewicht.
Zie figuur B 2253 van de bijlage.

Tijdens een handbalwedstrijd in de landelijke competitie maakt Mariet een ongelukkige val. Een stekende pijn in haar rechter elleboog is het gevolg. Ze kan ook haar arm niet meer strekken. In een ziekenhuis maakt men een röntgenfoto van de elleboog van die arm.

Noem de naam van het bot waarvan een stuk is afgebroken.

Dit bot heet de/het [invulveld]

afbeeldingafbeelding

Sport

9/17 Sporten en gewicht.

Welke van de volgende twee beweringen over de blessure van Mariet is of welke zijn juist?

1. Bij het afbreken van het stukje bot zijn bloedvaten beschadigd.
2. Bij het afbreken van het stukje bot is het gewrichtskapsel van de elleboog beschadigd.

afbeeldingafbeelding

Sport

10/17 Sporten en gewicht.

Om het afgebroken stuk bot weer vast te zetten wordt de arm geopereerd en in het gips gezet. Nadat Mariet uit het ziekenhuis is gekomen, moet zij zeer rustig aan doen. Tijdens deze rustperiode blijft Mariet eten zoals ze gewend is. Op het eind van de rustperiode weegt ze 70 kg.

Ga uit van dit gewicht en bereken met behulp van de gegevens in de informatie in de bijlage hoeveel kJ Mariet per dag teveel opneemt op het eind van haar rustperiode.

Sport

11/17 Sporten en gewicht.

Mariet kan na de zes weken rust niet meteen volop gaan handballen. Ze gaat wel weer trainen. Ze wil haar conditie op peil brengen en ze probeert ook af te vallen. Het is voor Mariet, als ze weer begint met de training, beter om karnemelk bij de lunch te drinken dan volle melk.

Noem hiervoor een argument. Gebruik voor je antwoord de informatie 6 van de bijlage.

Sport

12/17 Sporten en gewicht.

Mariet wil na zes weken rust weten hoe het met haar conditie is gesteld. Zij wil de conditie die ze nu heeft, vergelijken met de conditie die zij had voor het ongeval. Zij doet daarvoor de conditietest zoals beschreven in de informatie 8 van de bijlage.

Is de hoeveelheid bloed die per minuut door de longen van Mariet stroomt op het eind van het rennen groter of kleiner dan vlak voor het begin van de test?
Of is er geen verschil?

afbeeldingafbeelding

Sport

13/17 Sporten en gewicht.
Zie figuur B 2252 van de bijlage.

De resultaten van de conditietest vóór het ongeval en ná de rustperiode zijn in een diagram in de bijlage met informatie opgenomen. Op de X-as van het diagram moet op de plaats van de puntjes nog een woord staan.

Welk woord moet op de puntjes staan?

afbeeldingafbeelding

Sport

14/17 Sporten en gewicht.
Zie figuur B 4548 van de bijlage.

De resultaten van de conditietest vóór het ongeval en ná de rustperiode zijn in een diagram in de figuur opgenomen. Op de Y-as van het diagram moet op de plaats van de puntjes nog de eenheid staan.

Welke woorden (eenheid) moeten op de puntjes staan?

afbeeldingafbeelding

Sport

15/17 Sporten en gewicht.
Zie figuur B 4548 van de bijlage.

De hartslagfrequentie van Mariet is bij de conditietest ná de rustperiode hoger dan bij de test vóór het ongeluk.

Hoeveel hoger is de hartslagfrequentie op tijdstip P dan? Leg je antwoord uit met een berekening.

afbeeldingafbeelding

Sport

16/17 Sporten en gewicht.

Welke conclusie kun je uit een vergelijking van beide grafieklijnen trekken over de conditie van Mariet na de rustperiode van zes weken? Noem twee argumenten voor je conclusie. Doe het zo op je antwoordblad:

conclusie: .......
argument 1:.......
argument 2:.......

afbeeldingafbeelding

Sport

17/17 Sporten en gewicht.

Om in de landelijke competitie weer goed te kunnen handballen moeten alle onderdelen van de conditie van Mariet zeer goed zijn en moet zij weer haar ideale gewicht hebben. Om dat te bereiken wil Mariet een extra training met veel beweging kiezen tot zij weer voluit kan handballen. Het energieverbruik bij zwemmen is lager dan bij fietsen. Toch kiest Mariet voor zwemmen als extra training.

Verklaar de voorkeur van Mariet voor zwemmen. Gebruik hierbij de informatie van de bijlage.

Sport

1/4 Marathon lopen.

Bij het lopen van een marathon verbruikt het lichaam veel energie. De belangrijkste energiebronnen voor de spieren zijn koolhydraten en vetten. De glycogeenvoorraad in het lichaam is in het algemeen voldoende voor het handhaven van de glucoseconcentratie in het bloed gedurende ruim een uur activiteit. Bij voortdurende zware inspanningen, die - zoals bij een marathon - langer dan een uur duren, is het daarom belangrijk om tijdens de inspanning te eten.

Bevindt de genoemde glycogeenvoorraad zich in de lever, in de spieren of zowel in de lever als in de spieren?

Sport

2/4 Marathon lopen.

Door de invloed van het autonome zenuwstelsel is de vertering van het voedsel tijdens inspanning slechter dan in rust.
Over het autonome zenuwstelsel worden drie beweringen gedaan:

1. Het aantal impulsen per tijdseenheid in zenuwen van het parasympathische deel van het autonome zenuwstelsel die naar het maagdarmkanaal gaan, neemt bij inspanning af.
2. Het aantal impulsen per tijdseenheid in zenuwen van het parasympatische deel van het autonome zenuwstelsel die naar het maagdarmkanaal gaan, neemt bij inspanning toe.
3. Het aantal impulsen per tijdseenheid in zenuwen van het orthosympatische deel van het autonome zenuwstelsel die naar het maagdarmkanaal gaan, neemt bij inspanning toe.

Welke van deze beweringen geeft een oorzaak van de slechte vertering tijdens inspanning?

Sport

3/4 Marathon lopen.

Een grote inspanning leidt tot een grote zweetproductie.
Drie activiteiten in de huid zijn:

1. vernauwing van bloedvaten,
2. verwijding van bloedvaten,
3. samentrekken van haarspiertjes.

Welke van deze activiteiten vindt tegelijk met het toenemen van de zweetproductie plaats?

Sport

4/4 Marathon lopen.

Drie typen processen in het lichaam van een marathonloper zijn:

1. afgifte van warmte,
2. assimilatieprocessen,
3. dissimilatieprocessen.

Welk van deze processen neemt of welke nemen in intensiteit toe tijdens het lopen van een marathon?

Sport

1/4 Hardlopen.
Zie figuur B 2131 en figuur C 91 van de bijlage.

Een man loopt hard op een trimbaan.
Enkele organen van de man zijn: de kuitspieren, de dunne darm, het hart en de nieren.

Door welk of welke van deze organen stroomt tijdens het hardlopen per minuut de grootste hoeveelheid bloed?

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding