Voortplanting
Gebeurtenissen & geslachtelijke voortplanting.
Welke van de volgende gebeurtenissen heeft te maken met geslachtelijke voortplanting?
Deze oefentoets bevat 18 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
18
Biologie
VO Kerndoel 31: Processen in de natuur
VMBO theoretische leerweg, 3, VMBO theoretische leerweg, 4
NVON
cc-by-sa-40
Gebeurtenissen & geslachtelijke voortplanting.
Welke van de volgende gebeurtenissen heeft te maken met geslachtelijke voortplanting?
Beweringen over het ontstaan van organismen.
Hieronder volgen twee beweringen over het ontstaan van organismen:
I. Ongeslachtelijke vermenigvuldiging kan optreden doordat een deel van het organisme loslaat en uitgroeit tot een compleet organisme.
II. Geslachtelijke voortplanting is het versmelten van twee geslachtscellen tot één cel, die tot een nieuw individu uitgroeit.
Versmelten van cellen.
Zie figuur B 1071 van de bijlage.
In de figuur zijn schematisch vier cellen met chromosomen weergegeven uit de geslachtsorganen van twee organismen van dezelfde soort.
1 en 2 zijn cellen uit de ovaria; 3 en 4 zijn cellen uit de testes.
Welke cellen kunnen bij bevruchting versmelten?
afbeelding
Een proces schematisch voorgesteld
Zie figuur B 340 van de bijlage.
De cellen in het schema hebben elk twee chromosomen in de kern.
Welk proces stelt dit schema voor?
afbeelding
Beweringen over geslachtelijke en ongeslachtelijke voortplanting.
Welke van de onderstaande beweringen over geslachtelijke en ongeslachtelijke voortplanting bij planten en dieren is juist?
Geslachtelijke voortplanting & ongeslachtelijke vermenigvuldiging.
Zie figuur B 972 van de bijlage.
De tekeningen stellen zaadplanten voor.
Bij welke van deze planten kan geslachtelijke voortplanting voorkomen?
Bij welke kan ongeslachtelijke vermenigvuldiging voorkomen?
afbeelding
afbeelding
Voortplanting.
Hieronder staan vier beweringen over voortplanting bij meercellige organismen:
1. Bij geslachtelijke voortplanting zijn altijd twee organismen betrokken.
2. Bij geslachtelijke voortplanting zijn altijd voortplantingscellen betrokken.
3. Bij ongeslachtelijke vermeerdering zijn altijd voortplantingscellen betrokken.
4. Bij ongeslachtelijke vermeerdering zijn uitsluitend twee organismen betrokken.
Welke van deze beweringen over voortplanting is juist?
1/3 Stamcellen.
Zie figuur C 376 van de bijlage.
Als een eicel bevrucht is, gaat die zich delen. Na ongeveer vijf dagen is een klompje cellen ontstaan. In dit klompje bevinden zich cellen die stamcellen worden genoemd.
Tijdens de ontwikkeling van het embryo ontstaan uit stamcellen alle verschillende soorten weefsels.
Wetenschappers onderzoeken de mogelijkheid om stamcellen in een laboratorium te kweken. Als het dan zou lukken om uit stamcellen verschillende soorten cellen te laten ontstaan, dan kunnen die misschien gebruikt worden om beschadigd weefsel te herstellen.
In de afbeelding wordt schematisch een manier weergegeven waarop men probeert stamcellen te kweken.
In de afbeelding zijn bij nummer 5 twee cellen weergegeven die door celdeling zijn ontstaan uit een behandelde eicel.
Hoe heet zo'n celdeling?
afbeelding
2/3 Stamcellen.
Een onbevruchte eicel bevat 23 chromosomen.
Hoeveel chromosomen bevat een stamcel bij nummer 6 uit de afbeelding?
[invulveld] chromosomen
3/3 Stamcellen.
Zie figuur C 376 van de bijlage.
In de afbeelding zijn twee celtypen weergegeven die zich uit stamcellen kunnen ontwikkelen: R en S.
Geef de namen van deze twee celtypen.
Typ je antwoord zó:
R = [invulveld]
S = [invulveld]
afbeelding
Kiemrust
Kiemrust is
Kiemende tomatenzaden.
Een tomatenzaadje kiemt wanneer het door een varken is uitgepoept. Zaadjes die in de winkel zijn gekocht kiemen ook.
Welke conclusie kan worden getrokken?
Kiemende bessenzaden.
Een bessenzaadje kiemt wanneer het door een vogel is uitgepoept. Bessenzaadjes die in vogelpoep zijn gestopt kiemen niet.
Welke conclusie kan worden getrokken?
Voorns en reigers.
Van de voorns die in het kanaal leven, is het aantal tamelijk constant. Dat geldt ook voor de reigers in de buurt, hoewel zij veel minder eieren leggen dan de voorns. Een voorn legt jaarlijks ongeveer 40.000 eieren, een reiger 4.
Verklaar, met behulp van het begrip verzorging, waardoor het komt dat bij de reigers het aantal ongeveer constant blijft met veel minder eieren dan bij de voorns.
2/2 Sluipwespen.
De vrouwelijke sluipwespen die de tomatenkwekers gebruiken, worden door leveranciers van biologische bestrijdingsmiddelen gekweekt. Deze vrouwelijke sluipwespen paren niet om zich voort te planten. Bij deze sluipwespen bepaalt het aantal chromosomen het geslacht. Bij de vorming van eicellen van deze vrouwtjes vindt niet zoals normaal meiose plaats. Daardoor bevatten de eicellen evenveel chromosomen als de lichaamscellen. In de eicellen komen de chromosomen ook allemaal in paren voor. Uit de eicellen ontstaan eieren waaruit zich sluipwespen kunnen ontwikkelen.
Over sluipwespen doen 2 leerlingen de volgende beweringen:
Leerling 1 zegt: "De vrouwtjes van alle soorten sluipwespen in de natuur hebben hetzelfde genotype."
Leerling 2 zegt: "De gekweekte vrouwelijke sluipwespen krijgen bij de beschreven manier van kweken alleen vrouwelijke nakomelingen."
Welke bewering is of welke beweringen zijn juist?
Maïs.
Zie de figuren A 695 en B 2863 van de bijlage.
In afbeelding A 695 is een maïsplant weergegeven.
In afbeelding B 2863 zijn maïsbloemen weergegeven.
Zijn de bloemen in afbeelding B 2863 mannelijk of vrouwelijk?
Bevinden deze maïsbloemen zich bij P of Q in de afbeelding A 695?
afbeelding
afbeelding
afbeelding
2/2 Chrysanten.
Door een mutatie is een chrysant ontstaan met een nieuwe rode bloemkleur.
Een vermeerderingsbedrijf wil zoveel mogelijk chrysantenplanten met dezelfde nieuwe bloemkleur krijgen.
Hoe kan het vermeerderingsbedrijf de chrysant met de nieuwe rode bloemen dan het best vermeerderen?
2/2 Hennep.
Wanneer men hennep buiten in de volle grond kweekt, komen er meer vruchten aan de planten, dan wanneer men de planten binnen in een kas kweekt.
Welke van de volgende verschillen is of zijn daarvan een oorzaak?
1. Buiten is er meer wind dan in een kas.
2. Buiten zijn er meer insecten dan in een kas.