Oefentoets Biologie: Ecologie - populaties | VWO 1/VWO 2/VWO 3

Ontdek de digitale toets over de invloed van populatie op mottensoorten, gericht op leerlingen die de interactie tussen fenotypische variatie en predatie begrijpen. Deze toets biedt inzicht in ecologische dynamiek en populatiebiologie. - 5 vragen

Aantal vragen

5

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 1, VWO 2, VWO 3

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Invloed van populatie op mottensoorten

Mottensoorten.
Zie de figuren B 5267, B 5266 en A 1171 van de bijlage.

In een bepaalde habitat leeft een mottensoort A. De motten verschillen onderling in lichaamskleur. Deze fenotypische variatie kun je in een diagram (zie afbeelding 1 hiernaast) weergeven.
Er zijn vogels die deze motten smakelijk vinden en eten.
In dezelfde habitat leven drie andere mottensoorten 1, 2 en 3.
Die drie mottensoorten zien er wat betreft kleur hetzelfde uit als de kleurvariaties binnen de mottensoort A (zie afbeelding 2).
Mot 1 lijkt op de lichte variatie van mot A.
Mot 2 lijkt op de grijze variatie van mot A.
Mot 3 lijkt op de hele donkere variatie van mot A.
Er is één belangrijk verschil. De mottensoorten 1, 2 en 3 smaken gruwelijk en na zo'n ervaring vermijden de vogels om 1, 2 of 3 te eten.
Stel je voor dat het aantal motjes nr 3 om één of andere reden plots enorm toeneemt in de habitat.

Welke invloed zal dat hebben op de samenstelling van de populatie van mot A?
Kies het diagram in afbeelding 3 dat die invloed het beste weergeeft.
De verticale gestreepte lijn stelt het gemiddelde voor van de oorspronkelijke populatie.
Het juiste diagram is .

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding

Voeding en bevolkingsexplosie van colobusapen

Gezond met houtskool.

De rode colobusapen van het eiland Zanzibar voor de Oost-Afrikaanse kust zijn overgegaan op het innemen van houtskool. Gemiddeld vijf gram per dag per aap. Ze halen het van platgebrande bossen en stelen het uit keukens. Het ontgift hun darmen.
Ze zijn nu beter in staat nieuwe voedselbronnen aan te boren, zoals giftige mangobladeren. Het gevolg is een bevolkingsexplosie. Nergens komen méér apen voor per vierkante kilometer dan op Zanzibar.
Over de oorzaak van de bevolkingsexplosie van de colobusapen wordt een aantal beweringen gedaan.

Welke van de beweringen zijn hoogst waarschijnlijk juist?

Toename van kaalkop-ibissen in Marokko

Kaalkop-ibissen.

In het mei/juni nummer van het tijdschrift Vogels in 2000 stond het volgende bericht:

De vier jaar geleden gemaakte broedrichels voor de bedreigde kaalkop-ibissen in het Marokkaanse Souss-Massa lijken eindelijk een succes. De eerste drie jaar kwam slechts één paartje op de kunstmatige richels tot broeden, maar vorig jaar vonden ineens zes paartjes de richels de moeite waard. In totaal brachten 62 paartjes 78 jongen groot. Dit hoge aantal - de totale wereldpopulatie haalt de 250 niet - is mede te danken aan de beschermingsmaatregelen van de lokale bevolking. Er is een bewakingssysteem opgezet en de vogels worden uitgebreid gevolgd met een videocamera.

Welke van de volgende beweringen geeft een juiste, uit de gegevens te halen, verklaring van de toename van het aantal, op de speciale richels grootgebrachte, jongen?

Onderzoek naar zwerfkattenpopulatie

Een zwerfkattenpopulatie.

Een leerling heeft toestemming om de zwerfkattenpopulatie in een bepaalde wijk te onderzoeken. Hij plaatst op vier willekeurige plaatsen in de wijk vangkooien.
In totaal vangt hij die dag 18 katten. Hij merkt de gevangen katten en laat ze aan het eind van de dag weer los. De week daarop herhaalt hij deze opzet. Dan vangt hij 16 verschillende katten waarvan er twee gemerkt zijn. De leerling rekent met deze gegevens uit hoe groot de populatie zwerfkatten in de wijk is.
Als hij zijn resultaat meldt aan de docente, vraagt zij of de leerling eraan gedacht heeft dat een eenmaal gevangen kat een volgende keer moeilijker te vangen kan zijn.

Als de veronderstelling van de docente juist is, is dan de werkelijke kattenpopulatie kleiner dan, gelijk aan of groter dan het door de leerling gevonden aantal?

Die is het door de leerling gevonden aantal.

Kikkerpopulatie en invloed van het ringetje

2/2 Kikkerpopulatie.

Het ringetje dat de kikkers om de poot krijgen, blijkt aan de strakke kant. De kikkers zijn trager geworden en hebben hier met name last van bij het springen en zwemmen.

Is de werkelijke populatie in dit geval juist geschat of is deze groter of is deze kleiner dan de berekende waarde?