Oefentoets Biologie: Ecologie - energie | VWO 4/VWO 5/VWO 6

Deze oefentoets bevat 29 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

29

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Ecologie

1/5 Energie.
Zie figuur B 2813 van de bijlage.

In de afbeelding zijn de assimilatie-efficiëntie (A/I) en de productiviteitsefficiëntie (P/A) van twee groepen zoogdieren in een graslandecosysteem schematisch weergegeven.

A = hoeveelheid energie in organische stof die via de darm wordt geresorbeerd en in het bloed opgenomen
F = verlies van energie door ontlasting
I = hoeveelheid energie in organische stof die wordt gegeten
P = productiviteit
R = energieverlies door dissimilatie

De assimilatie-efficiëntie (A/I) is bij de planteneters kleiner dan bij de vleeseters (zie de afbeelding). Als verklaring hiervoor worden de volgende beweringen gedaan:
1. Per gewichtseenheid bevat plantaardig voedsel in verhouding meer water dan dierlijk voedsel, waardoor planteneters minder kunnen assimileren.
2. Per gewichtseenheid bevat plantaardig voedsel meer onverteerbare delen dan dierlijk voedsel; hierdoor levert plantaardig voedsel per gewichtseenheid minder organische stof voor de assimilatie dan dierlijk voedsel.

Welke van deze beweringen geeft of welke geven een juiste verklaring voor het verschil in assimilatie-efficiëntie?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/5 Energie.

Bereken voor de groep planteneters P in joules als I een energie-inhoud heeft van 100 joules.

Ecologie

3/5 Energie.

In de landbouw wordt het begrip energieratio gehanteerd. Onder de energieratio van een voedingsproduct wordt verstaan: de hoeveelheid energie die uit dat product gehaald kan worden (per hectare), gedeeld door de hoeveelheid energie die (per hectare) moet worden geïnvesteerd om dit voedingsgewas te verbouwen en te verwerken.
Cassave is een plant die veel in Afrika wordt verbouwd. De wortel levert zetmeel dat wordt gebruikt voor de bereiding van cassavebrood.
De energieratio van zetmeel uit cassave bedraagt ongeveer 70.
De energieratio van suiker uit suikerbieten in West-Europa is ongeveer 0,7.

Noem twee oorzaken waardoor de energieratio van zetmeel uit cassave hoger is dan die van suiker uit suikerbieten.

Ecologie

4/5 Energie.

Suikerbieten worden in monoculturen op grote akkers verbouwd. In het algemeen hebben monoculturen een aantal nadelen die onder meer worden veroorzaakt door abiotische factoren. Een aantal abiotische factoren is: temperatuur, water, licht, bodem, wind en lucht.

Noem een maatregel die mensen, in verband met verbouwen van suikerbieten, kunnen nemen, om de nadelige invloed van één van deze abiotische factoren tot een minimum te beperken.

Ecologie

5/5 Energie.

Noem één biotische factor die nadelig kan zijn bij het verbouwen van suikerbieten in monocultuur.
En noem een maatregel die mensen kunnen nemen om dit nadeel tot een minimum te beperken.

Ecologie

1/2 Energiestromen.
Zie figuur A 361 van de bijlage.
afbeeldingafbeelding
In de afbeelding hierboven is een schema van energiestromen in de landbouw weergegeven. De energieratio voor een bepaald product wordt vastgesteld volgens de volgende formule:
afbeeldingafbeelding
In de tabel hieronder is de energieratio van een aantal activiteiten weergegeven.
afbeeldingafbeeldingZie volgende scherm

Ecologie

2/2 Energiestromen.
Zie figuur A 361 van de bijlage.

Vergelijk de productie van cassave met die van bietsuiker.

Geef aan, met gebruikmaking van de gegevens in de afbeelding A 361 en de formule, waardoor de energieratio van deze producten in de tabel hierboven een factor 100 verschilt.
Noem vijf daarbij betrokken factoren die je uit de gegevens kunt afleiden.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

1/6 Een ecosysteem.
Zie figuur C 74 van de bijlage.
afbeeldingafbeelding
In de afbeelding is op schematische wijze de energiestroom in een ecosysteem E weergegeven. Dit schema is van toepassing een bos in Nederland. Van de straling die door de zon wordt uitgezonden, bereikt slechts een gedeelte ecosysteem E. Een gedeelte van de stralingsenergie wordt vastgelegd in organische stoffen. Van die vastgelegde energie gaat op elk trofisch niveau een deel verloren. De stralingsenergie wordt berekend per m2 aardoppervlak. De organismen die in de afbeelding met Q, R en S zijn aangegeven, zijn ieder een symbool voor een bepaald trofisch niveau binnen ecosysteem E. Tot deze trofische niveaus behoren meer organismen dan hier zijn afgebeeld. Met de dubbele pijlen wordt aangegeven dat een gedeelte van de energie niet als voedsel ter beschikking komt van het volgende trofische niveau.

In de afbeelding C 74 is de hoeveelheid zonne-energie in kJ weergegeven die gemiddeld per jaar een m2 oppervlak van dit ecosysteem bereikt: dit is 4.106 kJ/m2 /jaar. Van deze energie wordt 2.106 kJ/m2 /jaar geabsorbeerd door organismen van trofisch niveau Q. Van deze 2.106 kJ/m2 /jaar wordt 8.103 kJ/m2 /jaar opgenomen door organismen van trofisch niveau R.

Zie volgende scherm

Ecologie

2/6 Een ecosysteem.
Zie figuur C 74 van de bijlage.

Trofische niveaus zijn: consumenten van de eerste orde, consumenten van de tweede orde, consumenten van de derde orde, producenten en reducenten.

Welk van deze trofische niveaus wordt in afbeelding C 74 aangegeven met Q?
En welk van deze trofische niveaus wordt in afbeelding C 74 aangegeven met R?
En welk van deze trofische niveaus wordt in afbeelding C 74 aangegeven met S?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

3/6 Een ecosysteem.
Zie figuur C 74 van de bijlage.

Op niveau Q wordt stralingsenergie vastgelegd in organisch stoffen.

Hoe wordt dit omzettingsproces genoemd?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

4/6 Een ecosysteem.
Zie figuur C 74 van de bijlage.

Bereken de hoeveelheid op trofisch niveau Q geabsorbeerde energie die niet wordt doorgegeven naar niveau R.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

5/6 Een ecosysteem.
Zie figuur C 74 van de bijlage.

Door de organismen van niveau R wordt 8.103 kJ/m2 /jaar in de vorm van voedsel opgenomen. Van deze 8.103 kJ wordt slecht 8.102 kJ/m2 /jaar gebruikt als voedsel door organismen van de volgende trofische niveaus. Dit is 10%.

Noem twee oorzaken binnen trofisch niveau R waardoor dit percentage lager dan 100 is.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

6/6 Een ecosysteem.
Zie figuur C 74 van de bijlage.

Op trofisch niveau S komt 20% van de opgenomen energie ter beschikking van het volgende trofische niveau.
Dit percentage wordt vergeleken met dat op trofisch niveau R.

Geef een verklaring voor het gegeven dat dit percentage op trofisch niveau R lager is dan op trofisch niveau S.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

1/2 Energie.

Een groep konijnen neemt in het voedsel een hoeveelheid E Joules aan energie op. Vervolgens wordt energie verbruikt voor beweging (E1 ) en afgegeven in de vorm van warmte (E2 ). Ook komt een deel van de opgenomen energie ter beschikking aan het volgende trofische niveau (E3 ).
Drie leerlingen vragen zich af of met E1 , E2 en E3 alle vormen van energie op dit trofische niveau zijn weergegeven. Vervolgens stellen zij met deze gegevens een vergelijking op voor de relatie tussen deze vormen van energie (E en E1 , E2 en E3 ). Zij formuleren de volgende antwoorden en vergelijkingen:

Leerling 1 zegt: "Niet alle energievormen op dit trofische niveau zijn weergegeven, dus moet de vergelijking zijn: E > E1 + E2 + E3 ".
Leerling 2 zegt: "Alle energievormen op dit trofische niveau zijn weergegeven, dus moet de vergelijking zijn: E = E1 + E2 + E3 ".
Leerling 3 zegt: "Niet alle energievormen op dit trofische niveau zijn weergegeven, dus moet de vergelijking zijn: E < E1 + E2 + E3 ".

Welke van deze leerlingen heeft een juiste vergelijking opgesteld?

Ecologie

2/2 Energie.

De verhouding tussen de energie-inhoud en alle bij het produceren (telen, oogsten, verwerken) van een voedingsmiddel verbruikte energie wordt weergegeven als de energieratio Er . In de tabel hieronder is van enkele voedingsmiddelen de Er gegeven. Voor de gebruikelijke voedingsmiddelen in West-Europa is de energieratio gemiddeld 0,35.
afbeeldingafbeelding

Cassave is een tropische plant waarvan de zetmeelhoudende wortels worden gegeten. Bietsuiker wordt in Nederland verkregen door de industriële bewerking van suikerbieten. In Nederland wil men de totale opbrengst van bietsuiker handhaven, maar toch de energieratio Er van bietsuiker verhogen.

Noem twee maatregelen waardoor de energieratio Er van bietsuiker kan worden verhoogd. Geef bij elke maatregel aan of daardoor de energie-inhoud of de verbruikte energie verandert.

Ecologie

1/5 Energie.
Zie figuur B 2813 van de bijlage.

In de afbeelding zijn de assimilatie-efficiëntie (A/I) en de productiviteitsefficiëntie (P/A) van twee groepen zoogdieren in een graslandecosysteem schematisch weergegeven.

A = hoeveelheid energie in organische stof die via de darm wordt geresorbeerd en in het bloed opgenomen;
F = verlies van energie door ontlasting;
I = hoeveelheid energie in organische stof die wordt gegeten;
P = productiviteit;
R = energieverlies door dissimilatie;

De assimilatie-efficiëntie (A/I) is bij de planteneters kleiner dan bij de vleeseters (zie afbeelding 1). Als;verklaring hiervoor worden de volgende beweringen gedaan:
1. Per gewichtseenheid bevat plantaardig voedsel in verhouding meer water dan dierlijk voedsel, waardoor planteneters minder kunnen assimileren.
2. Per gewichtseenheid bevat plantaardig voedsel meer onverteerbare delen dan dierlijk voedsel; hierdoor levert plantaardig voedsel per gewichtseenheid minder organische stof voor de assimilatie dan dierlijk voedsel.

Welke van deze beweringen geeft of welke geven een juiste verklaring voor het verschil in assimilatie-efficiëntie?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/5 Energie.
Zie figuur B 2813 van de bijlage.

Bereken voor de groep planteneters P in joules als I een energie-inhoud heeft van 100 joules.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

3/5 Energie.

In de landbouw wordt het begrip energieratio gehanteerd. Onder de energieratio van een voedingsproduct wordt verstaan: de hoeveelheid energie die uit dat product gehaald kan worden (per hectare), gedeeld door de hoeveelheid energie die (per hectare) moet worden geïnvesteerd om dit voedingsgewas te verbouwen en te verwerken.
Cassave is een plant die veel in Afrika wordt verbouwd. De wortel levert zetmeel dat wordt gebruikt voor de bereiding van cassavebrood.
De energieratio van zetmeel uit cassave bedraagt ongeveer 70.
De energieratio van suiker uit suikerbieten in West-Europa is ongeveer 0,7.

Noem twee oorzaken waardoor de energieratio van zetmeel uit cassave hoger is dan die van suiker uit suikerbieten.

Ecologie

4/5 Energie.

Suikerbieten worden in monoculturen op grote akkers verbouwd. In het algemeen hebben monoculturen een aantal nadelen die onder meer worden veroorzaakt door abiotische factoren. Een aantal abiotische factoren is: temperatuur, water, licht, bodem, wind en lucht.

Noem een maatregel die mensen, in verband met verbouwen van suikerbieten, kunnen nemen, om de nadelige invloed van één van deze abiotische factoren tot een minimum te beperken.

Ecologie

5/5 Energie.

Noem één biotische factor die nadelig kan zijn bij het verbouwen van suikerbieten in monocultuur.
En noem een maatregel die mensen kunnen nemen om dit nadeel tot een minimum te beperken.

Ecologie

1/3 Een weiland.
Zie figuur A 275 van de bijlage.

In de afbeelding is schematisch weergegeven wat er gebeurt met 1000 MJ lichtenergie die op 1 m2 grasland valt.

Hoe groot is de bruto primaire productie van 1 m2 grasland?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/3 Een weiland.
Zie figuur A 275 van de bijlage.

Volgens de afbeelding neemt de koe 2,8 MJ energie op. Hiervan wordt 0,1 MJ door groei vastgelegd in de biomassa van de koe. De resterende 2,7 MJ wordt door de koe afgegeven.

Noem drie processen die bijdragen aan de afgifte van deze resterende 2,7 MJ.

afbeeldingafbeelding

Ecologie

3/3 Een weiland.
Zie figuur A 275 van de bijlage.

In het schema van de afbeelding is van 3,2 MJ van de energiewaarde van de biomassa van 1 m2 gras niet aangegeven wat ermee gebeurt.

Over deze energie worden drie beweringen gedaan:

1. een gedeelte ervan wordt in de vorm van hooi afgevoerd,
2. een gedeelte ervan wordt door andere herbivoren opgenomen,
3. een gedeelte ervan wordt door omnivoren opgenomen.

Welke van deze beweringen kan of welke kunnen juist zijn?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

2/6 Kosten en baten bij honingzuigers.

De hoeveelheid nectar die een vogel in een bloem vindt, hangt af van de tijd die is verstreken sinds het laatste bezoek.
In een gebied met leeuwenoorbloemen worden bepaalde delen sterk verdedigd als territoria door bepaalde vogels en andere niet.
Frank Gill en Lary Wolf onderzochten op twee dagen in een gebied met heel veel honingzuigers de hoeveelheid nectar in bloemen binnen en buiten de territoria.

Welke hypothese over de hoeveelheid nectar zullen zij gesteld hebben?
Leg je antwoord uit.

Ecologie

3/6 Kosten en baten bij honingzuigers.

Een honingzuiger besteedt per dag ongeveer 150 minuten aan het zoeken naar nectar.
Hij heeft per dag 54 kJ aan energie nodig.
Elk bloembezoek kost 1,5 sec.

Bereken hoeveel J/s en hoeveel J/bloem de vogel moet verzamelen.

Ecologie

4/6 Kosten en baten bij honingzuigers.

Als de hoeveelheid nectar in een bloem kleiner is dan 3 µl, zijn er natuurlijk ook minder joules beschikbaar. Dus moet de vogel meer vliegen om aan voldoende nectar te komen.

Leg uit waarom dit energetisch een nadeel is.

Ecologie

5/6 Kosten en baten bij honingzuigers.

Om te kunnen berekenen of het verdedigen van een territorium met veel voedsel energetisch gunstig is voor een vogel, moet je ook weten hoeveel energie de verdediging kost.
Stel dat door een territorium te verdedigen de opbrengst per bloem stijgt van 1,5 naar 3 µl. Dat levert de vogel een energiewinst op van 12 kJ per dag.
Het verdrijven van indringers uit het territorium kost 20 kJ/uur.

Hoe lang kan een honingzuiger per dag rondvliegen om zijn territorium te verdedigen?

Ecologie

6/6 Kosten en baten bij honingzuigers.

Als het goed is, heb je in je berekening gezien dat de vogel niet de hele dag kan rondvliegen in zijn territorium.

Noem een voorbeeld van een 'energetisch goedkoper' middel dat de vogel kan gebruiken om zijn territorium te verdedigen?

Ecologie

3/5 Koraalrif.
Zie figuur B 5313 van de bijlage.

Verklaar de resultaten die in de grafiek hiernaast getoond worden.

afbeeldingafbeelding