Oefentoets Biologie: Ecologie | VWO 4/VWO 5/VWO 6 | variant 18

Deze oefentoets bevat 20 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

20

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

VWO 4, VWO 5, VWO 6

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Ecologie

4/5 Een zoetwaterplas.
Zie figuur B 5142 van de bijlage.

In één van deze plassen treedt verlanding op.
In nevenstaande afbeelding is weergegeven hoe deze plas er aan het begin van dit verlandingsproces uitzag.
Enkele van de fasen waarin verlanding zich in het algemeen voltrekt, worden hieronder in willekeurige volgorde genoemd:

Fase P: met ondergedoken waterplanten;
Fase Q: met op de bodem van de plas wortelend riet en biezen;
Fase R: met drijvende waterplanten, zoals watervarens en kroos;
Fase S: met elzen-, berken- en wilgenbroekbos;
Fase T: met tussen het riet groeiend veenmos.
Op een bepaald moment begint de verlanding op plaats V in de plas.

Zet de genoemde fasen op plaats V in de rechter kolom op de juiste plaats bij de cijfers in de linkerkolom, waarbij 1 t/m 5 het achtereenvolgende verloop in de tijd weergeeft.

afbeeldingafbeelding
  • Fase P

  • Fase R

  • Fase Q

  • Fase T

  • Fase S

  • 1

  • 2

  • 3

  • 4

  • 5

Ecologie

5/5 Een zoetwaterplas.

Verlanding is een voorbeeld van successie.
Successie kan leiden tot een min of meer stabiel eindstadium.

Wat is de algemene term voor dit stabiele eindstadium?

Dit eindstadium heet [invulveld]

Ecologie

Polychloorbifenylen.

Polychloorbifenylen zijn persistente stoffen die in het leefmilieu zijn gekomen doordat ze lange tijd zijn toegepast als isolatievloeistof in transformatoren en condensatoren, als hydraulische vloeistof, koelvloeistof en als smeermiddel.

Zet de organismen in de rechter kolom in de volgorde die past bij de verschillende concentraties (in mg/kg vet) in de linker kolom.

  • fytoplankton

  • zoöplankton

  • vissen

  • zeevogels

  • 8

  • 10

  • 1-37

  • 110

Ecologie

Waddenzee.
Zie figuur B 5146 van de bijlage.

Hiernaast een voedselweb uit de Waddenzee.

Als we alle organismen per trofisch niveau zouden wegen, wat blijkt dan?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

1/5 Ecologie op het Kaibab Plateau.

Vóór 1907 waren er ongeveer 4000 herten en goede predatorpopulaties (van poema's en wolven) op het Kaibab Plateau, een gebied van ca.700.000 acres aan de noordkant van de Grand Canyon (Arizona). Tussen 1907 en 1923 werd eendrachtig samengewerkt om de predatoren te verwijderen. In 1925 was de hertenpopulatie aangegroeid tot 100.000; alles binnen hun bereik (gras, jonge boompjes en heesters) werd opgegeten en het hele gebied gaf de aanblik van een sterk overbegraasd en platgetreden grasland.
In twee winters stierf 40% van de enorme hertenkudde en de neergang zette door tot ca. 10.000 dieren.
De streek is nog steeds uitgeput en schade aan de bomengroei zal nog lange tijd blijven voortbestaan.
Men schat dat het gebied in de oorspronkelijke staat niet meer dan 30.000 herten kon dragen

bron: (bewerkt naar 'Fundamentals of Ecology' van E.P. Odum en H.T. Odum, 1959).

Ecologie

2/5 Ecologie op het Kaibab Plateau.
Zie figuur B 5148 van de bijlage.

Welke van de volgende voedselketens laat de relaties van vóór 1907 op de juiste wijze zien?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

3/5 Ecologie op het Kaibab Plateau.

Welke van de volgende voedselketens laat de relaties van 1925 op de juiste wijze zien?

Ecologie

4/5 Ecologie op het Kaibab Plateau.

Wat is waarschijnlijk de hoofdoorzaak geweest van de schade aan de boomgroei?

Ecologie

Voedselketen.
Zie figuur B 5150 van de bijlage.

Voor de voedselketen fytoplankton ® haring ® haringworm heeft men de piramides van energie, biomassa en aantallen bepaald. Deze staan hiernaast weergegeven.
De onderschriften zijn echter zoekgeraakt.

Zet de juiste onderschriften in de rechter kolom bij de cijfers in de linker kolom.

afbeeldingafbeelding
  • piramide van aantallen

  • piramide van energie

  • piramide van biomassa

  • I

  • II

  • III

Ecologie

Uitsterven.
Zie figuur B 5153 van de bijlage.

Als een populatie schildpadden en een populatie zeehonden in even sterke mate bedreigd worden, dan is de kans op het uitsterven van de populatie het grootst bij

afbeeldingafbeelding

Ecologie

Vijf ecosystemen.

De tabel hieronder toont de netto primaire productie en biomassa in vijf ecosystemen.

afbeeldingafbeelding

Kies voor de ecosystemen I, II, III uit die tabel de juiste combinatie hieronder.

Ecologie

Vijverecosysteem.
Zie figuur B 5155 van de bijlage.

De afbeelding hiernaast toont de relaties tussen de organismen in een vijverecosysteem.

Wat is de meest juiste bewering?

afbeeldingafbeelding

Ecologie

Populatiekenmerken.
Zie de figuren B 5157 en B 5158 van de bijlage.

Het verband tussen populatiedichtheid Populatie(Nt ) en populatiegroeisnelheid
(R = Nt+1 / Nt ) voor een bepaalde diersoort wordt in afbeelding 1 weergegeven.

Kies uit de grafieken in afbeelding 2 de juiste populatiegroeipatronen die overeenkomen met de dichtheden (I, II, III) uit afbeelding 1.
Let op: In afbeelding 2 is op de Y-as de relatieve dichtheid uitgezet. Dat is niet hetzelfde als de absolute dichtheid op de X-as in afbeelding 1.

afbeeldingafbeeldingafbeeldingafbeelding
  • D

  • C

  • B

  • A

  • I

  • II

  • III

  • niet van toepassing