Oefentoets Biologie: Gedrag - Voeding | HAVO 3/HAVO 4/HAVO 5

Deze oefentoets bevat 11 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.

Aantal vragen

11

Vak(ken)

Biologie

Kerndoel(en)

VO Kerndoel 31: Processen in de natuur

Leerniveau(s)

HAVO 3, HAVO 4, HAVO 5

Uitgever

NVON

Copyright

cc-by-sa-40

Gedrag

1/4 Koekoek.
Zie figuur B 4339 van de bijlage.

Koekoeken leggen hun eieren in de nesten van andere vogels en laten de verzorging van de jongen aan deze pleegouders over. Een koekoeksvrouwtje legt in een groot aantal nesten een ei. De vogels van wie deze nesten zijn, zijn meestal van dezelfde soort als die waardoor het koekoeksvrouwtje zelf is grootgebracht. De pas uitgekomen koekoek duwt alle andere jonge vogels en eieren uit het nest.
Jonge koekoeken hebben een fel rood gekleurde binnenkant van de snavel. Door deze grote snavel steeds open te sperren wordt het verzorgingsgedrag van de pleegouders sterker geprikkeld dan door de snavel van de eigen jongen (zie de afbeelding).
Als de koekoek met veel moeite is grootgebracht, trekt deze weg naar het overwinteringsgebied. Volwassen soortgenoten zijn al eerder vertrokken.
Het zien van de binnenkant van de snavel van het koekoeksjong kan zowel een sleutelprikkel worden genoemd als een supranormale prikkel.

Geef aan waarom het zien van de binnenkant van de snavel van het koekoeksjong een sleutelprikkel kan worden genoemd.

afbeeldingafbeelding

Gedrag

2/4 Koekoek.

Geef aan waarom het zien van de binnenkant van de snavel van het koekoeksjong een supranormale prikkel kan worden genoemd.

Gedrag

3/4 Koekoek.

In de tekst staat dat de jonge koekoek de andere jonge vogels en eieren uit het nest duwt.

Leg met behulp van de tekst uit of het optreden van dit gedrag alleen berust op erfelijke factoren of ook op leerprocessen.

Gedrag

4/4 Koekoek.

In de tekst staat dat de koekoek na grootgebracht te zijn, wegtrekt naar het overwinteringsgebied.

Leg met behulp van de tekst uit of het wegtrekken naar het overwinteringsgebied alleen berust op erfelijke factoren of ook op leerprocessen.

Gedrag

1/4 Slimme vogels gebruiken werktuigen.

Tekst:
Sommige vogels hebben trucs ontwikkeld om hun voedsel te bemachtigen.
Er zijn spechten die een groef in een boom hakken waarin ze een dennenkegel klemmen. Hierdoor kunnen ze de zaden beter uit de kegel halen. Daarnaast staan zo'n dertig andere vogelsoorten als werktuiggebruikers bekend. Het meest populaire werktuig is ongetwijfeld de steen. Aasgieren (Neophron percnopterus) in Afrika gooien met stenen struisvogeleieren kapot. Er zijn soorten die met een steen in de snavel eieren te lijf gaan.
Een steen kun je ook anders gebruiken. Zanglijsters (Turdus philomelos) zijn dol op huisjesslakken. Ze zijn niet sterk genoeg om het slakkenhuis met de snavel open te breken. De lijster pakt met de snavel een slak bij de rand van de opening van het huis en mept daarmee net zo lang op een steen tot het huis breekt.
Deze aambeeldtechniek wordt niet waargenomen bij merels (Turdus merula), alhoewel zanglijsters en merels regelmatig in elkaars nabijheid worden waargenomen.

bewerkt naar: de Gelderlander, 7 januari 1998

Tussen de den en de specht is sprake van een voedselrelatie.

Leg uit dat er tussen den en specht ook sprake is van mutualisme.

Gedrag

2/4 Slimme vogels gebruiken werktuigen.
Zie figuur B 6831 van de bijlage.

De koperwiek behoort tot hetzelfde genus (geslacht) als de zanglijster, maar het zijn verschillende soorten.

Welke van de volgende namen is, gelet op de inleiding, de wetenschappelijke naam van de koperwiek?

afbeeldingafbeelding

Gedrag

3/4 Slimme vogels gebruiken werktuigen.

Een bepaalde zanglijster ziet herhaalde malen hoe andere zanglijsters de aambeeldtechniek uitvoeren, maar neemt deze techniek niet over.

Welk leerproces ontbreekt in dit geval bij deze zanglijster?

Gedrag

4/4 Slimme vogels gebruiken werktuigen.

Een veelvoorkomende soort huisjesslak is de zwartrandtuinslak (Cepaea nemoralis). Binnen deze soort bestaan verschillende kleurvariƫteiten, onder andere gele en bruinroze. Deze verscheidenheid in kleur is erfelijk bepaald. In een bepaalde bostuin met strooisel op de bodem komen aanvankelijk beide kleurvariƫteiten voor. Na een paar jaar is in deze tuin het percentage gele slakken sterk afgenomen. In de duinen zien we juist de gele slakken.

Geef een verklaring voor het feit dat er in deze bostuin op den duur vrijwel uitsluitend bruinroze slakken te vinden zijn.

Gedrag

1/3 Spechten.
Zie figuur B 3615 van de bijlage.

Een van de opvallendste geluiden in het bos is het roffelen van spechten. Via het roffelen kunnen spechten met elkaar communiceren. Ze lokken er niet alleen een partner mee, maar spreken ook de nestplaats met elkaar af en het moment waarop ze elkaar aflossen met broeden. Met roffelen bakenen ze ook hun territorium af.
Elke soort heeft een eigen roffelritme. In de afbeelding is een gedeelte van een roffel van de Grote bonte specht weergegeven.

Leg uit welk voordeel het heeft dat elke soort een eigen roffelritme heeft.

afbeeldingafbeelding

Gedrag

2/3 Spechten.

Bereken de tikfrequentie in Hz waarmee een grote bonte specht tegen het hout van een boom tikt.

Gedrag

3/3 Spechten.

Spechten kloppen met hun snavel ook op bomen voor het opsporen van hun prooien. Dikke keverlarven in het hout van een boom weten ze feilloos te vinden. Om na te gaan op welke manier spechten hun prooi opsporen hebben onderzoekers een experiment uitgevoerd. Hun hypothese was dat spechten het verschil tussen gevulde gaten en niet gevulde gaten kunnen horen. Ze boorden gaatjes in een stuk hout en stopten daarin meelwormen. Vervolgens werden de gaatjes met schors afgesloten. Een specht vond de meelwormen binnen enkele minuten. Hij tikte bij het zoeken met zijn snavel tegen het hout, beitelde er vervolgens op los en trok de meelwormen te voorschijn.

Welk controle-experiment moeten de onderzoekers uitvoeren bij het toetsen van hun hypothese?