Deze oefentoets bevat 64 vragen en is te gebruiken in een toetsplatform dat QTI 3.0 ondersteunt. De opgaven zijn gemaakt door een vakdocent Biologie van de NVON. Ideaal om leerlingen gericht te laten oefenen en hun kennis te toetsen.
Uit een afgezaagde dennentak wordt een stukje gesneden zoals in tekening 1 van de afbeelding is weergegeven. De structuur van dit stukje is in tekening 2 schematisch getekend.
Heeft deze tak gedurende 3, 4 of 8 jaar levend aan de dennenboom gezeten?
afbeelding
Plantenanatomie
Deling cambiumcel. Zie figuur B 1041 van de bijlage.
In de tekening staan drie schema's die betrekking hebben op de deling van een cambiumcel in de stam van een beuk.
Welke schema's geven juist aan welke nieuwe cellen er kunnen ontstaan?
afbeelding
Plantenanatomie
Deling van cambiumcel.
In de stam van een boom deelt zich een cambiumcel, waardoor twee jonge cellen ontstaan.
Tot welk type cel zullen deze jonge cellen zich gaan ontwikkelen?
Plantenanatomie
Dwarsdoorsnede van boomtak. Zie figuur B 1077 van de bijlage.
De foto geeft een deel weer van een dwarsdoorsnede door een tak van een boom.
Is P een bastvat of een houtvat? In welke tijd van het jaar is dit vat gevormd?
afbeelding
Plantenanatomie
Aantal chromosomen in cambiumcel. Zie figuur B 717 van de bijlage.
In de tekening stelt P een cambiumcel voor. Het aantal chromosomen in de kern van P is 20. Cel P deelt zich in cel Q en cel R. Cel Q wordt een nieuwe cambiumcel, cel R wordt een bastcel.
Hoeveel chromosomen bevat cel Q? Hoeveel chromosomen bevat cel R?
afbeelding
afbeelding
Plantenanatomie
Dwarsdoorsnede van een boom. Zie figuur B 723 van de bijlage.
De foto geeft een dwarsdoorsnede van een boom weer.
Bestaat de donkere ring bij P uit hout of uit bast? Is deze in het vroege voorjaar of in de nazomer gevormd?
De donkere ring bestaat uit
afbeelding
Plantenanatomie
Doorsnede weer van deel van plantenstengel. Zie figuur B 694 van de bijlage.
De tekening geeft een doorsnede weer van een deel van een plantenstengel. Letter Q geeft een houtvat aan.
Werd houtvat Q in het voorjaar of in de nazomer gevormd? Werd houtvat Q eerder of later dan houtvat R gevormd?
afbeelding
afbeelding
Plantenanatomie
Dwarsdoorsnede van een boomtak. Zie figuur B 809 van de bijlage.
De foto stelt een dwarsdoorsnede van een tak van een boom voor.
Vanuit welke van de aangegeven lagen in deze tak vindt diktegroei plaats?
afbeelding
Plantenanatomie
Diktegroei boom.
De diktegroei verloopt bij de meeste bomen als volgt: ze begint doorgaans al in het eerste jaar en gaat gedurende het gehele leven verder. In de stengel en in de wortel beginnen bepaalde cellen zich te delen en al spoedig is een gesloten ring van delingsweefsel gevormd. Dit weefsel zet naar binnen en naar buiten toe cellen af. Naar binnen toe zijn dit cellen die sterk verdikte wanden maken. Het delingsweefsel is niet het gehele jaar door actief. Bovendien varieert de grootte van de cellen die ontstaan in de loop van het jaar.
Zijn de genoemde cellen met sterk verdikte wanden bastvaten of houtvaten? Wanneer ontstaan de grootste cellen (laatste zin van de tekst) in de lente of in de herfst?
afbeelding
Plantenanatomie
Diktegroei boom.
De diktegroei verloopt bij de meeste bomen als volgt: ze begint doorgaans al in het eerste jaar en gaat gedurende het gehele leven verder. In de stengel en in de wortel beginnen bepaalde cellen zich te delen en al spoedig is een gesloten ring van delingsweefsel gevormd. Dit weefsel zet naar binnen en naar buiten toe cellen af. Naar binnen toe zijn dit cellen die sterk verdikte wanden maken. Het delingsweefsel is niet het gehele jaar door actief. Bovendien varieert de grootte van de cellen die ontstaan in de loop van het jaar.
Vindt transport van stoffen van de wortels naar de bladeren gewoonlijk plaats in vaten die zich binnen de in de tekst genoemde gesloten ring van delingsweefsel bevinden? Bevindt zich in bladeren van bomen ook een gesloten ring van delingsweefsel?
afbeelding
Plantenanatomie
Diktegroei. Zie figuur B 846 van de bijlage.
Tekening P stelt een dwarsdoorsnede voor van een deel van een stam van een den. In foto Q is met een pijl aangegeven van welke plaats uit de stam de doorsnede van tekening P afkomstig is. De den is 10 meter hoog. De doorsnede is gemaakt op 4 meter hoogte.
Bevindt zich tussen laag 1 en laag 2 cambium? Is laag 2 gevormd in de nazomer?
afbeelding
afbeelding
Plantenanatomie
Diktegroei. Zie figuur B 846 van de bijlage.
Tekening P stelt een dwarsdoorsnede voor van een deel van een stam van een den. In foto Q is met een pijl aangegeven van welke plaats uit de stam de doorsnede van tekening P afkomstig is. De den is 10 meter hoog. De doorsnede is gemaakt op 4 meter hoogte.
Zijn de lagen 2 en 3 ontstaan tussen januari en december van hetzelfde jaar? Bevinden zich vlak bij de grond in de stam evenveel jaarringen als op 4 meter hoogte?
afbeelding
afbeelding
Plantenanatomie
Diktegroei.
Diktegroei van bomen begint door deling en groei van cellen in
Plantenanatomie
Dwarsdoorsnede vaatbundel. Zie figuur B 1928 van de bijlage.
De afbeelding geeft een doorsnede van een vaatbundel weer.
Welk cijfer geeft weefsel aan waarin celdelingen plaatsvinden?
afbeelding
Plantenanatomie
Dwarsdoorsnede boomtak. Zie figuur B 1951 van de bijlage.
In een bepaalde tak van een boom komen onder andere de volgende lagen voor:
1. bast, 2. hout gevormd in 1972, 3. hout gevormd in 1975.
De afbeelding B 1951 geeft vier dwarsdoorsneden van deze tak weer.
In welke doorsnede kunnen deze lagen juist genummerd zijn?
afbeelding
Plantenanatomie
Jaarringen in dennenhout. Zie figuur A 378 van de bijlage.
In de afbeelding geeft foto P een stukje dennenhout weer met jaarringen. Foto Q geeft sterk vergroot een gedeelte van het hout weer. In foto Q is aangegeven welk gedeelte van het hout in 1987 is gevormd. Ring 1 en ring 2 geven elk een jaarring aan. In één van deze beide jaren is de den minder goed gegroeid dan in andere jaren.
In welk jaar groeide de den minder goed?
afbeelding
Plantenanatomie
Jaarringen. Zie figuur B 2305 van de bijlage.
De afbeelding stelt een deel van een dwarsdoorsnede van een stukje stam voor.
Welk cijfer geeft een jaarring aan?
afbeelding
Plantenanatomie
Dwarsdoorsnede boomstam. Zie figuur B 338 van de bijlage.
In een dwarsdoorsnede van een boomstam is het hout dat in een jaar is gevormd, te zien als een jaarring. Van een boom wordt de stam op de plaatsen 1 en 2 doorgezaagd (zie tekening).
Is het aantal jaarringen op de plaatsen 1 en 2 gelijk of verschillend? Is de omtrek van de laatstgevormde jaarring op de plaatsen 1 en 2 gelijk of verschillend?
afbeelding
afbeelding
Plantenanatomie
Doorsnede van takje. Zie figuur B 695 van de bijlage.
De tekening geeft een deel van een doorsnede van een takje weer. Cijfer 1 geeft een transportvat aan dat in 1977 is gevormd.
Geeft cijfer 2 een hout- of een bastvat aan? Is transportvat 2 vóór of ná 1977 gevormd?
afbeelding
Plantenanatomie
Celdeling.
Waar vindt bij een zaadplant celdeling plaats?
Plantenanatomie
Lengtegroei bij houtachtige planten.
Waar vindt lengtegroei van houtachtige planten plaats?
Plantenanatomie
Celstrekking. Zie figuur A 220 van de bijlage.
In de tekeningen is een kiemende boon op twee verschillende tijdstippen weergegeven.
In welk gebied of in welke gebieden van de wortel heeft in de tussenliggende lid celstrekking plaatsgevonden?
afbeelding
Plantenanatomie
Groei kruidachtige plant. Zie figuur B 2183 van de bijlage.
De tekening stelt een kruidachtige plant voor in het voorjaar.
Op welke van de aangegeven plaatsen bevindt zich een groeipunt?
afbeelding
Plantenanatomie
Lengtegroei bij houtige planten.
Waar vindt lengtegroei bij houtige planten plaats?
Plantenanatomie
Lengtegroei bij tak van paardenkastanje. Zie figuur B 2197 van de bijlage.
De tekening geeft een tak van een paardekastanje weer tijdens de winter.
Welk cijfer geeft een plaats aan van waaruit in het voorjaar lengtegroei van deze tak plaatsvindt?
afbeelding
Plantenanatomie
Celdelingen wortel. Zie figuur B 2521 van de bijlage.
De tekening geeft een lengtedoorsnede weer van een deel van een wortel.
Welk cijfer geeft de plaats aan waar de meeste celdelingen plaatsvinden?
afbeelding
Plantenanatomie
Groei van boomstam.
Iemand slaat een spijker op 1 meter hoogte in een boomstam. De boom is op dat moment 10 meter hoog. In twee jaar tijd groeit de boom nog 1 meter.
Hoe hoog zit de spijker na deze twee jaar?
Plantenanatomie
Geschiedschrijving door een boom.
Tijdens een zware storm is in Nederland een meer dan duizend jaar oude eik omgewaaid. Bij het opruimen van de boom heeft men de stam dwars doorgezaagd. Na bestudering van het zaagvlak concludeerden biologen dat er omstreeks het jaar 1000 mogelijk een periode van droogte was.
Waarnaar keken de biologen speciaal bij het bestuderen van het zaagvlak en hoe konden ze hieruit concluderen dat het omstreeks het jaar 1000 mogelijk erg droog was?
Plantenanatomie
Wortel van plant. Zie figuur B 3341 van de bijlage.
Om te onderzoeken in welke richting de wortels van een kiemplantje groeien, wordt een experiment gedaan (zie de afbeelding). In tekening 1 zijn drie kiemplantjes zó in een petrischaaltje geplaatst, dat hun wortels horizontaal (zaad 1), omlaag (zaad 2) en omhoog (zaad 3) gericht zijn. Tekening 2 laat hetzelfde petrischaaltje twee dagen later zien.
Noem een aanvulling of een verbetering van het experiment, waardoor de resultaten betrouwbaarder worden.
afbeelding
Plantenfysiologie
Processen in een plant.
Drie processen die voorkomen bij een plant zijn:
1. herstel van weefsels na beschadiging, 2. diktegroei door cambium, 3. vorming van helmdraden.
Bij welke van deze processen vindt mitose plaats?
Plantenfysiologie
Doorsnede wortel. Zie figuur A 174 van de bijlage.
De tekening stelt een lengtedoorsnede voor van een deel van een wortel van een plant.
I. Bij R vindt vooral meiose plaats. II. Bij Q vindt vooral mitose plaats.
afbeelding
Plantenfysiologie
Boomstammen. Zie figuur B 1102 van de bijlage.
De stam van de middelste boom op de afbeelding is dunner dan die van de beide andere bomen.
Wat kan de oorzaak of wat kunnen de oorzaken zijn?
afbeelding
Plantenfysiologie
Cambium.
Welke soort cellen worden door het cambium in de stam van een boom gevormd en in welke richting?
Plantenfysiologie
Proces in een plant.
Een proces dat plaats vindt in een plant wordt omschreven als:
zuurstof en glucose geeft energie, koolstofdioxide en water.
In welk of in welke van de weefsels cambium, dekweefsel en vulweefsel vindt dit proces plaats?
Plantenfysiologie
Groei van kiemplantje.
Een kiemplantje van een eik wordt in een oplossing met voedingszouten geplaatst. Na een jaar is de plant 200 gram zwaarder geworden. De plant heeft 2 gram van de zouten opgenomen.
Hoeveel water en CO2
heeft de plant opgenomen? Is er water gebruikt bij de celgroei?
afbeelding
Plantenfysiologie
Jaarringen. Zie figuur B 338 van de bijlage.
In een dwarsdoorsnede van een boomstam is het hout dat in een jaar is gevormd, te zien als een jaarring. Van een boom wordt de stam op de plaatsen 1 en 2 doorgezaagd (zie tekening).
Is het aantal jaarringen op de plaatsen 1 en 2 gelijk of verschillend? Is de omtrek van de laatstgevormde jaarring op de plaatsen 1 en 2 gelijk of verschillend?
afbeelding
afbeelding
Plantenfysiologie
Celstrekking.
Het langer worden van plantencellen is onder andere een gevolg van celstrekking.
Wat is de oorzaak van deze celstrekking?
Plantenfysiologie
Meristeem-kweekmethode.
I. De meristeem-kweekmethode wordt vooral toegepast om de snelle en goedkope wijze van planten kweken. II. Met deze meristeemmethode worden zowel plantaardige als dierlijke organismen voortgekweekt.
Plantenfysiologie
Kieming van erwten. Zie figuur B 957 van de bijlage.
In vijf bakjes worden droge erwten onder verschillende omstandigheden gelegd om na te gaan of ze kiemen. De bakjes 2, 3, 4 en 5 zijn luchtdicht afgesloten.
In welke bakjes zullen zich uit de erwten kiemplantjes kunnen ontwikkelen?
afbeelding
Plantenfysiologie
Groei van waterplantjes.
In twee glazen buisjes bevindt zich water met een waterplantje. De temperatuur van het water in beide buisjes wordt op 25°C gehouden. Buisje 1 staat in het donker. Buisje 2 staat in het licht. Na enige tijd blijkt, dat het plantje in buisje 1 het meest in lengte is toegenomen. Hier volgen twee beweringen over deze lengtegroei:
1. Voor de lengtegroei is een constante temperatuur nodig, 2. Voor de lengtegroei is licht nodig.
Welke van deze beweringen wordt (worden) door deze proef bevestigd?
Plantenfysiologie
Kiemende boon. Zie figuur B 775 van de bijlage.
Tussen welke stadia treedt celstrekking op?
afbeelding
Plantenfysiologie
Kiemende boon. Zie figuur B 775 van de bijlage.
De groei van de plant vindt plaats met behulp van stoffen uit de zaadlobben en met behulp van de in de bladeren gevormde stoffen.
Waaruit komen de stoffen voor de groei tussen de stadia 3 en 4?
afbeelding
Plantenfysiologie
Celstrekking.
Bij de groei van een jong plantje ontwikkelen zich wortel, stengel en bladeren.
In welk of in welke van deze delen vindt celstrekking plaats?
Plantenfysiologie
Kiemplantjes van maïs. Zie figuur B 1701 van de bijlage.
In de potten 1 en 2 bevinden zich vijf dagen oude kiemplantjes van maïs. Pot 1 heeft al die tijd in het licht gestaan. Pot 2 stond steeds in het donker.
Welke van onderstaande conclusies uit dit experiment is juist?
afbeelding
Plantenfysiologie
Takvorming.
Processen die in planten plaatsvinden, zijn:
1. specialisatie van cellen, 2. celstrekking, 3. plasmagroei.
Welke van deze processen treden op als zich uit een knop aan een plant een nieuwe tak met bladeren ontwikkelt?
Plantenanatomie en -fysiologie
1/2 Deling van cambiumcel. Zie figuur B 888 van de bijlage.
De afbeelding stelt schematisch de deling voor van een cambiumcel in een boom.
Leidt deze deling tot diktegroei? En tot lengtegroei?
afbeelding
Plantenanatomie en -fysiologie
2/2 Deling van cambiumcel. Zie figuur B 888 van de bijlage.
Welke van de cellen P, Q en R hebben hetzelfde aantal chromosomen?
afbeelding
Plantenanatomie en -fysiologie
1/2 Celdeling en groei. Zie figuur B 1959 van de bijlage.
In de afbeelding zijn schematisch een celdeling en de groei van een plantencel weergegeven.
Tussen welke van de getekende stadia vindt celstrekking plaats?
afbeelding
Plantenanatomie en -fysiologie
2/2 Celdeling en groei. Zie figuur B 1959 van de bijlage.
In cel P bevinden zich 20 chromosomen.
In welke van de weergegeven cellen bevinden zich ook 20 chromosomen?
afbeelding
Plantenanatomie en -fysiologie
1/3 Diktegroei. Zie figuur B 846 van de bijlage.
Tekening P stelt een dwarsdoorsnede voor van een deel van een stam van een den. In foto Q is met een pijl aangegeven van welke plaats uit de stam de doorsnede van tekening P afkomstig is. De den is 10 meter hoog. De doorsnede is gemaakt op 4 meter hoogte.
Bevindt zich tussen laag 1 en laag 2 cambium? Is laag 2 gevormd in de nazomer?
afbeelding
afbeelding
Plantenanatomie en -fysiologie
2/3 Diktegroei.
Bestaan de transportvaten in het hout uit levende cellen? Bestaan de transportvaten in de bast uit levende cellen?
afbeelding
Plantenanatomie en -fysiologie
3/3 Diktegroei.
Zijn de lagen 2 en 3 ontstaan tussen januari en december van hetzelfde jaar? Bevinden zich vlak bij de grond in de stam evenveel jaarringen als op 4 meter hoogte?
afbeelding
Plantenanatomie en -fysiologie
1/3 Een els. Zie figuur B 2091 van de bijlage.
Een els is een boom die alleen goed groeit als er veel water beschikbaar is. Een els is in februari 1990 vlak boven de grond afgezaagd. Tegelijk zijn de takken vlak bij de stam van de boom afgezaagd. In de afbeelding zijn een deel van een doorsnede van de stam en een deel van een doorsnede van een tak weergegeven. In beide doorsneden zijn jaarringen te zien.
Hoe oud was de tak toen deze werd afgezaagd?
afbeelding
Plantenanatomie en -fysiologie
2/3 Een els.
De omgezaagde els heeft wel eens last gehad van droogte. Dit is aan de jaarringen van de stomp te zien.
Waaraan is bij een jaarring te zien dat het voor de els een droog jaar was?
afbeelding
Plantenanatomie en -fysiologie
3/3 Een els.
In welke zomer heeft de els, op grond van de afbeelding, gebrek aan water gehad?
afbeelding
Plantenanatomie en -fysiologie
1/3 De groei van een erwtenplantje. Zie figuur B 1936 van de bijlage.
In de afbeelding zijn twee stadia uit de groei van een erwtenplantje weergegeven. Overeenkomstige plaatsen in het worteltje zijn met gelijke getallen aangegeven. Daarnaast zijn twee cellen getekend die in dit worteltje voorkomen.
Kan cel P in het jongste stadium van de kiemende erwt (linker tekening) op plaats X voorkomen? En kan cel Q op plaats X voorkomen?
afbeelding
Plantenanatomie en -fysiologie
2/3 De groei van een erwtenplantje. Zie figuur B 1936 van de bijlage.
Uit de tekeningen blijkt dat in de wortel lengtegroei heeft plaatsgevonden.
Door welk proces is de wortel het meest in lengte toegenomen?
afbeelding
Plantenanatomie en -fysiologie
3/3 De groei van een erwtenplantje. Zie figuur B 1936 van de bijlage.
Welk proces vindt vooral plaats op plaats X?
afbeelding
Plantenanatomie en -fysiologie
2/3 Etheen. Zie figuur C 172 van de bijlage.
Na 48 uur meet ze de lengte van de stengels. In de tabel hieronder staan de resultaten van haar metingen.
afbeelding
Zet op de bijlage de gemiddelde lengte van de stengels uit in een lijndiagram. Zet op de juiste plaats bij de assen: verblijftijd in etheen (uren) en gemiddelde stengellengte (cm). Zet ook de juiste getallen bij de assen.
-
afbeelding
Plantenanatomie en -fysiologie
3/3 Etheen. afbeelding
De onderzoeksvraag van de leerling was:
'Welke invloed heeft etheen op de lengtegroei van de stengels van ontkiemende erwten?'
Welke conclusie hoort op grond van de resultaten bij deze onderzoeksvraag?
Plantenanatomie en -fysiologie
1/2 Maïs en erwten. Zie figuur B 786 van de bijlage.
Twee bakken zijn gevuld met vochtig zand. In de ene bak worden drie maïskorrels gelegd, in de andere bak drie maïskorrels en drie erwten. Verder zijn alle omstandigheden voor beide bakken gelijk. Na enkele dagen ontkiemen de maïskorrels en de erwten en beginnen de plantjes te groeien zoals in de tekening is weergegeven. Een paar weken later worden de maïsplanten in bak 1 vergeleken met die in bak 2. Het blijkt dan dat de maïsplanten in bak 2 beter gegroeid zijn dan die in bak 1.
Welke stof moet of welke stoffen moeten de zaden opnemen om te kunnen ontkiemen?
afbeelding
Plantenanatomie en -fysiologie
2/2 Maïs en erwten. Zie figuur B 786 van de bijlage.
Welke van onderstaande conclusies uit deze proef is juist?
afbeelding
Plantenfysiologie
Algen bij de afvalwaterzuivering.
In een krant stond het volgende bericht:
Tekst: In het verleden werden bij de afvalwaterzuivering vooral bacteriën gebruikt om organische (biologische) stoffen uit het afvalwater te verwijderen. Het gedeeltelijk gezuiverde water dat overbleef, bleek nog te grote hoeveelheden zouten te bevatten. Door naast de bacteriën ook algen te gebruiken vond men een manier om dit probleem op te lossen. De algen nemen de zouten uit het water op voordat het water de installatie voor de afvalwaterzuivering verlaat.
Voor welk proces verbruiken de algen de zouten uit het afvalwater vooral?